Twee spelers, een oudere man en een jonge vrouw, richten zich allebei tot hun publiek. Ze spreken naast mekaar en vullen elkaar aan.
Marcel
Het is niets ergs. Een banale buil, meer niet.
Het moet de hitte buiten geweest zijn, en de plotse overgang naar de luwte van de kathedraal. Het labyrint zit er ook voor iets tussen. Misschien heb ik de voorbije weken te vaak die eigenzinnige kronkelpaden gevolgd.
Isis
Je wordt er nog gek van, Marcel.
Marcel
Isis begrijpt de plicht tot vorsen niet die een wetenschapper heeft. Ze begrijpt niet dat je elke steen moet omdraaien, elk spoor moet volgen om het vervolgens in twijfel te trekken. Ze houdt ook niet van feiten. Ze gelooft er niet in, zegt ze. Ze is jong en gulzig, ze wil liefst alle opties openhouden.
Isis
Ik had met hem te doen. Zoals hij daar zo verslagen zat. De elleboog op de keukentafel, het hoofd rustend in zijn hand. Die grote pleister op zijn voorhoofd maakte hem zo breekbaar. Het was niets ergs, zei hij. Hij was gevallen in de kathedraal. De vloer is er geboend door de eeuwen, daar is zelfs de stoerste rubberen zool niet tegen opgewassen. Hij let ook niet op waar hij loopt, als hij zo opgaat in zijn obsessief gedraaf door dat labyrint. Sakkerend op kinderen die er een spel van maken. Geërgerd door New Age-toeristen die er bizarre rituelen in opvoeren. Ik maak me ongerust over die zestiger die daar, in opperste concentratie, pijnlijk tegen de vlakte ging. Marcel. Professor emeritus Marcel Manievski.
Waar is de flamboyante man gebleven, die voor mij de deur naar de wereld openzette?
Marcel
Waarom heb ik haar meegebracht? Ze beweert dat het noodlot dat gedicteerd heeft, dat ik niet anders kon. Dat ik van haar hou. Dat ik me laaf aan haar jeugd. Ik? Iemand die verliefd kan worden op een duizend jaar oude madonna?
Misschien was het de lucht in de crypte die me zo draaierig maakte. Tenslotte is die benauwde ruimte eeuwenlang het toevluchtsoord van lijders aan al wat een ongelukkige onder de leden kan hebben. Voor velen werd het hun eindbestemming. Ze hebben zich daar een pleuris gehoest, geijld en gestonken… allemaal in de hoop dat de zwarte madonna met de geloken ogen zou pleiten om genade voor hun ziel. Zoveel rampspoed en rottigheid zijn niet te neutraliseren met een luchtverfrisser en wat vloerzeep.
Isis
We dachten allebei dat deze zomer in Chartres een nieuw licht op de dingen… op ons zou kunnen werpen. Maar het enige wat hem hier bezighoudt is dat eeuwige gewriemel in crypten en kerkers waar hij in kruipt om uitgerekend het licht te zien! Arme man.
Marcel
Isis! Ze was de derde studente van rechts op de tweede rij in de aula. ‘Jij heet dus echt zo? Zijn je ouders ouwe hippies of archeologen, egyptofielen?’ Isis! Dat zat zomaar op de schoolbanken, letterlijk naar hem op te kijken. Hoe gepredestineerd om geschiedenis te studeren kan een mens zijn. Ze haalde haar schouders op. Zij hield meer van Iris, of Luna. Kinderen houden zelden van hun naam. Met een naam als Isis word je in ieder geval geen caissière… Isis is één van de oudste en belangrijkste vrouwelijke godheden van het oude Egypte. Isis werd beschouwd als beschermvrouw van het gezin, de vrouwelijke vruchtbaarheid, de geneeskunde en de magie. Isis en haar tweelingbroer Osiris, kinderen van de god van de aarde en de godin van de hemel, trouwden en regeerden als koning en koningin over de Egyptische kosmos. Tot ver in de Romeinse tijd, maar ook geografisch was de verering van Isis wijdverbreid. Er zijn oude tempels voor Isis ontdekt aan de oevers van de Donau en de Theems. De mythe van Isis is blijven weerklinken door de mythologie en de symboliek van het christelijke tijdperk. De manier waarop de madonna met kind meestal wordt weergegeven, lijkt opvallend veel op de talloze afbeeldingen van Isis met Horus aan haar borst. Maria heeft ook veel benamingen van Isis overgenomen: Zetel der Wijsheid, Sterre der Zee en Koningin des Hemels. ..
Isis
We kennen elkaar vijftien jaar. Hij was een midden veertiger, ik een wicht van twintig. Hij mijn prof, ik zijn onbeschreven blad. Hij was zoveel boeiender dan de anderen. We deelden een humor die niemand anders begreep. Woordspelletjes, taalstrijd, pennengevechten … en passie bovendien. Tot hij zich verongelijkt ging voelen, miskend, een levend anachronisme. Tot hij de oorlog verklaarde aan de wereld en aan onze tijd.
Marcel
De ratio voorbij, zat ik vanmorgen naar het eeuwenoude beeld te staren. Als een ordinaire bedevaarder smeekte ik om antwoorden. Er zijn zoveel verwijzingen naar Isis… niet de mijne maar die van Osiris. Zoveel gelijkenissen met de oercultus uit Egypte, maar zo weinig sluitende bewijzen. Soms benijd ik hen die gewoonweg geloven, zij hebben niets te onderzoeken of te staven. Ik word zo moe van het willen weten.
Ik had me niet mogen laten afleiden. Het heeft zeker twee weken geduurd vooraleer mijn werk hier echt een aanvang nam. Ik volgde Isis, blindelings, verblind. We kuierden, zaten op terrasjes, dronken en aten meer dan goed voor ons was. We winkelden, stel je voor. Ik die me aansloot bij het leger der wachtende mannen die met droefenis in de ogen post vatten bij pashokjes. ‘Ja mooi, nee die is beter. Weet je wat, neem ze allebei!’ Wat kunnen mij die frivoliteiten schelen! Maar goed, zij beweerde dat onze relatie zulke banaliteiten af en toe nodig had. Wat kon ik zeggen. Ik zie hoe jonge nietsnutten naar haar kijken, hoe haar aanblik hun bloed doet stromen.
Ik zie hoe zij zich in die blikken wentelt als een krolse kat. Ik weet ook hoeveel moeite het haar kost om de rituelen van ons samenzijn uit te voeren. Gearmd lopen, de krant delen, haar handen die mijn schouders kneden, ik die haar rode jurk dichtrits, een zachte aai door mijn haar, mijn vingers op haar lippen, die vluchtige nachtzoen. Elke dag vallen ze haar zwaarder, de handelingen van onze gezamenlijkheid. Ik heb angst voor de weerzin die ik bij haar zal oproepen. Voor de onafwendbare haat.
Isis
Een doordeweekse midlifecrisis had ik kunnen begrijpen. Een motor voor de deur, te hippe kleren en de vraag of ik zijn grijzende haar zou willen verven.Dan had ik me vertederd en met lichte spot laten meeslepen met zoveel verweer tegen de vergankelijkheid. Maar dit tijdperk van verbittering hypothekeert ook mijn leven. Ik crepeer onder zijn negativisme, zijn eeuwige weerzin tegen alles en iedereen. Zonder hoop voel ik me verwelken. Vroegtijdig uitdoven door de zuurstof die hij opgebruikt in de stolp waaronder we leven.
Marcel
Ze doet zo haar best om niet los te laten. Ik ben zo leeg, ik heb haar niets meer te bieden dan oponthoud. Daarom zoek ik de kracht, de spirituele nieuwe vonk die toelaat om weer in vreugde te leven. Vreugde zou nog iets zijn om te delen. Momenteel delen we niets meer dan die kleine tweekamerflat in de Rue aux Juifs.
Isis
Zijn val kwam ongelegen. Als ik het zo zeg, lijkt dat vanzelfsprekend: vervelende of pijnlijke gebeurtenissen komen nooit gelegen. Maar dit is complexer dan je zou denken, een kwestie van slechte timing. Ik voel me schuldig. In het licht van de ratio totaal belachelijk, maar mijn magisch denken gaat wel vaker creatief aan de slag met oorzaak en gevolg.
Ken je het verschijnsel dat er in de natuur naast elke giftige plant een tegengif groeit? Wel, zo is het gekomen. Fabrice… was een redmiddel, meer niet, dat me voor de voeten liep achter de kathedraal, op de steile helling bij het labyrint van gras. Drie uur lang had ik het ondergaan, het doordrammen van Marcel over de symboliek van de roos, en ik was de uitputting nabij…
Marcel
In de oude culturen van het middellandsezeegebied was de roos opgedragen aan Venus of Aphrodite, en daarom leggen sommigen het verband met vrouwelijke seksualiteit. Maar Venus of Aphrodite stond voor veel meer dan alleen seks en seksualiteit. Ze stond voor de romantische liefde en voor de liefde op verscheidene niveaus en verwees niet uitsluitend naar de geslachtsgemeenschap. Ze droeg Eros in zich, maar ook iets van Agape. Als een teken van de romantische liefde wordt de kleur van de roos belangrijk. Het vroege kleursymbolisme van de roos was eenvoudiger dan tegenwoordig, want de hedendaagse, door de romantiek geïnspireerde taal van de roos is almaar complexer geworden naarmate de keuze aan kleurschakeringen bij de bloemist werd uitgebreid. Vroege en middeleeuwse christenen kenden rozen in slechts vier kleuren: wit betekende onschuldige of zuivere liefde, roze eerste liefde, rood ware liefde en geel vergeet het maar, het is voorbij.
Isis
…en het was nog lang niet voorbij. Hij declameert nog altijd zoals hij dat vroeger in de aula deed. Alleen ben ik nu de enige die luistert. Luistert? Ik ken de verhalen, de theorieën, door en door. Ik kijk naar de plekken en details die hij aanwijst. Ik knik wanneer hij zijn betoog staakt en bevestiging zoekt. Af en toe maak ik op zijn vraag een zin af.
Ik voel de blikken van de omstanders, ik hoor de commentaren. We zien er incestueus uit, ik weet het. De oudere man met zijn getaande, doorgroefde gezicht, de regenjas losjes om de schouders, en de dertiger in zomerjurk. Zo ziet de keerzijde van de medaille eruit. Van het mooie ereteken dat ik destijds kreeg opgespeld: teacher’s favourite. Nu moet ik hem nu delen met zijn dokter, zijn kwalen, en de vrouwen uit zijn historische boeken. Meer en meer.
Marcel
Wat echter in verband met Maria aan de roos belangrijk is, is de doorn. Het was een gangbare opvatting – die niet op de bijbel was geënt – dat rozen en rozenstruiken in de hof van Eden geen doornen hadden. Bijgevolg was een rozenstruik die afgebeeld stond in de buurt van Maria, in het bijzonder op een weergave van de maagd met het kind, altijd een verwijzing naar het paradijs.
Isis
Zo stel ik me de hel voor. Eerder koud dan warmhartig. Het zijn niet de vlammen maar de troosteloosheid en het totale gebrek aan perspectief die de diepte in trekken. ‘Zou het kunnen dat ik depressief ben?’ Ik zei het niet echt tegen Marie, een vriendin die al een paar uur pogingen deed om een conversatie met mij gaande te houden, het kwam er gewoon vanzelf uit. De weinige contacten die ik buiten hem nog heb, verknoei ik nu met mijn oeverloos deprimerend geweeklaag... Depressief? Marie gierde het uit, ze proestte. Alsof ik er beschamend laat was achtergekomen dat sinterklaas niet bestaat. Zoveel naïviteit werkt blijkbaar danig op de lachspieren. Ze kwam niet meer bij. Ze snoot haar neus, gniffelde nog wat na en sprak toen zonder overgang bijzonder ernstig: ‘Je moet er dringend tussenuit!’ Naar Ibiza, hersenloos shaken voor we er te oud voor zijn, of met een Vespa door Italië rijden in schandelijk korte jurkjes. Tango leren dansen in Buenos Aires, verstrengeld met zo’n naar tabak ruikende nachtdanser. Straatkinderen helpen in Bogota, het kappen van het regenwoud gaan tegenhouden… Marie vond dat ik dringend iets moest doen dat me weer zin zou geven in het leven. Anders ging ik vanbinnen dood en volgens haar kon je dat al een beetje zien gebeuren.
Maar het werd Chartres… met hem.
Marcel
Het was Maria die de aanzet gaf tot het proces van onze terugkeer naar het paradijs, naar de plaats waar de rozen zonder doornen zijn. De roos werd daarmee een symbool, een aanwijzing zo je wilt, van Maria’s rol bij de redding van de mens. Haar roos was een teken van genade; ergo werd het roosvenster ontworpen tot meerdere eer en glorie van Maria de moeder.
Isis
Hij blijft praten. De bel gaat nooit, zijn lessen duren een eeuwigheid. Bovendien ken ik het hele boekje al uit het hoofd. Toch ben ik de verdoemde zittenblijver. Zijn Maria-betoog wekt agressie bij mij op. Ik bijt op mijn lip om hem niet uit te schelden. Ik veranker mijn gebalde vuisten in mijn jaszak om hem niet te slaan. Hou op! Hou op! Jij wereldvreemde oude zeur. De woorden doen pijn als ze zich nog maar vormen in mijn hoofd. Ze gaan tekeer als giftige padden die met bolle vingertoppen hameren op mijn schedeldak. Ik moet naar buiten. Lucht!
Licht, vooral.
Marcel
Isis keert me de rug toe. Zonder iets te zeggen. Ze rent als bezeten. Regelrecht naar de zijingang. Onderweg botst ze tegen oude besjes en fotograferende Japanners aan. Niemand die haar afremt. Weg is ze. Mensen staren mij aan als was ik schuldig. Ik moet haar zo vreselijk overstuur gemaakt hebben. Terwijl ik alleen maar mooie dingen met haar deelde. Inzichten, wetenschap. Ik besluit haar niet achterna te gaan. Ik kan niet. Mijn benen wegen als lood. Mijn ruggengraat lijkt te verkruimelen. Een stoel, even zitten.
Isis
De buitenlucht doet mij goed. Alsof ik het leven zelf inadem. Ik loop, erger, ik huppel. Voor het eerst valt het mij op hoe mooi de terrassen achter de kathedraal zijn. Er zitten mensen te lezen, koppeltjes leunen innig verstrengeld tegen de eeuwenoude muren en kussen af en toe, als ze daar zin in hebben. Vier vrienden drinken wijn en spelen jeu de boules. Blij als een kind loop ik de trapjes af. Terras na terras dieper de vallei in. Verder weg van zijn kathedraal. Sneller en sneller, tot op de helling naast het labyrint van gras. Een steile afdaling, mijn voeten blijven rennen, als bezeten. Mijn armen molenwieken. Ik gil, ik weet het zeker. Net wanneer ik dreig neer te storten, is hij daar. ‘Oh oh, accident!’ Een knappe jongeman grijpt me vast om mij tot staan te brengen. We vallen samen op de grond. Onze kinderlijke, chaotische val brengt hem aan het lachen. Ik lach mee, zij het eerder uit schaamte. Groene grassprieten steken uit mijn haar, mijn knieën zijn geschaafd. Een hak van mijn sandaaltjes heeft het begeven en mijn rok hangt ergens halfstok. Wanhopig probeer ik me enigszins te fatsoeneren. De jongeman klimt de helling een eindje op en plukt mijn weg gekatapulteerde handtas van het gras. ‘Wat was dat voor een kamikazeactie? Ik ben Fabrice, uw redder.’ Hij steekt lachend zijn hand uit. Ik reageer wat onbehouwen, lees de codes van het beschaafd kennismaken niet meteen. Iets buiten mezelf stuurt me. Ik negeer zijn hand en kus hem op de wang. ‘Merci! Ik ben Isis.’ Isis, de handpop van de waanzin.
Marcel
‘Pardon!’ Ik hinder de priester op zijn pad naar het bizarre biechtlokaaltje. Dat is wat het is, anders kan ik het niet noemen. Tussen twee biechtstoelen zit er een lichtblauw geschilderd kamertje met een groot venster. Het lijkt wel een poppenhuis. De priester gaat naar binnen en steekt het licht aan. Geroutineerd hangt hij zijn overjas aan de kapstok en zet zich aan het tafeltje. Hij bladert in de krant die de vorige priester van wacht heeft achtergelaten. Een man op zijn werk. Is dit de nieuwe openheid van de kerk? Denkt men met het etaleren van huiselijkheid zielen te winnen? Hij legt de krant weg en verdiept zich in zijn gsm-verkeer. Het tafereel doet denken aan het beeld van de signerende auteur op een boekenbeurs, die geen volk trekt en zich achter zijn stapels onverkochte exemplaren een houding moet geven. De curé slaagt er niet echt in. Ik heb met hem te doen. Wij zijn allebei even werkloos. Ik zonder pupillen, hij zonder berouwvolle zondaars.
Isis
Ik wandel met de vreemde man door de stad. We lopen van het rijke verleden dat Marcel toebehoort naar de gezellige bovenstad waar het leeft. Niemand kijkt ervan op. We drinken kir op een terras onder de bomen. Fabrice is een jazzpianist uit Lyon, die is ingehuurd voor het zomerfestival van Chartres. Morgen treedt hij op met zijn eigen trio. Hij is een vlotte, spontane prater. Ik koketteer, ik weet het. Ik doe alsof ik aandachtig luister, friemel in mijn haar en vraag me af hoe het zou zijn om met hem te leven. De kir doet zijn werk. Fabrice streelt mijn wang. Heb ik tijd?Ik vraag het me ook af. Wat heb ik eigenlijk, buiten die onmetelijke tristesse die mijn vacuüm vult met leegte? Hij kust me. Anders dan Marcel. Mannen verleren de kunst van het kussen gaandeweg. Fabrice is nog jong, hij kust me vol op de mond. Gulzig en passioneel. Hij rekent af, neemt me bij de hand. Hitsigheid en haast jagen ons door het labyrint van straten. Hij troont me mee naar het dakappartement dat voor de duur van het zomerfestival het zijne is. Het is er warm. Ik heb me zelden zo welkom gevoeld.
Marcel
Hij ontvangt me niet in het gezellige kamertje. Hij verdoemt me tot een ouderwetse knieval in het aangrenzend donkerhouten hok. Ik weet niet waarom. Terwijl ik hem zonet nog fel belicht kon observeren als was hij een bonobo in de zoo, zit er nu een fijn raster tussen ons in. Tot zover de kerkelijke openheid. Ik adem de boenwasgeur in. De geur voert me terug in de tijd. Ik ben weer de jongen die het concept zonde niet eens begrijpt. De priester mompelt wat en dan luistert hij. Het woord is aan mij. Godverdomme, is dit zinsverbijstering? Wat doe ik hier? Ik die neerkijk op warrige psychologen. Ik die behalve goede wijn zelfs niets wil delen met vrienden… wil ik tot bekentenissen overgaan tegen een wildvreemde? Ik slik, mijn mond is droog. De woorden kraken: ‘Ik heb het recht niet haar te gijzelen. Ik maak haar ongelukkig, en ik ben me er bewust van. Ik ben haar emotioneel aan het uithongeren…’
Isis
Ik kijk uit over de stad. Leun genietend van het gevaar op de krakkemikkige balustrade van het balkonnetje. Fabrice staat achter me. Zijn handen strelen mijn contouren. De lenige vingers van de pianist bespelen mijn zinnen. Ik doe niets dan ontvangen. Ik blijf strak voor me uitstaren. Wellicht uit angst om mezelf te verliezen als ik de ogen sluit. Ik kan helemaal tot Parijs zien, zo lijkt het toch. Hij kust mijn hals. Mijn greep op de balustrade verstrakt. Ik ben me ongelofelijk bewust van wat er gebeurt. Niets in mijn lijf heeft zin om hem te stoppen. Zijn handen kneden zacht mijn borsten. Ik schaam me voor mijn verlossende zucht. Een hand tilt mijn rok omhoog en volgt de weg van mijn verlangen. Ik wil alles, alles nu.
Hij tilt me op als was ik een fijn poppetje en laat me in zijn armen drijven tot aan het onopgemaakte bed. Hij strijkt behoedzaam mijn haren naar achter en bestudeert mijn gezicht. Hij lacht. Ik omhels hem als een drenkeling. Zijn vingers wandelen over mijn rugwervels. We vrijen zoals alleen nieuwe geliefden dat doen, gefascineerd door elkaars nog niet vertrouwde lichaam. Vol overgave en tegelijk bang dat straks alles voorbij zal zijn.
Marcel
De schuld druipt van me af. Ik voel me de dief van haar jeugd, de sloper van haar onstuimigheid. Ik heb haar kinderen ontzegd. Haar vrouw-zijn als een bonsaiboompje beknot. Af en toe stijgt er gemompel op vanachter het raster. Protesterend gemor dat weigert schuld te zien in mijn biecht. Hoe kan zo’n man, die onmenselijke geloften aflegde, mijn rouw ook begrijpen? Ik heb iemand meegesleurd in mijn hardnekkigheid, mijn hardleersheid, mijn negatie van het leven zelf. Het maakt me triest. Ik wil geen achteloze vergeving zonder begrip. Ik vlucht uit het benauwde hokje. Laat de prevelaar verweesd achter. Mijn hoofd tolt. Iets drijft me naar het centrum van het labyrint… Ik ga niet langs de geijkte paden, ik loop meteen naar het hart. En daar gebeurt het, alsof een bliksemschicht mij treft. Ik hoor mensen gillen. Ik voel mijn lichaam instorten, mijn knieën kraken op de grond. Mijn vermoeide hoofd krijgt de impact van de koude steen te verduren. Daarna volgt de rust.
Isis
Ik kijk verwonderd naar de zuiderse man die naast me ligt te slapen. Ik ken hem niet en toch lijkt dit zo vertrouwd. Alles is verlopen volgens een eeuwenoud scenario. Een man begeert een vrouw en zij geeft zich over. Compleet. Mijn huid tintelt nog. Mijn geheugen kan zijn aanrakingen zo terug oproepen. Levendig zelfs. Hij was doortastend en teder tegelijk. Ik heb nog nooit met een mij volkomen vreemde man geslapen. Moet ik gaan voor hij wakker wordt? Zal ik een briefje achterlaten? Ik heb geen idee hoe het nu verder moet. Ik sluip stilletjes uit bed. Of liever: ik doe een poging. Zonder zijn ogen te openen grijpt hij mijn arm en trekt me weer tegen zich aan. Hij kust me en zegt hoe mooi en lekker ik ben. Zijn handen strelen me. Ik voel hoe hij weer bezit van me neemt. Ik bied geen weerstand, mompel hoogstens dat ik moet gaan… Hij hoort me niet, voelt alleen hoe gewillig ik blijf. Dit is mijn feest voor lichaam en ziel. Niet denken…
Marcel
Een nat doekje dat indringend naar citroen ruikt, brengt me terug bij bewustzijn. Met tegenzin. De roes van het wegglijden is heerlijk. Als de dood lijkt op het vacuüm waarin je verglijdt bij flauwvallen, kan ik niet wachten tot de man met zeis komt. ‘Hij is terug, arme kerel. Is hij hier alleen?’ Enkele bijna bejaarde dames op hun paasbest staan over mij gebogen. Het perspectief is niet flatterend. Ze zijn waarschijnlijk even oud als ik. Ze zijn vol goede wil en lopen over van zorg. Ik moet uit hun klauwen blijven. De priester komt eraan. Hij verjaagt de tros amateurverpleegsters en helpt me overeind. Gearmd lopen we naar een nis waar ik kan zitten. Het is wellicht zijn eigen plekje in de zon. ‘Niet weglopen.’ Hij zegt het streng, met vermanende vinger. Ik verroer me niet. Het briesje doet me goed. Vrijwel meteen komt hij terug met een gedeukte verbandkist. Als een médecin manqué begint hij me op te kalefateren. Pas nu hij het met watten wegveegt, besef ik dat mijn gezicht onder het bloed zat. Het ontsmettingsmiddel bijt, ik verbijt de pijn. Zorgzaam knipt hij de grootste pleister ooit af en behangt er mijn voorhoofd mee. Hij blijft me strak aankijken. Hij kijkt hoe ik het maak. Alles gaat goed, beter alleszins. Hij buigt zich voorover tot vlak bij mijn oor. Discreet en afgemeten, zoals alleen de clerus dat beheerst, legt hij mij de penitentie op en schenkt hij me absolutie: ‘Geef haar de vrijheid, en je schuld zal verdwijnen.’ Zijn hand rust vaderlijk op mijn schouder. Hij neemt afscheid en verdwijnt. Ik vat de tocht aan naar de Rue aux Juifs, voetje voor voetje.
Isis
De zon valt niet langer in streepjes door de balkonluiken. Ik moet gaan. Marcel! Hij weet niet waar ik uithang. We eten elke avond samen, hij heeft vast al honger. Naarstig pluk ik mijn kleren van de vloer. Plots overvalt me de schaamte die eigen is aan de verdrijving uit het paradijs. In de kleine badkamer reconstrueer ik mezelf tot ik weer de oude ben. Maar dan met meer glans, met fonkelende ogen en lippen rood van opwinding. Ik wil liefst wegrennen, ver van hier, om daarna ergens uit te hijgen en me te bezinnen. Maar zoveel lafheid laat Fabrice niet toe. Op mijn vlucht naar buiten loop ik recht in zijn armen. ‘Ik wil je terugzien. Echt, dit was niet zomaar iets… het is een begin, Isis, geen einde.’ Hij geeft me zijn telefoonnummer. ‘Jij belt, ik wacht. Morgen spelen we op de Place des Epards, ik zie je daar.’ We kussen, ik verzink in verwarring, schuld en verlangen. Nu blijven, nooit meer terug naar AF gaan… Het zou zo simpel zijn.
Marcel
Isis komt binnenstormen. Ze lijkt verwilderd, ze kijkt me aan als een bang dier. Mijn hoofdwonde stelt haar zeker niet gerust. Ze blijft op veilige afstand staan en slaat de handen voor de mond. Te laat, er valt niets meer te verhullen. Noch mijn kwetsbaarheid achter de pleister, noch haar gekuste mond achter haar vingers.
Voor het eerst in de lezing kijken de twee spelers elkaar aan en richten het woord rechtstreeks tot elkaar.
Marcel
Het is niets ergs.
Isis
Ben je gevallen?
Marcel
Ik weet het niet precies, ik weet alleen dat ik weer naar huis wil.
Isis
Zo plots? Zal ik onze spullen pakken? En je werk? Hoe moet het dan met je werk?
Marcel
Ik pak mijn koffer wel. Jij blijft. Het appartement is nog zes weken voor jou. Maak het me niet moeilijk, wil je.
Isis
Waarom zou ik? Misschien moeten we…
Marcel
Isis! Er is geen ‘we’. Heb alsjeblief tenminste wat respect voor me en maak me niets wijs! Ik zie wat ik zie. Ik voel het, ik ruik het!
Isis
Het is niet wat je denkt.
Marcel
Godverdomme, bespaar me de clichés.
Isis richt zich tot het publiek.
Isis
Marcel kijkt me niet aan. Hij zit verslagen aan de keukentafel. Onaanraakbaar. Versteend in zijn fundamentele eenzaamheid. Ik durf niet te naderen.
Isis spreekt tegen Marcel.
Isis
Marcel, ik wil je geen pijn doen.
Marcel
Het noodlot heeft toegeslagen Isis, niet jij.
Isis
Ik heb zo mijn best gedaan Marcel, maar ik wist niet langer waar ik de kracht moest halen…
Marcel
Dat weet je nu wel, Isis. Laat me, zorg voor jezelf.
Isis
Hoe dan? Dacht je dat er een plan was?
Marcel
Nee, daar verdenk ik je niet van. In dat geval was je niet zo zichtbaar ongelukkig geweest.
Isis
Wat moet ik doen?
Marcel richt zich tot het publiek.
Marcel
Ze zinkt op haar knieën voor mijn voeten. Mijn verstand zegt dat het een normale respons op haar stimulus zou zijn als mijn hand nu troostend door haar haren zou strijken. Maar mijn hand weigert. Ze weigert te gaan waar anderen haar voor waren. Ik ben ook een man, ik ben niet louter geest en rede. Ik probeer mijn beven te bedwingen. God, wat heb ik de voorbije jaren vaak over dit onafwendbare moment gefantaseerd. Maar dit is het dus…en het is helemaal anders. Ik heb me verslikt in te veel vragen.
Isis spreekt tegen Marcel.
Isis
Wat moet ik doen, Marcel?
Marcel
Alles komt goed, Isis. Jij bent het die alle antwoorden hebt, niet ik. Ik heb je alleen maar omwegen laten maken, verder en verder weg van je waarheid.
Jazzy tune… Isis kijkt nog een keer naar Marcel en gaat weg. Marcel is verslagen, het hoofd gebogen.
Marcel
Sorry.





