citybooks

Alles en niets

Onno Kosters

To sympathise with the pains of love, you must share in its feelings.
Belle van Zuylen aan James Boswell, 15 juni 1764
 
'Herinnert ge u dien laatsten avond niet'
sprak ze 'toen ik uw tranen heb ontzien
en zonder meer de wereld achterliet?'
Martinus Nijhoff, Awater

('Bij helder weer is de toren vanaf een afstand van vijftig kilometer zichtbaar.')

Alles en niets bestaat uit negen met elkaar verweven gedichten, die zelf telkens uit twee 'hoofdstukken' bestaan: een verhalend gedeelte en een reflectie.

Rode draad is het ontstaan van het landschap waaruit Utrecht zou verrijzen, en de stichting en ontwikkeling van de stad en haar omgeving. We volgen Utrecht vanaf de Romeinse tijd via de storm in de 17e, de liefde in de 18e en de stadsuitbreidingen van 19e eeuw naar het heden. In een visioen wordt ons ook een blik gegund in de toekomst, meer precies het jaar 2108, als de wijk Ondiep een paradijs is geworden en de hoogste wolkenkrabber van Nederland, de Belle van Zuylen, toch gebouwd blijkt te zijn.

Personages in Alles en niets zijn de stad zelf en Martinus Nijhoffs Utrechtse held Awater uit het gelijknamige gedicht, gepubliceerd in 1934. Hoofdrollen zijn evenwel weggelegd voor de schrijfster Belle van Zuylen en de Schotse biograaf James Boswell, die elkaar in 1764 in Utrecht leerden kennen. Er ontstond een relatie, waarvan de precieze aard onbekend is gebleven. Uit de correspondentie tussen de twee is evenwel af te leiden dat er in elk geval van Boswells kant van verliefdheid sprake was. Deze werd door Belle van Zuylen (door Boswell ook ‘Zélide’ genoemd) nooit helemaal beantwoord. Alles en niets citeert onder meer uit de briefwisseling tussen de twee en brengt hen in heden, verleden en toekomst tot leven.

Alles begint met water
Het duister
De stad in gedachten
(2108)
Navigatie uit
Dag uit het leven
Trans, Kromme Nieuwegracht. Drift
Tot stof
Het slot


Alles begint met water

Alles begint met water, van het erin
opwellend stof tot de hoge lucht (skyline
in zicht), tot het braakland uit die lucht bezien.

En ook het water begint steeds met water,
water dat een huis is en er als een staat, er

voorwaarde blijkt, als begin wordt geijkt,
zich een reisgenoot zoekt: zichzelf;
stroomt waar het gaan kan, bloed
zonder -plaatjes, klopt waar het treft,

een laagste punt.

(Afvalton, dan afvoerstroom
voor een zuidelijk garnizoen
aan de kille noordgrens
van een rijk dat de aarde te klein blijkt.)

En het stof en de lucht en het water,
het licht in het duister en dan
het duister dat dom om het
licht aan het eind van de reis staat,
om het stof en de lucht die hier neerslaan,

lunetten in het water schijnen
(de toekomst tussen haakjes,
de oeverwallen wijken).

Water, stof, lucht. Aarde.
U kent het wel. Een Genesis
dat niet voor beginners is.
Dat het tot zich wederkere. Vooralsnog:
drasland, wilgen, dodden,
lissen, halmen, essen, peppels,
libellen, een vlinder, twee spinnen
verbitterde bloemen en modder,
dwaze bijen en slijk,
verzadigde zijarmen

vol onder water staand bos dat verdrinkt,
zich verveent in de kern van het land.
Watervogels. Eendagsvliegen. Holbewoners:
vossen, spechten, zwaluwen die schaduwen
(daarin voorzien al die machtige veeg
over de stad van de zandlopervorm
die oppervlak spaart) slaan.

Komt dat leger aangewaad
door het benedenstrooms,
het hen de beenkappen wassende water.
        ..

Alles begint met water.
Alles wat er staat (er stond).

 

Het duister
Once there came a storm in the form of a girl
And blew to pieces my snug little world
Sometimes I swear I can still hear it howl
Down through the wreckage and the ruins

Ik had een droom, maar was het wel een droom.
Het einde was nabij toen hij begon;
ik tastte en daar kwam de storm,
een schrickelick onweer dat ontstond;
daar loeide dan de donderbazuin Gods,
den hemel stont boven het stof

gedurigh in licht en vlam en er trilde,
leek het, het Noorderlicht,
maar het was de bliksem die schichtte,
en 't was schrickelick den donder en vreesselycke
winden te hooren, en toen ook het schip
zich schikte, met pylaren en al zwichtte,
wat veele van een aertbevingh heeft doen spreecken,

het tumult van de wolken doofde,
werd ik wakker, was het over.
        ..

Onder het puin ligt dan, van schoon schip wars,
zo’n anderhalve eeuw, verleidelijk, loom,

de leemte met haar eigen, verse graven –
waarin haar eigen pijn verborgen.

Littekens waarmee je, juliavond,
spelend met je vingerranke vingers bij de Dom,

mij van ons doet dromen, in een bijrol
maar voor jaren in een tomeloze slaap zal stormen.

 

De stad in gedachten

Ik ben van woonblokken, van stratenplan.

Ik ben als oeverwal begonnen, bescheiden,
primitief; en die aanvang strekt zich,
zichtbaar onverschrokken ruggengraat,
van bisschopskerk naar Oudegracht –
bolt licht op daar, biedt houvast,
vraag en raadsel: naar het water
wordt het hoger, niet lager.

Waar fietsers en voetgangers hun sporen
zonder omzien in de leegte laten opgaan,
zijn deze op hun beurt
butsen in mijn rug. Evenzoveel
littekens als fietsenrekken
staan in mijn eerste dijklichaam.

Zo bij voorbaat afgebroken
als ik ooit begon zo lig ik hier,
zie staan wat hier ooit stond:
Paleis van Lofen (laaf en drenk me),
de Vredenburg (bevrijd mij dan),
Mariakerk (en trouw met mij).
Spookgebouwen. Schaduwpanden. Schimmenstad.

Groen walmen ijzeren regels
waar vroeger het castellum stond.
Ik hoor de huurlingen hier gaan,
ze waren rond, nog altijd rond, fantomen
in hun door een vreemde kou
verkleumde botten,
in hun door de eindeloze tijd
onttornde grenstunieken, die zacht ruisend
door mijn maaiveld gaan.

Niemand ziet ze, deze doden,
eerste burgers, eerste lopers
langs de boog hier bij het water
dat mij destijds deed ontaarden,
deed ontstaan.

Ik ben van stratenplan geworden,
van inktvlek aan suggesties en besluiten.

(Tweehonderdtweeënzestig meter
verticale mix Belle van Zuylen.
        ..

Ik rek mij uit – dat hoogtepunt
snelt door mijn netwerk naar het jouwe;

van de toren die ik aanleg uit mijn woorden,
uit jouw woorden, spat het licht de dag in

en zijn schaduw laat ik reiken tot de Trans,
mijn ook van jou, mijn donk’re Lichte Gaard.

Zandlopervorm
die oppervlak spaart.)


 
(2108)

Er is een kaart van de stad
waarop ze haar vleugels uitslaat,
haar kop met daaraan
een eigengereide snavelhaak
naar links, haar staart
klaar voor de start.

Negentiende eeuw, ook háár
negentiende eeuw.

Maar schrijven wij vandaag de dag,
eenentwintigacht.
De stad waarvoor dit boek opging:
in toekomstvisies opgegaan.

Neem Ondiep dat
ondanks de naam,
maar in een spot-on analyse,
mijn poëtische hoogten betwistte:

De Ondiepse bevolking
is eigenzinnig, niemand
hoeft hen de les te lezen.
Die eigenzinnigheid bouwen ze op
vanuit een materieel
niet florissante situatie
door ‘tevreden te zijn met een beetje.’

Ondiep kenmerkt zich
door een Atlantisch levensgevoel.
De Ondieper transformeert tragiek
tot eer
via kracht,
gaat de confrontatie aan.
De mediterraan
doet dat eerder via ironie, humor en spel.

Hier zie je gegroefde gelaten,
lichamen met sporen van industrie,
eenzaam samen:
don’t you patronize me.

Neem Leidsche Rijn; zijn dieptepunt
de wolkbreker Belle van Zuylen,

een dynamische mix
van wonen, werken,
winkelen en recreëren.

Functies die elkaar aanvullen en versterken
en soms volledig in elkaar opgaan.

Deze multifunctionaliteit vormt de basis
voor het achterliggende concept
‘De wereld van de Belle van Zuylen’.

Hoe zijn de verschillende gemeenschappen
ingebed in de mozaïekstad van straks?
Hoe vullen ze gemeenschapszin in?
        ..

Neem jou, mijn stad, die ik,
met het resterend land

waar monumenten voor vermalen
zwanen, molens, koeien zijn verrezen,

omarm, waar ik, omdat je er bent
mijn adem aan blaas –

jij die er niet bent
dan in mijn stoute dromen,

jij die mij deed onderstromen,
mijn ziel van eelt, mijn hart op je tong,

jij die me ziet
als ik de ogen sluit,

die, waar in je wording ik ook kijk,
mijn volharding omhelst. Haar onthalst.

 

Navigatie uit

Boven de file
Amersfoort-Utrecht,
Belijning ontbreekt
geen wolk te bekennen,
herkennen – geen Arafat,
rendieren, trollen, kabouters;
boven de file
geen teken van stilte
Situatie gewijzigd
of storm, boven de file
helemaal niks,
alleen blik – de mijne.
Alles strak en abstract,
Situatie gewijzigd
Rietveld-Schröder,
Mondriaan was here,
maar dan met heel veel meer kleuren.
Rijen koekblik, koekblikrijen,
Belijning ontbreekt
nieuw-Hollands tafereel,
Amersfoort-Utrecht,
slang die zich vanaf Rijnsweerd
Ritsen vanaf hier
Uitgezonderd werkverkeer
in het autoluwe stadshart bijt.
Boven de file
langs Nieuwegein,
Belijning ontbreekt
in de grauwte
van de wolken
uitlaatgas, asfaltwaas,
glijden mijn ogen,
koel en stroef
Situatie gewijzigd
over de Lekbrug,
trek ik een streep,
Situatie gewijzigd
en nog een,
van jou naar mij,
onder jou en mij,
boven jou, boven mij,
pak ik ons in,
en ga verder,
Geef ritser ruimte
gaan wij onze wegen
die maar convergeren,
immers de ringweg wacht.
Verzorgingsplaats bereikbaar
Boven de file
bij Lage Weide, de koffiefabriek,
Situatie gewijzigd
afslag Leidsche Rijn
zie ik allerwegen pijpenleggers,
graafmachines, uitsleeptrekkers,
starre dumptrucks staan.
Belijning ontbreekt
De koe is verdreven.
Met het puntje wei waaruit zij riep
hoe oud zij was, is zij ter ziele.
Ritsen vanaf hier
Omgeploegd, verdicht,
vlak gewalst en ingefreesd,
ruimte die werd afgeschaft
omwille van meer ruimte.
Situatie gewijzigd
Dit zijn de rivieren
van het mobiele bestaan
om de strijd; zie wie ertoe doet,
de geluidswal is van leaseauto’s
en XL Stores, Belijning ontbreekt
de markt komt naar je toe
en de kraam die wordt geschraagd
door lokale, provinciale
nationale overheden, hier is het
raderwerk perpetuum mobile,
ook als het zoals gebruikelijk
stil- Pas op
nieuw wegdek
langere remweg
staat, pas op
de plaats.
Situatie gewijzigd
Ik wil na wat passeerde
geen vogel op de vlucht meer zijn.
Situatie gewijzigd
Ik vlieg; mijn vlucht erboven:
zand erover.
Situatie gewijzigd
        ..

Dat komt ervan. Dat zal je leren.
Navigatie aan Probeer om te keren


 
Dag uit het leven
I promise you that the bottom of my heart
will always be the same towards you. I hope,
all your life, you will be glad of it and
it will never be an enigma towards you.

Stad verwaterd, stad doorsneden,
in plakjes gereten, door water, stad
die dat haakwerk van straten, grachten,
fietspaden is, die onder haar klinkers
het verleden laat zingen, verdwenen
gebouwen: paleizen, abdijen, kastelen.
Stad waar de grote liefde zetelt.
Hoofdstad. Hersenpan. Geraamte.
Stad van kades zonder water: Royaards
van der Ham; stad van vestingwerken:
Citycampus Max, stad die slot
achter haar binnenskamers bos was.
Stad die lokt, niet thuis geeft,
stad die zich naar alle zijden
om je armen om je heen vouwt,
je de adem neemt en dan in leven laat.
Afgetekend, ingekapseld, uitgeteld,
weefsel dat je pas na jaren van je
murw gebeukte lijf weet af te schrapen.
Stad die toeslaat, straten, stegen, doorkijkjes,
duiven in de blauwe lucht,
gekoer dat het een leven is, het stormgat
dat het schip was, waar de bus stopt,
een festival je welkom heet,
stad die de schouders ophaalt,
vesting rond de kloostertuin, niet geeft
om de afgeschotte leemte die daar heerst.
Stad die afstoot, stad die omzoomt,
wordt omzoomd: ligging aan het water.
        ..

Water dat door mij stroomt, dat door jou stroomt,
zich open stormt, ons open tornt en open blijft,

deur op een kier die thuis geeft,
welkom heet en doet vermoeden

dat je er werkelijk, eindelijk bent;
huis waar je dan onzichtbaar blijkt.

Deur die je dan weer sluit
– schijnt.


 
Trans, Kromme Nieuwegracht. Drift

De straten zijn met asfalt geplaveid.
Ik merk dat de echo, die mij uitgeleide
deed door de hall met tegels, buiten zwijgt.
De stad verleent de voet geluidloosheid,

leidt mij dan een loopgraaf in, een gasterij
biedt wetenschap een kruk, een uitwijkplek:
waakzaamheid blijft evenwel geboden, kijk
over beide schouders tegelijk:

waar staan ze, de kopstoot geslepen,
de laptop geheven: aan wie
geef ik mijn leven, O Zélide?

I believed you to be without
the weaknesses of your sex.

Aan jou. Aan je zandlopervorm,
je taille dé landmark
die mijn handen ontbiedt
en er als ik je wegwals
om ruimte te scheppen
als licht aan ontglipt.

You bid me write whatever I think.

Wordt het Achter de Dom of de Pausdam?
Nee, Kromme Nieuwegracht daar zal ik wonen,
waar in de winter Belle woont,
mijn lust de koude Drift bestormt.
        ..

Stadswandeling, langzame balts
die je zachtjes beziet, deelt,

dan weer afbreekt, opzoekt,
ons afpakt, aanvaardt,

bevestigt in texten en brieven –
I beg you not to accuse my heart

– dans waar je ten slotte voor vlucht
voor je ’s avonds gaat vliegen.

My friendship is yours for ever: count on it,
however much you may think me fickle.

Waarmee je je schaduw, rank als je vinger,
over Utrecht laat vegen.

 
Tot stof
Write, if it were only to say,
‘I shall never write to you again.’

Alles eindigt in overgave.
Alles eindigt in overgave, puppy
dat ik adopteer, zich, aai me,
op z’n rug rolt, week en weerloos buikje
naar de zon, neus en pootjes in de lucht,
bek en oogjes: bedelstand, aai me.
Ik kwispel me gevangen, aai me,
in een tuin waar het bloeit, van verlangen
loeit – kloostertuin: met een muur eromheen.

Het draait niet om de stad,
het draait om telkens één bewoner. Zij,
hagenheld, omkeerpunt,
waterlichaam dat me draagt, dit schraagt,
van Ledig Erf tot Nijntje Pleintje, zij,
as om wie dit duizelt tot ik val, niet meer
opsta – niet meer vallen zal.

Meer dan de werkelijkheid omvattend,
tussen Dom en De Gagel, tussen Dom
en Rijnsweerd, tussen Dom en slaapplaats Max,
tussen Dom en Leidsche Rijn berijdt ze
met haar lichaams water mij; masterplan
dat nooit werd aanbesteed, opgeleverd, ingevuld.
Bereikt.

Zo is dit opnieuw een blauwdruk,
een stadshart dat niet stilstaat,
een calque tegen de vlakte,
haar rug loom ten westen van heuvels,
benoorden Nieuw Wulven,
ten zuiden van plassen en venen,
aan de oostkant van oud Oudenrijn,
waar desnoods in Oog in Al
O ik met haar tezaam wil zijn.
        ..

Maar het is niet je afwezigheid,
de fantoompijn die je doet,

het is hoe ik juist daarin,
in heel mijn hebben, steeds verliezen,

telkens weer mijn schotse scheve
puppytandjes zet,

niet en niets meer loslaat sinds het
alles uit het water tot stof werd.

 

Het slot

Ze zit op de rand van haar bed in het slot.
Ze denkt aan die man uit de stad – aan die
Schot met z’n twijfels, aan zichzelf met haar
twijfels verpakt in haar lach. Vóór haar het zitje,
links al de nacht die de stad al omvat.

Was jij een vlinder en was ik de enige spin,
dan ving ik je vast, je grillig gefladder
de zonsondergang op de Dom en
dan proefde ik tastend je warmte,
ging je op in mijn lengende schaduw,
werd je mijn, muze, hier in het slot.

Achter haar, achter de wand
haar bureautje, het uitzicht (de auto’s), de lamp.
(Haar Samsung die opgloeit, op antwoord wacht.)

Ze zit op de rand van haar bed in het slot
en denkt aan de Schot die ze sprak in het bos
aan de muur tussen haar en de stad,
de boswand rond haar en de Schot
met z’n twijfels, z’n plannen, z’n vragen
om pijn, z’n brieven, gedachten, z’n tranen, verlangen
van haar af te zijn.

Ik zit op de rand van mijn bed in de stad,
koninginnenacht.
Handelende Hollanders grazen de gracht af,
bierblikjes, breezers, studentengelal.
Utrecht verblindt ’s nachts de lucht boven Utrecht,
de stad gloeit, mijn hoofd loeit.
Bewaar me en stol me in wat ik je schrijf – ik je zeg.
        ..

Wees mijn fontein, mijn kruisgang, mijn pandhof;
geef me je littekens, droom, je duisternis, storm.

(Daar zitten ze dan, ontsponnen, ontpopt
in de zandlopervorm die oppervlak spaart,

beginnen de stad.)
Het water, het stof. It’s a start.


 
 
Aantekeningen

http://www.bellevanzuylen.info/: ‘De Belle van Zuylen: een uniek project. De Belle van Zuylen is een uniek vormgegeven uitzichtspunt waar iedereen van kan genieten. Over enkele jaren zal het gebouw, naar een ontwerp van de Architekten Cie. (Pi de Bruijn/Branimir Medić), langs de A2 in Utrecht verrijzen. “De Belle” is dynamisch door een spannende mix van wonen, werken en recreëren. En vernieuwend op het gebied van technologische innovatie en energiebesparing. Met zijn 262 meter is de Belle van Zuylen het nieuwe landmark van Utrecht en Nederland.’

http://www.bellevanzuylen.info/belle-van-zuylen-de-toekomst-is-nu.php: ‘Hoe werken nu reeds waarneembare trends door in leefstijl en dagindeling van de mensen die in de toekomst wonen, werken, winkelen en recreëren in de Belle van Zuylen in Utrecht? Wat zijn dat voor mensen? Hoe gebruiken ze het multifunctionele gebouw? Hoe zijn de verschillende gemeenschappen ingebed in de mozaïekstad van straks? Hoe vullen ze gemeenschapszin in? Welke plaats neemt werken in hun leven in? Een toekomstbeeld van de Belle-bewoner van 2015.’

http://www.cie.nl/projecten/architectuur/hoogbouw/belle-van-zuylen,-utrecht.aspx: ‘Met zijn 262 meter is de Belle van Zuylen toren dé nieuwe landmark van Utrecht. De zandlopervorm van de toren levert behalve zoveel mogelijk grondgebonden winkelruimte, ook een flink oppervlak voor penthouses op. Daartussen bevindt zich een verticale mix van kantoren, hotel, concerthal, bioscoop, sportschool met zwembad en een flinke parkeergarage. De getrapte opbouw zorgt voor voldoende terrasruimte en lichttoetreding, terwijl de enorme hoogte veel grondoppervlak spaart. Bij helder weer is de toren vanaf een afstand van vijftig kilometer zichtbaar.’

http://www.hetutrechtsarchief.nl/collectie/handschriften/belle-van-zuylen/004 (Belle van Zuylens fabel van de vlinder en de twee spinnen)

http://www.hetutrechtsarchief.nl/thema/tijdbalk/1674: ‘Uit de Oprechte Haerlemse Saterdaegse Courant van 4 augustus 1674: 'Uytrecht den 2 Augusti. Gisteren avont ten half achten ontstont hier een schrickelick onweer, dat tot half negen toe duurde; doch het slimste was gedaen in een quartier-uurs: den hemel stont gedurigh in licht en vlam, en 't was schrickelick den donder en vreesselycke winden te hooren, dat verselt wierdt met het nederstorten van schoorsteenen, daecken, gevels ende toornen, dat ieder een ongemeene verbaestheyt aenbracht, en dat heeft veele van een aertbevingh doen spreecken: de kerck van den Dom tot het choor toe lagh met pylaren en al ten half achten al onder de voet als een puynhoop, sonder dat de Domtoorn eenigsints beschadigt is [...]

http://nl.wikipedia.org/wiki/Dom_van_Utrecht: ‘Een groot deel van het puin zou wegens geldgebrek nog anderhalve eeuw blijven liggen. De ruïnes van het ingestorte schip deden dienst als begraafplaats […].’

Frederick Pottle, ed., Boswell in Holland 1763-1764, Including His Correspondence with Belle de Zuylen (Zélide). Heinemann, 1952.
George Gordon, Lord Byron, "Darkness".
Martinus Nijhoff, Awater. Querido, 1946.
Nick Cave, "Ain’t Gonna Rain Anymore"
Niels Bokhove, Awaters spoor. Literaire omzwervingen door het Utrecht van Martinus Nijhoff. Bas Lubberhuizen, 2010.

Met dank aan

Bertram Mourits
bureau Real Time Branding
Han van der Vegt
Hans van Wetering
Matthijs Uyterlinde
Veerle Kosters

Podcast ingesproken door de auteur.