Ze begon zich aan dingen vast te klampen vanaf het moment dat ze leerde lezen. Candy Flower Meister was zich nooit bewust, dat probeerde ze te zijn, maar haar bewustzijn ging altijd uit. Haar vastklamperigheid begon in de eerste klas, woorden waren als voedsel en Candy was een mager kind met wormen. Ze verslond elk woord. Haar grootouders, die plechtig hadden gezworen te doen wat ze konden om haar goed op te voeden, waren thuis uitvinders van woorden. Ze spraken grappig, slim, onzinnig, droevig, serieus… Allemaal tegelijk. Ze hield van hen. Ze hield het meest van hen als ze droevig spraken. Ze konden blije woorden uitspreken als liewe Here en dan had Candy een moment nodig om die vertrouwde je-weet-wel uit haar oog te vegen, maar toen overleden ze en moest Candy haar spullen pakken en vertrekken. Ze moest verhuizen van een plek met bergen, water, bomen waar ze thuishoorden, naar een plek bij haar gezin, een moeder die een ninja was, een vader die een vis was en een zus met de naam Polly Hester Meister.
Het gezin woonde in een stad die Simon heet, die natuurlijk niet toebehoorde aan iemand die Simon heet. Het was een plek en mensen horen nooit echt bij een plek. Het gezin woonde bijna tien jaar in de stad die Simon heet en toen Candy en haar zus Polly jonge adolescenten waren, verhuisde het gezin. De vader die tevens een vis was, kreeg een nieuwe baan bij Ford Samcor in een stad die Graham heet.
Het duurde niet lang voordat de zussen beseften dat de stad die Graham heet wel degelijk aan iemand toebehoorde – niet aan de Britse generaal waarnaar ze was vernoemd, maar aan de bergen. Op het moment dat ze de nieuwe provincie binnenreden, voelde Candy dat de bergen en bomen haar opnieuw verwelkomden. Plattelands was geen achterlijk woord voor hen. Toen het gezin arriveerde in de stad die Graham heet, wist Candy dat ze daarheen waren gezonden omdat deze stad misschien wel haar stad zou worden.
Haar oude kerken en engelen in overvloed deden Candy denken aan haar grootouders en hoe ze kookten op zondagochtend met een LP van Jimmy Swaggart op de achtergrond: ‘we are standing on holy ground and there are angels all arooouund’ en ‘I’ll never be looonely again, neeevveer again’.
Haar zus Polly daarentegen, was niet tevreden. Zij wilde hiphoppen en rock-’n-rollen. Polly probeerde zelfmoord te plegen terwijl ze reed door de stad die Graham heet. Ze trapte het portier van de auto open en ‘sprong’ eruit, maar het was eerder eruit kruipen; de vader was een trage chauffeur en ze had amper een geschaafde knie. Wat de situatie nog erger maakte, was dat de poging zich van haar jonge leven te beroven recht tegenover de Wimpy werd gedaan. Dat was een buitenkansje geweest voor de kranten: ‘Polly Hester overlijdt voor Wimpy’. Beide zussen verzoenden zich uiteindelijk, Polly met een stad die Graham heet en Candy met mensen die haar gezin heetten.
Het gezin had het goed in Grahamstad, het was een geschikte plaats om kinderen groot te brengen. Candy vond het fijn om zich nietig te voelen te midden van de natuur, maar Polly, al was ze nog maar veertien, had een opgeblazen ego. Ze bleef de Oostkaap vergelijken met de Westkaap, terwijl je plaatsen eigenlijk niet moet vergelijken. Vooral niet wanneer een van de plaatsen een berg heeft die op een tafel lijkt en weet hoe je heet. Candy en Polly leerden op blote voeten te lopen, die later een roze-oranje tint kregen, een teken dat de grond waar ze op liepen hen begon te infiltreren, zoals de Russische maffia of Amerika. De zussen maakten zelfs vrienden in Fingo Village, waar de straten A, B, C heten; ze dronken melk met bananensmaak uit het pak. Er waren ritten in ezelkarretjes en de VG high school. Hun levens waren goed. Dat hun vader blank, dronken en onzelfredzaam was, verdween naar de achtergrond van hun levens. Hun ninjamoeder staakte zelfs het geweld en zong in hun tuin. Ze wilde gelukkig zijn en het geluk wilde haar ook. Florence street Oatlands Grahamstown 6139 wilde het gezin ook. Voor de familie Meister was geluk iets krijgen wat je heel graag wilde hebben. Tot de dag kwam die het niets kon schelen wat het gezin wilde. De dag die besloot alle engelen en heiligen weg te sturen.
Candy hield van comics en staarde naar haar collectie op haar kamer en Polly keek televisie toen er op de deur werd geklopt. Ze waren alleen thuis; de ouders waren hun vaders promotie gaan vieren. Het gezin kreeg nooit bezoek, dus ze begrepen onmiddellijk dat er iets helemaal verkeerd was. Verkeerd is een maf ding, want het klopt altijd. Ze deden de deur open voor een politieagent met een dikke kop waarvan ‘o shit twee dochters, ik had iemand anders moeten vragen om dit te komen doen’ af te lezen viel. De zussen huilden niet toen hen werd verteld dat hun ouders dood waren, in stilte besloten ze gezamenlijk dat ouders toch niet aan hun kinderen toebehoorden. Het was een gedwongen relatie. Toen de zussen het Fort England ziekenhuis uitliepen, trokken ze hun schoenen uit en gingen op blote voeten naar hun ouderloze huis. Nog diezelfde nacht gooide Candy haar comics weg en pakte Polly hun vaders voorliefde op voor whisky, brandy, wodka en alle dingen die de grote boze wereld nevelig maakten. De rit uit Grahamstad was vooral moeilijk voor de zussen. Polly stortte in toen ze langs de Wimpy reden, ze raakt nog altijd overstuur als ze langs een Wimpy komt. Candy op haar beurt weigerde nog een boek open te slaan; ze staarde enkel naar de omslagen en verzon wat binnenin stond. De stad die Graham heet, wilde dat zij haar boek was en ze zou zich door geen enkele andere plaats laten lezen. Al helemaal niet door de plaats die Kaapstad heet, want je hart verpanden aan een plaats waar je van hield is één ding, maar het is wat anders om je hart te laten stelen door de plaats die van jou hield.
Jaren later waren de zussen jonge vrouwen in de twintig en hadden ze niets gemeen behalve een stad die Graham heet. Het leven besloot dat het tijd was om te bloeden en nam zijn gekartelde mes en sneed het beetje dat de zussen hadden aan flarden. Candy viel in slaap met een sigaret in haar hand waardoor ze haar halve huis afbrandde. De andere helft was in orde maar Candy vond het pas echt erg dat ze haar kat had vermoord. Haar kat heette Ted, naar Ted Hughes. Ted de kat woonde aan de andere kant van het huis. Candy deed wel vaker raar: al was ze dol op Ted de kat, zijn plek was aan de andere kant van het huis. Liefde bestond niet automatisch uit het afschaffen van je eigen luchtbel. De ene kant van het huis brandde dus af, met Ted de kat en al Candy’s boeken, de boeken die ze besloten had niet te lezen. Candy moest worden opgenomen voor het inademen van rook wat ze nogal een mietjesmanier vond om bijna dood te gaan aangezien ze een roker was. Hoe dan ook, Candy werd twee dagen later wakker in het ziekenhuis. Wakker worden betekende dat ze onder ogen moest zien wat er gebeurd was. Ze moest haar gezicht onder ogen zien, het gezicht dat spiegels had ontweken sinds haar tienertijd. Dat was het moment dat ze om haar zusje vroeg. Soms vragen broers en zussen om elkaar. De dokter belde Polly en toen zijn de sessies bij de psych begonnen. Psychs hebben hun plekje in de maatschappij, al was het alleen maar om spiegels te draaien.
‘Toen ze klein was verzamelde ze bladeren, maar alleen als ze gevallen waren, ze kon er niet tegen om ze onder hun thuis te laten liggen,’ zegt Polly als ze haar magere enkels over elkaar doet en terugzakt in de lelijke groene bank. ‘Dr. Swartz, mijn ondervoede zus moet zelf een afspraak maken als ze een probleem wil bespreken,’ zegt Candy kalm en aait over de lelijke groene kussens met franjes op de afgrijselijke groene bank. ‘Hemeltje, moest dat ‘n belediging voorstellen?’ zegt Polly waarbij ze haar 25 jaar oude, anderhalve meter lange en 45 kilo wegende lijf rechtovereind gooit. Haar haren pluizen hysterisch. ‘Waarom ben ik hier?’ vraagt ze. ‘ Weet je dat niet meer? Ik vroeg naar je, we zijn zussen, je bent alle familie die ik nog heb,’ zegt Candy beheerst en rustig. ‘Wier schuld is dat? Jij hebt onze ouders weggejaagd,’ zegt Polly. ‘Man, ze zijn omgekomen bij een auto-ongeluk, pa was dronken,’ zegt Candy. ‘Oké dames, heel goed dat jullie je gevoelens communiceren,’ zegt Dr. Swartz en slaat een bladzijde van zijn notitieboek om. ‘Ehm, oh, denk je dat, Polly? Eh, nou, ik bedoel wat denk jij, Polly?’ vraagt hij zacht. ‘Dokter, ik denk dat m’n allerliefste zus gewoon aandacht nodig heeft. Dat was altijd al zo, maar meer nog sinds de dood van onze ouders.’ Candy staat langzaam op, rekt haar 1.75m lange, zestig kilo wegende, 27-jarige lichaam uit en haalt haar lange, slanke vingers door haar gestijlde haar. ‘Ja, Candy, wat voel je?’ vraagt Dr. Swartz.
‘Nou dokter, het begon allemaal in een klein stadje waar mensen nooit volwassen worden. We zijn allebei geboren in Simonsstad in de Kaap. Onze moeder beviel thuis. Ze was een ninja en geloofde niet in ziekenhuizen. Onze vader was een goede vader maar hij was een vis. Op een dag, toen ik vijf was en Polly drie, kwam de vis thuis en zei ons dat we moesten inpakken, we gingen allemaal verhuizen naar een stad die Graham heet. Dat waren de tijden dat ouders weinig verklaarden en kinderen hun plaats wisten. Wij, bestaande uit mijzelf, mijn denkbeeldige vrienden Lola, Dolly en Hector en mijn toen nog on-kwaadaardige zus en haar verzameling imaginaire makkers, waren compleet overrompeld en met een ninja als moeder durfden we niets te vragen. Het is alsof we die dag inpakten, precies op dat moment. Het moment waarop onze ninjamoeder zei: ‘We gaan Verhuizen!’, verhuisden we. Onze vader hielp ons niet met inpakken, de ninja zei dat hij moest: ‘GAN TIEP JOU FOKKOLWERD!’ (‘Ga toch slapen jij nietsnut!’) Hij ging altijd slapen omdat hij een nietsnut was. Hoe dan ook dokter, ik laat mijn nu kwaadaardige zus verdergaan omdat ik niet degene wil zijn die tegelijkertijd haar en mijn verhaal vertelt. We verhuisden allebei naar de stad die Graham heet, weg van de man die Simons stad heet, ieder op onze eigen manier,’ zegt Candy terwijl ze langzaam naar een raam loopt.
‘Oké,’ zegt Dr. Swartz. ‘Je bent toch verdomme niet te geloven Candy!’ roept Polly en gooit een lelijk groen sierkussen met franjes naar Candy bij het raam. Soms gooien mensen met dingen omdat je niet met gevoelens kunt gooien. ‘Allemachtig, kun je niet normaal doen en kappen met die onzin? Grahamstad? Grahamstad, is dat verrotte Grahamstad de reden dat je depressief bent?’ zegt Polly. ‘Oké, ja, dank je,’ zegt Dr. Swartz. ‘Jij was altijd al agressiever Polly, net als mama,’ zegt Candy. Soms dagen broers en zussen elkaar uit, omdat ze niet op anderen kunnen vertrouwen. ‘Ja, dat klopt en agressief worden tegen jou is net zo makkelijk als die vriendjes van je,’ zegt Polly.
Candy draait haar gezicht naar haar zus. Het meisje dat ze Polly Hester Meister hadden genoemd, zal niet meevallen als je met zo’n naam moet leven. Ze ziet er ouder en vermoeid uit met die rare grote bos haar, zoals hun moeder, altijd aan het ruziën. Candy kan zich de dag dat het allemaal gebeurde nog herinneren, de dag dat ze beseften dat zussen verschillende mensen waren. Hun ninjamoeder poetste huizen van blanken in een plaats die Durbanville heet, wat niet de kuststad Durban was maar een buitenwijk van Kaapstad. Het gezin waar ze poetste bestond uit zes kinderen, beide ouders, twee auto’s en een tamme rat. Zo zette hun ninjamoeder alles wat andere, betere mensen hadden op een rijtje. Dat deed ze ook voor hun vissenvader, dingen die hij niet had op een rijtje zetten: ‘Neem nu Johann, die man is vader, kostwinner, en beschermheer van zijn gezin en jij, jij nietsnut, je hebt een hekel aan je baan, je bent half blank, je zwemt in de alcohol, je bent als ’n excuus dat ik nog moet maken.’ Dat zei hun moeder als ze een slechte dag had. De zussen hadden te doen met de vis.
Op een dag kwam hun moeder thuis met een doos vol spullen om weg te gooien, het waren oude boeken. Het deed Candy pijn, boeken waren als liefde, die zou niemand weg moeten gooien maar ze was blij dat zij ze een thuis konden bieden. Tussen de tijdschriften zat een exemplaar van JM Coetzee’s Dusklands en nog dieper in de doos zaten verfomfaaide exemplaren van Les Ethiopiques van Hugo Pratt en Tintin au Congo van Hergé. Polly koos Coetzee en Candy ging voor Pratt en Hergé. De zussen begonnen zichzelf te worden en toch hoorden ze bij elkaar. Zussen horen vaak bij elkaar. Omdat het leven kwam en hun levens ontdeed van alle gelul wisten ze niet goed wat ze met elkaar aanmoesten. Liefde is een feit. Het was niet de dood die een wig dreef tussen de Meister meisies, maar de liefde. De liefde verzwakte hen; in tegenstelling tot andere broers en zussen waren zij samen veel zwakker.
Candy weet nog dat hun moeder op een dag hun kamer binnenkwam en al hun posters van de muur trok, ze schreeuwde, ging tekeer en trok de beroemde gezichten waar ze zo tegenop keken van de muur. Ze zaten allebei op Polly’s bed en keken hun moeder alleen maar aan, krankzinnig, haatte Hollywood, noemde Marilyn Manson Satan, sloeg tegen het papier aan de muren. Tijdens dat chaotische moment wendden ze zich tot elkaar en werden ze elkaar uitdagers. Ze zullen haar voor altijd herkennen in elkaar. Soms veranderen moeders in lucht en ademen dochters ze in.
‘Jij doet altijd alsof we ons nodig hebben,’ zegt Polly als ze voelt dat haar zus’ gedachten afdwalen. ‘Alsof we niet genoeg hebben meegemaakt samen, als ik naar je kijk zie ik alleen die twee meisjes zonder ouders in dit kloteland,’ zegt ze. ‘Jij ziet altijd wat het meeste pijn doet, Polly,’ zegt Candy. ‘Pijn, schoonheid is precies hetzelfde. Bukowski schreef: “Ik ben een dikke man die wordt opgegeten door loofbomen, vlinders en jou”, als ik naar jou kijk, Polly, dan zie ik mijn pijn en mijn schoonheid,’ zegt Candy. ‘Oké meiden, nu gaan we denk ik de goede kant op. Praten over de pijn, in plaats van die op de ander te projecteren,’ zegt Dr. Swartz. ‘Ze hadden een hekel aan elkaar,’ zegt Polly, ‘pa en ma’. ‘Weet ik,’ zegt Candy. ‘Man, ze verhuisden ons naar de buitenwijken en joegen zichzelf de dood in,’ zegt Polly met een glimlach. ‘Pff, vertel mij wat! Dat gebeurt er zeg maar als mensen niet weten waar ze horen,’ zegt Candy giechelend. ‘Ze wilden echt zo graag ergens thuishoren, ik denk dat ze het hebben geprobeerd,’ zegt Polly.
Polly herinnert zich hoe gemakkelijk het voor de twee was om ‘ik hou van je’ tegen elkaar te zeggen. Hun ouders zeiden het nooit, maar zij en Candy wilden niet zijn zoals zij, ze wilden horen dat er van ze gehouden werd. Liefde moet geen stil begrip zijn binnen een gezin. Polly herinnert zich ook nog dat haar oudere zus altijd voor haar ging staan als hun ninjamoeder hen sloeg; ze kreeg altijd het leeuwendeel van de klappen. Ze vroeg een keer waarom ze dat deed. ‘Als ik je niet zou beschermen, wie doet het dan?’ zei Candy dan altijd, vol met blauwe plekken en altijd op haar hoede. Er komt een moment dat kinderen hun eigen geschiedenis moeten schrijven. Als een gezin een kapot gezin is, kunnen mensen weer hele gezinnen creëren.
Polly denkt aan haar dertiende verjaardag toen Candy en zij hun vaders sixpack bier hadden gestolen en dat in hun kamer hadden opgedronken. Ze hadden een zeer intellectueel gesprek over kolonialisme en geloof. Candy besloot dat de grootste fout van de westerse wereld het geloof in zichzelf was. Individualisme is de op één na grootste fout van de mensheid. Het moment dat iedereen besloot een god te worden, toen hebben ze deze planeet voorgoed naar de kloten geholpen. Polly zat alleen maar achterover en kon uren naar de theorieën van haar zus luisteren. Candy had een ontzettend groot hart en wilde dat de liefde de wereld overheerste, wat waarschijnlijk het meest egoïstische was aan Candy. Liefde, liefde, liefde. Het kwam waarschijnlijk doordat ze bij hun grootouders hadden gewoond, zij waren hippies. Meestal dacht Polly dat haar zus Candy die theorieën over de liefde vooral had omdat ze er zelf in geloofde. En dan waren er nog hun antigezinstheorieën, ze hadden besloten dat DNA iets was voor forensisch rechercheurs om moordenaars en criminelen mee op te sporen. Een gezin, een gezin was meer dan dat. ‘Westerse ideeën opgedrongen aan mensen, hoe kwamen ze erbij dat niet-westerse culturen het niet goed deden, de indianen, de Indiërs, de Khoikhoi, de indianen in het Amazonegebied, die culturen hadden de sleutel tot het geluk, nu weten we te veel, hoe minder we weten, des te minder we verwachten,’ zei Candy altijd. Ze kwamen tot de conclusie dat ze een product waren van de imperialisten en daarom gaven ze aan alles wat ze hadden een eigen draai. Van het gezin ondervonden ze de meeste pijn en dus creëerden ze hun eigen standaard en concept van hoe zij dachten dat het moest zijn. Nu, jaren na hun naïeve maar pure idealen zaten ze in een koude dokterskamer en probeerden ze de weg terug te vinden.
‘Ik weet dat ze het hebben geprobeerd, Polly, maar ze hebben het geprobeerd voor de verkeerde redenen, ze hielden niet van elkaar, was dat wel zo geweest, hadden ze misschien van ons kunnen houden,’ zegt Candy. ‘Volgens mij kan je liefdestheorie deze keer wel eens kloppen,’ zegt Polly en glimlacht naar haar zus. Soms moeten broers en zussen teruggaan naar wat ze dachten en niet naar wat ze geleerd hebben. ‘Ik hou van je, hè,’ zegt Polly. ‘Dat weet ik, Polly, dat weet ik écht,’ zegt Candy en glimlacht terug naar haar zus.
‘Volgens mij hebben we echt vooruitgang geboekt, dames, volgens mij is dit een stap in de goede richting,’ aldus Dr. Swartz, maar hij liegt, dat dacht hij niet tijdens deze sessie. Hij zat te denken aan zijn eigen broers en zussen en dat de meesten van hen dood zijn en hoe onbelangrijk ze voor hem waren. Hij denkt aan het geluk dat hij voelde toen hij het ouderlijk huis verliet en op zichzelf ging wonen. Het geluk dat hij voelde toen hij de wijde wereld binnenstapte en zijn eigen werkelijkheid kon maken. Hoe hij nooit ook maar het gevoel had dat hij deel uitmaakte van een gezin en er enkel zelf een wilde maken. Hij dacht aan de grote bruiloft die hij van zijn ouders moest geven. Hij vraagt zich af of ze dat deden om te laten zien hoe blij ze waren hem te laten gaan of misschien omdat ze blij waren dat hij nu net zo zou worden als zij. Een man met een gezin. Een goede man. Een zoon om mensen over te vertellen. Een dokter. Een echtgenoot. Een vader.
Dr. Swartz dacht aan zijn eigen kinderen, zijn drie beeldschone dochters. Wat hadden zij een onbezorgde gezonde jeugd gehad. Hij dacht aan deze twee zussen die in zijn kantoor zaten en hoeveel meer zij afwisten van gelukkig zijn dan hij ooit voor mogelijk had gehouden. Zijn eigen drie dochters hadden allemaal grote bruiloften gehad, hij dacht dat het deel uitmaakte van de ouderlijke taak, grote bruiloften geven en waarden bijbrengen. Ze beschermen tegen het kwaad in de wereld, leren hoe ze goede mensen moeten zijn, niet moeten oordelen, niet mogen discrimineren en moeten liefhebben. Hij dacht aan deze twee zussen in zijn kantoor en hoe zij leefden volgens hun gedachten, een hele voorraad gedachten waarnaar deze zussen leefden. Niet bang om abnormaal te worden gevonden. Wat moet het moedig zijn om te leven naar je gedachten. Dr. Swartz dacht aan hoe zijn leven was verlopen als hij zijn gedachten had uitgeleefd. Hij was nooit met zijn vrouw getrouwd, hij had basgitaar gespeeld, hij zou lang haar hebben en roken. Hij zou nooit psycholoog zijn geworden of ook maar gelukkig zijn geweest. Maar hij had van zijn leven gehouden. De vrijheid van het leven was voldoende geweest.
Hij kijkt naar de zussen met hun rare namen Candy Flower en Polly Hester, de grappen moeten niet van de lucht zijn geweest. Zijn dochters hadden hun namen lang geleden veranderd als hij ze zo had genoemd. Hij had nooit de moed gehad om zijn kinderen zulke namen te geven. ‘Jullie namen, uit pure interesse,’ vraagt Dr. Swartz. ‘Wat is er met onze namen?’ lacht Polly. ‘Ik ben geboren op de verjaardag van mijn oma, onze moeder maakte die dag suikerbloemen voor haar feest toen ze moest bevallen,’ zegt Candy. ‘Ik ben geboren toen onze moeder in een textielfabriek werkte. Ze wilde ons per se vernoemen naar het laatste waar ze aan dacht voordat ze ons kreeg,’ zegt Polly. ‘Zou je hem ooit veranderen?’ vraagt Dr. Swartz. ‘In wat, dokter? Jane, iets normalers?’ vraagt Polly. ‘Nee, we zouden niet durven, ik denk dat u ons verkeerd begrijpt, dat we over onze ouders en hun tekortkomingen klagen wil nog niet zeggen dat we willen veranderen wie we zijn of wie zij waren, het geeft alleen aan dat we anders kunnen zijn dan zij als we dat willen,’ zegt ze. ‘En wat willen jullie anders doen dan je ouders?’ vraagt hij. ‘Alles en niets, dokter, we willen in ieder geval bewegen zoals zij deden, ze bleven voor niets maar ze bewogen overal voor.’
Vertaald door Annemarie van Limpt
Annemarie van Limpt (1980) stapte na haar Bachelor Engelse Taal en Cultuur in Nijmegen over naar de Universiteit Utrecht voor de Master Vertalen, die ze cum laude heeft afgerond met een scriptie over de valkuilen en kansen die zich aandienen bij het vertalen van humor. Kort daarna werd ze toegelaten tot de Intensieve cursus literair vertalen, een masterclass die werd georganiseerd door het Fonds voor de Letteren en het Expertisecentrum Literair Vertalen. Sinds december 2009 heeft ze als ZZP’er haar eigen vertaalbureau en sindsdien timmert ze hard aan de (literaire) vertaalweg. Binnenkort verschijnt haar eerste boekvertaling (de nieuwe roman van Anita Nair), een duovertaling in samenwerking met Laura van Campenhout.
Podcast voorgelezen door Maeve van der Steen





