1. Aankomst in Charleroi
De residentie in Mont-sur-Marchienne is een klein huis in rode baksteen dat loodrecht ten opzichte van het Musée de la Photographie van het gelijknamige oord was gebouwd. Ik was er op sobere en doeltreffende wijze onthaald door Christelle, een verantwoordelijke die me mijn dagvergoedingen had overhandigd, en door Jacques, de huisbewaarder. Ze hadden me er rondgeleid ‒ het was netjes, functioneel ‒ grijze balatum, IKEA-meubilair. Het had iets universeels dat me geruststelde. En toen hadden ze me daar alleen gelaten.
Eerlijk gezegd had ik me voorgenomen om in de vijf dagen die ik in Charleroi door moest brengen geen voet buiten de deur te zetten. Ik had voor mijn vertrek enkele boodschappen gedaan: pasta, tonijn, sardientjes, chocolade en een fles Glenfiddich Single Malt 12 jaar, gerijpt in eikenhouten vaten. Overigens gaf dit voornemen me niet het gevoel een inbreuk te plegen tegen de geest van deze residentie: de enige dwingende voorwaarde was dat ik in Charleroi een tekst over Charleroi zou schrijven. Er stond nergens dat ik ook in die mij onbekende stad moest rondlopen: haar reputatie van sociaal inferno ontnam me trouwens alle lust om er kennis mee te maken.
Ik had me dus voorgenomen om niet buiten te komen, zoveel mogelijk alleen te blijven, met niemand te praten en dan maar te zien waar het op uitdraaide. Ik geef meteen toe dat ik nogal wat verwachtte van dit soort eenzaamheid, ik was ervan overtuigd dat er niets verkeerds kon uit voortkomen, dat de eenzaamheid me integendeel misschien iets tot dan toe onbekends zou openbaren over bijzondere en indringende schrijverskwaliteiten, dat dit talent onvermijdelijk door de internationale literaire intelligentsia zou worden erkend en gevierd en dat het geld bijgevolg eindelijk binnen zou stromen en me voor eens en altijd de garantie zou geven dat ik niet in ellende zou sterven.
Misschien had het zo kunnen lopen. Het idee alleen al deed me plezier. . Een beetje zoals bij een voetballer die na het missen van een beslissende strafschop onder luid boegeroep naar de kleedhokjes is teruggekeerd en daar heel even troost vindt in een dagdroom over de roem die hij zou hebben vergaard als alles volgens plan zou zijn verlopen.
Het had allemaal ongetwijfeld zo kunnen lopen als ik niet om een onbekende reden, die stompzinnige psychologen ongetwijfeld een freudiaanse ‘Fehlleistung’ zouden noemen, mijn tandenborstel niet was vergeten.
Ik had nochtans de grootste zorg besteed aan de voorbereiding van mijn toilettas en had zelfs aan een ontsmettingsmiddel, een ontharingspincet, oogdruppels en een zalf voor oppervlakkige brandwonden gedacht.
Die onachtzaamheid was pas tot me doorgedrongen toen ik rond zes uur ’s avonds de inhoud van mijn toilettas uitstalde op het smalle plankje boven de wastafel Ik vloekte en verwenste mezelf in alle talen, maar kwam het gauw genoeg te boven om vlug mijn jas en schoenen aan te trekken en om er een te gaan kopen bij een Louis Delhaize die ik in het voorbijrijden op de hoek van de avenue Paul Pastur op minder dan vijftig meter van mijn tijdelijk onderkomen had opgemerkt.
Ik kan de gedachte niet onderdrukken dat het lot op sommige momenten van het leven als een ware oerkracht werkt, voor of tegen sommigen van ons. Dat het de een naar de hoogste toppen optilt en anderen naar de afgrond sleurt. Als ik mezelf in een van die twee categorieën van ‘opgetilden’ of ‘meegesleurden’ zou moeten onderbrengen, dan zonder twijfel in de tweede. Het tandenborstelincident leverde nog maar eens het duidelijke bewijs: precies toen ik bij de Louis Delhaize aankwam, sloot die zijn deuren. Toch liet ik me niet uit het lood slaan. Ik had, toen ik aankwam, ongeveer een kilometer hogerop langs diezelfde avenue Paul Pastur een ander grootwarenhuis opgemerkt, een Champion, denk ik.
Ik was mijn wagen gaan halen, nog altijd dezelfde oude grijze geblutste en knarsende Toyota die me al achttien jaar trouw door het bestaan voerde, en ik was de weg afgereden waar rechts en links absurde kleine handelszaken stonden, een totaal abnormaal aantal zonnestudio’s en kappers, enkele pita dürüm-snackbars, een carrosseriehersteller, een fitnesscentrum waar de gebroken etalageruit door een groot stuk multiplex was vervangen. Ik had geprobeerd uit dit alles snel een conclusie te trekken: ik ben er immers van overtuigd dat je een stad kunt begrijpen door haar handelszaken. Ik probeerde het, maar het leverde niets op. Ook vandaag nog, achteraf beschouwd, weet ik niet wat te denken over een stad waar alle aandacht naar zonnestudio’s, kappers en fitnesscentra lijkt te gaan. Misschien moet je er een soort onbewust verlangen in zien om deel te hebben aan een Californische levensstijl? Maar zo begeef ik mij op het pad van de psychologische interpretatie en zoals ik eerder te verstaan gaf, ik haat psychologen en vermijd tot iedere prijs, ook al is het uit onachtzaamheid, een voet op hun domein te zetten.
Toen ik uiteindelijk voor de Champion aankwam sloeg het lot een tweede keer toe. Ook hij sloot op dat ogenblik zijn deuren.
Er bleef mij dus geen andere optie.
Ik moest doorrijden. Tot in Charleroi.
2. Met de auto door Charleroi
Waar ligt Charleroi?
Ik begon me die vraag te stellen zodra ik aan het eind van de avenue Paul Pastur kwam waar een hele reeks borden verschillende richtingen aanduidden behalve de richting die ik zocht en die een woord had kunnen bevatten als ‘Centre ville’, ’Vieille ville’ of zelfs gewoon ‘Charleroi’.
Aangezien ik geen andere keuze had dan door te rijden toen het verkeerslicht groen werd, sloeg ik linksaf, reed onder de lange betonnen tong die ‘Ring’ wordt genoemd en die door haar vorm spontaan de associatie oproept met het kadaver van een ongewerveld dier dat in helse pijnen de geest zou hebben gegeven.
In de loodzware hitte van die augustusavond volgde ik slap de verkeersstroom, reed langs het kanaal en belandde op een soort laan die er door werkzaamheden opengereten bijlag. Overigens leken werkzaamheden wezenlijk deel uit te maken van de plek waar ik me bevond en die ik nooit een ‘stad’ zou kunnen noemen. Natuurlijk stonden er wel huizen, kleinere en grotere gebouwen met smerige ramen waar sommige naamloze wezens tegen alle botanische logica in probeerden bloemen op de vensterbanken te laten groeien waarvan de schrale kroonblaadjes op vieze onderbroekjes leken. Links en rechts lagen wel enkele handelszaken, grote fastfoodketens, nog meer kappers en – hoe kon het anders – nog meer zonnestudio’s, een paar cafés met een neonblauw verlichte plastieken palm om de gelagzaal op te smukken en er waren zelfs mensen die moeizaam vooruit kwamen te midden van het gruis en het stof van bouwwerven die er duidelijk al lang onaangeroerd bij lagen.
Dat was er dus allemaal, maar het leek daar te zijn uitgestrooid als een handvol dobbelstenen in het casino. Er was dus geen sprake van wat zo plechtig een ‘urbanisatieplan’ wordt genoemd of, indien er al een zou zijn geweest, dan was het ongetwijfeld van de hand van een even ongeordend als opvliegend kind dat zijn doos meccano had leeg gegooid en dan de stukken zo maar op de vloer had achtergelaten omdat het geen zin had om de handleiding te lezen en liever buiten wilde spelen.
Maar ik bevond me dus wel degelijk in Charleroi. Beter gezegd, op een geografische plek die de naam Charleroi had gekregen maar van een stad alleen de benaming kon voorleggen en een paar artefacten zoals een stadhuis, een politiekantoor en misschien wel een kadaster, ook al leek dit laatste volkomen absurd.
Ik had er mij overigens bij neergelegd dat ik op dat uur en op die plek niet de minste kans meer maakte om ergens een tandenborstel te vinden. Ik had even overwogen om Christelle te bellen, de verantwoordelijke van het Musée de la Photographie, en haar te vragen of ze mij een tandenborstel wilde lenen. Desnoods een gebruikte. Ik zou haar de volgende dag, meteen na openingstijd van de winkels zoals Louis Delhaize, in ruil voor de hare een nieuwe hebben bezorgd. Maar ik was bang dat de vraag om een tandenborstel te lenen op een of andere manier als een al te doorzichtige uiting van seksuele wanhoop zou worden geïnterpreteerd en ik had het dus gelaten.
Ik was in een hellende straat blijven staan, een straat die nergens vandaan kwam en nergens naartoe ging, en ik had net zo goed rechtsomkeert kunnen maken naar de residentie in Marchienne-au-Pont naast het Musée de la Photographie. Ik had daar stevig aan de fles in eikenhouten vaten gerijpte Glenfiddich Single Malt 12 jaar kunnen zitten om te proberen alle stigmata van de wanhoop uit mijn brein te verjagen. Maar iets in mij bood nog weerstand. Had Jack Londen niet de ijzige vlakten van Klondike getrotseerd? Was hij niet tot in de donkerste steegjes van de Londense East End doorgedrongen? Ik was tenslotte zelf ook een auteur! Tweederangs, jazeker, maar desalniettemin een auteur!
Een lichtblauwe Mitsubishi haalde me in. Ik startte en volgde hem.
Het was een plotselinge ingeving maar geleidelijk begon ik te denken dat het volgen van die lichtblauwe Mitsubishi wellicht een van de beste manieren was om de stad te verkennen. Ik besliste hem zo lang mogelijk te volgen en over een paar uren naar mijn logies terug te keren om daar alles op te tekenen wat ik over zijn eigenaar te weten was gekomen. Het leek al bij al een goed spoor voor die tekst van 4500 woorden die van mij werd verwacht en waarvoor ik tot op dat ogenblik geen greintje inspiratie had gevonden.
Ik volgde dus – overigens moeiteloos – de lichtblauwe Mitsubishi die met een gangetje van een kermispony vooruitkwam. Auto’s achter me toeterden erop los en haalden ons in, maar ik liet me niet van de wijs brengen en bleef achter de lichtblauwe Mitsubishi rijden die ik gaandeweg begon te beschouwen als een medeslachtoffer van hetzelfde lot, als een soort zielsverwant in dit voor de geest ongemakkelijke oord, als een vriend zelfs: dankzij hem zou de onwaarschijnlijke wirwar van de straten zin en betekenis krijgen.
De lichtblauwe Mitsubishi sloeg bij een rotonde rechtsaf, net voor een doodlopende straat vol zwarte vuilniszakken en een oprit van de autoweg. We reden nu allebei bijna stapvoets langs een kleine weg met rechts de betonnen pijlers van de Ring en aan hun voet een korte, dorre en stekelige begroeiing die zo goed en zo kwaad als het ging tussen allerlei afval probeerde te overleven dat daar god weet hoe was beland: plastic flessen wasverzachter, een supermarktwagentje, een kapotte reiskoffer, kortom een klein museum van de menselijke misère.
Links lag een soort parkeerterrein in aanbouw dat in die tijd van het jaar en op dat uur van de dag veel meer weg van een toevallig uitgespreide hoop gruis op een braakliggend stuk grond. Er hingen aan weerszijden van die weg wonderlijk genoeg ook mensen rond: drie of vier vrij jonge clochards in het gezelschap van een paar honigkleurige poedels die om een plastic zak ruzieden; een ziekelijk magere man zittend op een geel geschilderd blok beton die met verbaasde ogen naar zijn onderarm zat te staren. Ook twee of drie vrouwelijke gedaanten: een zowat vijftigjarige Afrikaanse met een gezicht als een vergrendelde hoogspanningscabine, in spannende zwarte leggings onder een witte minirok; een vrouw met geblondeerd haar, in stonewashed jeans en suède laarzen; een zwartharige dikke dame met een vage door R&B beïnvloede gothic look en een knipoog naar het Duitse expressionisme.
De blauwe Mitsubishi reed een andere straat in langs een kanaal waarin langzaam een olieachtig bruin water stroomde en sloeg dan rechts een andere straat in. In lang vervlogen dagen moest dit ongetwijfeld een drukke handelsstraat zijn geweest, maar de kapotte etalageruiten, de gesloten luiken en de diagonaal gespijkerde planken voor de deuren riepen het beeld op van de tandsteen die zich tijdens de nacht op mijn tanden zou vormen. Op haar eigen manier was deze rue Léopold een soort Pompeï. Daar had een beschaving plotseling als gevolg van een onverwachte catastrofe opgehouden te bestaan en had alleen maar skeletten achtergelaten van een voor mij ongrijpbare geschiedenis en enkele droevige spoken als herinnering.
Wanneer ik eenmaal terug in de mij voorbehouden residentie zou zijn, zou ik via internet vernemen dat deze straat − eigenlijk de historische prostitutiebuurt vol louche bars die om een voor mij onbegrijpelijke reden de ’driehoek’ werd genoemd hoewel ze er helemaal niet de vorm van vertoonde − het slachtoffer was geworden van een pompeus opgezet project met de grootsprakerige naam ’Phoenix’. Ik wist toen geen moer van een Phoenixproject en ik weet er vandaag evenmin iets over. Ik twijfel zelfs of er ergens iemand is die er wel echt iets over weet. Er bestonden wel fotomontages over hoe het er zou uitzien, fotomontages zoals op reclamefolders voor allesreinigers, met hippe dertigers en spelende kinderen op de brede lanen van weelderig groene parken langs de blauwe wateren van een rivier. Verkopers die met een breedsmoelglimlach kleurige drankjes serveerden aan lanterfantende paartjes. Beelden van architecturale projecten hebben me met hun brutaal voornemen om het ideaal voor te stellen altijd evenveel angst ingeboezemd als revolutionaire manifesten die beweerden dat de ontvoogding van de nieuwe mens zeer nabij was. Hoe dan ook zou het Phoenixproject er nooit uitzien zoals op de prenten, het kon er onmogelijk uitzien zoals op de prenten tenzij het project erin slaagde om naast het inplanten van groen, het verjagen van de prostituees en het plaveien van straten, ook de omwentelingsas van de aarde te verleggen zodat het hopeloos druilerige Belgische klimaat plots op dat van de Fiji-eilanden zou gaan lijken. Het zou er nooit uitzien zoals op de prenten, het kon er onmogelijk uitzien zoals op de prenten die er helemaal geen rekening hielden mee hielden dat het leven gewoonweg en vrij snel alles verslijt, vervuilt en beschadigt. Dat de bomen van het Phoenixproject, de plaveien van het Phoenixproject en de etalages van het Phoenixproject na heel korte tijd zoniet meteen zouden worden aangevallen door vervuiling, troep, parasieten en ziektes allerhande. Dat de dertigers van de fotomontage dra dertigers zouden zijn met problemen die aan hen vraten, dat ze snel ouder zouden worden en minder zouden glimlachen dan toen ze voor het eerst op de geplaveide straten van het Phoenixproject gingen wandelen. Dat ze al bij de tweede wandeling niet meer zouden glimlachen zoals op de fotomontage. Dat de kinderen intussen kinderen van vandaag zouden zijn geworden: kinderen met een tekort aan zonlicht, kinderen die verkeerd en te veel eten, kinderen die met de terreur van de onuitgesproken angsten van hun hippe ouders moeten leven op een plek in Europa en de Wereld waar je zonder het te durven uitspreken aanvoelde dat er na de wittebroodsweken en de zwartebroodsjaren helemaal geen brood meer zou zijn.
Het hele Phoenixproject was al één grote leugen op het ogenblik dat ik de lichtblauwe Mitsubishi in de rue Léopold en daarna opnieuw tussen het godverlaten parkeerterrein en de pijlers van de Ring volgde. Zijn enige verwezenlijking tot nu toe was dat het een handvol afgepeigerde hoeren op een braak stuk grond naast stapels vuilniszakken had neergepoot.
Ik heb toen de Mitsubishi zijn gang laten gaan en hem toegewenst dat hij gauw mocht vinden wat hij zocht en ben zelf teruggekeerd naar mijn logies in het kleine huis naast het Musée de la Photographie in Marchienne-au-Pont. Ik heb op mijn laptop naar een film met weerwolven gekeken. Rond middernacht woedde een vreselijk onweer over de hele streek. Een beetje overal in de avenue Paul Pastur, de brede laan vol kapperszaken en zonnestudio’s die naar Charleroi voert, gingen huilende alarminstallaties af zonder dat het blijkbaar iemand iets kon schelen.
3. Te voet door Charleroi
De volgende dag ging ik allereerst naar de Louis Delhaize om er een tandenborstel te kopen. Ik heb hem heel zorgvuldig uitgekozen, tussen de duurste modellen die ook wetenschappelijk bewezen voordelen konden voorleggen. Ik was meteen naar huis teruggekeerd om er heel lang en zorgvuldig mijn tanden te poetsen.
Nu was er niets meer dat me naar buiten dreef en het simpele verstand dwong me trouwens om tussen de vier muren van mijn logies te blijven en eindelijk aan het werk te gaan. Wat ik overigens deed. Ik besteedde de hele morgen en een deel van de middag aan het vertellen van mijn belevenissen van gisteren. Maar naargelang ik en de tijd vorderden bekroop me een groeiende, sombere en onaangename bekommernis, met name dat men me een ‘vreemde vogel’ zou vinden.
Om het te begrijpen moet ik even de opstelling van het huis waar ik logeerde in herinnering brengen. Het stond zoals gezegd vlak naast en loodrecht ten opzichte van het Musée de la Photographie in Mont-sur-Marchienne. Het was trouwens eigendom van het museum dat er in de voorkamer kisten met affiches en boeken bewaarde. Zowel het personeel als de directeur van het museum waren dus onvermijdelijk op de hoogte van wat zich in het huisje afspeelde. Van een licht dat aan of uit was. Van donkerblauwe stofgordijnen die open of dichtgetrokken waren. En of ik in het kleine huis waar ik verbleef bij het Musée de la Photographie in Marchienne-au-Pont, aan- of afwezig was, daarvan was men onvermijdelijk op de hoogte. Ik was dus bang als een vreemde vogel te worden beschouwd. Ik weet trouwens niet goed waarom. Misschien omdat ik inderdaad een vreemde vogel ben en bang dat het wordt ontdekt, dat het in een groot dossier te mijnen laste zou worden opgetekend en op een dag bekendgemaakt, dat het gerucht zich zou verspreiden en tot mijn opsluiting zou leiden? Of misschien omdat ik helemaal geen vreemde vogel ben en ik vreselijk zou lijden onder het simpele het idee dat er aan mijn absolute normaliteit zou worden getwijfeld?
Halverwege de middag, terwijl een stralende en antipathieke zon het van de loodgrijze lucht had overgenomen, sloeg de vrees als een vreemde vogel te worden beschouwd om in een ware golf van angst die mijn weerzin om op stap te gaan wegspoelde. Ik ging dus op stap. Ik hoestte daarbij opzettelijk luid en liet zelfs mijn sleutelbos op het arduinen bordes vallen.
Ik was eerst met de auto langs de mij nu bijna vertrouwde avenue Paul Pastur de helling af gereden tot bij de hele waaier borden met ‘Hôpitaux / Gare / RTBF / Cité Administrative’, maar natuurlijk nog altijd geen ‘Centre Ville’. Net als gisteren had ik de lichte verkeersstroom gevolgd maar deze keer had ik de auto geparkeerd zoals een normaal iemand die op een normale manier een stad bezoekt.
Als er niet een bijzonder gevoel van chaos was geweest of de indruk dat de plek waar ik me bevond op het lichaam van een stervende leek die uitgeput beslist had niet langer de dood te weerstaan, ja, dan zou de plek waar ik me bevond bijna een normale avenue kunnen zijn geweest, met boetieks, terrasjes en geflankeerd door enkele bomen. Deze avenue, in feite een boulevard en meer bepaald de boulevard Tirou, leek wel het monster van een andere stad, een echte stad deze keer, dat nu te midden van de kladversie van een andere stad die niemand ooit zou afwerken was neergepoot.
Overigens hield die eerste indruk van normaliteit slechts heel even stand bij een ietwat aandachtigere observatie: vlak tegenover mij was het hotel Leonardo op een bizarre manier in een filiaal van de BNP-Paribas-Fortisbank ingebouwd, naast de Dienst voor Arbeidsbemiddeling waar een handvol ambtenaren bij de ingang een sigaret stond te roken en van gedachten te wisselen over voorbije of toekomstige vakanties. Daar tegenover stond het reusachtige gebouw van de christelijke vakbond met het dreigende bas-reliëf waarop een soort Maagd de baby Christus in haar armen hield die op zijn beurt een mijnwerkerslamp vasthield. Aan de voeten van die Maagd met de lege blik en haar baby met een even lege blik knielden drie mijnwerkers met gebogen hoofd. Ook hun blik was leeg.
Ik stond dus op de boulevard Tirou tegen de deur van mijn geblutste en knarsende Toyota geleund, niet wetend waar naartoe terwijl ik juist ergens naartoe móest. Een man die tegen de deur van zijn auto geleund staat en nergens naartoe gaat zou best voor een vreemde vogel kunnen doorgaan en voor een vreemde vogel doorgaan was precies wat ik angstvallig wilde vermijden, zoals ik al eerder zei.
De eerste persoon die op het trottoir aan de overkant voorbijliep, was een meisje van rond de twintig, mager maar met een enorme boezem en haren die door een decennium ontkleurende shampoos waren aangevreten. Ik zou net zo te werk gaan als gisteren met de lichtblauwe Mitsubishi. Het was toen best meegevallen en het zou deze keer ook wel meevallen. Ik volgde haar.
Ik begon dus te lopen. Op veilige afstand om niet de aandacht te trekken. Ik fixeerde haar ook niet maar maakte gebruik van mijn ‘periferisch gezichtsvermogen’. Het meisje liep vrij snel en rechtdoor. Ze was duidelijk niet aan het shoppen. Ze wist duidelijk waar ze naartoe liep. En zo, zij voor mij en ik achter haar, liepen we de hele boulevard Tirou af met de enkele modeboetieks, opnieuw enkele kapperszaken en een aantal tatoeëerders waaronder één zelfs een niet nader omschreven ‘medische piercing’ aanbood.
Het meisje was een verkeersvrije straat ingeslagen waar het naar braaksel stonk en dan in een straat met een bouwwerf, die steil en recht naar omhoog liep, de rue de la Montagne. Op die bevuilde helling waar gruis, stof en wankele planken over kuilen de restgetuigen van het Phoenixproject vormden, volgden bijna exclusief klerenwinkels en gsm-verkopers elkaar op. Brutale reclame prees de nieuwe Samsung Galaxy de hemel in. Er liepen nogal wat mensen, vooral jonge meisjes wier gelaatstrekken en haarkleur hun mediterrane afkomst verraadden. Maar ze waren hier geboren, als collaterale slachtoffers van een doodgebloede industriële revolutie. Ze waren hier opgegroeid, tussen de ruïnes van hoogovens en koolmijnen, de lelijkheid had ze overspoeld, de koolstofzwangere lucht had ze aangetast, net zoals de armoede en het gebrek aan toekomstperspectief, een vage angst voor de toekomst en uit reactie misschien een onbewuste haat voor de wereld.
Het meisje dat ik volgde liep nog altijd door, ze droeg geen al te beste schoenen, halve laarsjes met versleten hakken, banale kunststof bedekt met een dun laagje namaakleder. Geregeld bezweek links of rechts haar enkel en vormde dan plotseling een bijna rechte hoek alsof hij onvermijdelijk zou knakken, maar als een frontsoldaat die een kogel in de arm kreeg en toch doorloopt, liep ook zij door alsof ze niets voelde. Ik herinner me dat ik haar moed bewonderde, ik herinner me dat ik de mogelijkheid overwoog haar aan te spreken, haar uit te leggen dat ik alleen was in een stad die ik niet begreep, dat ik haar volgde om er niet als een vreemde vogel uit te zien en dat het wellicht paradoxaal was omdat ik juist daardoor dreigde als een vreemde vogel te worden aangezien maar dat ik sinds ik haar volgde en observeerde hoe ze door de geniepige valstrikken van het Phoenixproject strompelde haar hoe dan ook heel moedig vond en dat het mij, ook al leek ze niet op de fotomodellen die de boetieks van de rue de la Montagne in hun etalages stalden, ook al had ze geen Samsung Galaxy, ook al stonden haar haren zo stijf en verweerd als de relingen van de Ring, ook al moest haar magerte onvermijdelijk een teken van ziekte zijn, ook al haatte ze zoals al de andere de hele wereld, enorm zou plezieren dat ze, zonder haar te willen storen, eventueel een ogenblik met mij wilde doorbrengen, misschien zelfs de hele avond, in het huisje bij het Musée de la Photographie waar ik logeerde, en misschien met mij naar bed wilde gaan. Maar intussen hadden we de top van de helling bereikt, tegenover het stadhuis, een absoluut oninteressant gebouw dat alleen om de bedenkelijke reputatie van sommige vroegere en huidige bewoners enige bekendheid genoot. Het meisje was bij een groepje jonge mannen gaan zitten die ze leek te kennen en één van hen, met een heel bleke huid, een olijfgroene Nike-pet schuin op zijn hoofd en een donker sikje dat als een straaltje kwijl onder zijn mond hing, aaide even haar dikke borsten met een zo natuurlijk gebaar dat het een diepe indruk op me maakte.
Ik ging weer naar beneden, een beetje triest natuurlijk en meer dan ooit een vreemdeling in deze stad. Toen ik tijdens die afdaling voorbij een ‘panorama’ kwam, een punt dat dankzij de betrekkelijke hoogte van wat in Charleroi de ‘ville haute’ wordt genoemd een uitzicht op de horizon biedt, ontdekte ik zowel de contouren van de terrils die de stad omsingelden alsof het monsters waren die na eindeloze kilometers kruipen van uitputting waren gestorven, als de metalen en gigantische geraamten van de fabrieken van Marcinelle die op het einde van die plotseling bloedhete augustusdag de zo eigen schoonheid van tragedies vertoonden. Tot slot was er in welke richting ik me ook draaide die afschuwelijke Ring waarvan de reling als het pantser van een giftig insect op deze plek in een grotesk hemelsblauw was geverfd, vermoedelijk op aanraden van een psycholoog die het uit zijn boeken had dat deze kleur als rustgevend moest overkomen terwijl ze hier de kleur was van de leugen waarmee een hele stad werd bedrogen.
Op de afgesloten etalage van een reisagentschap was met kleefband een reclame aangebracht voor het ‘ontspanningscentrum van Marcinelle’. Er was een foto van een zonnige dag aan een soort groot zwembad waar een halfnaakte menigte rond lag. Ik dacht bij mezelf dat het magere meisje met de zware boezem die ik even tevoren had gevolgd en haar verloofde met het kwijlsikje zich daar misschien ook gingen ‘ontspannen’, dat ze daar een ogenblik probeerden het vreselijk deprimerende gevoel af te schudden dat hun stad niet echt een stad was, maar een plek, een ruimte waar een hele bevolking waar men nu geen raad meer mee wist met een kille brutaliteit was bijeengedreven, een beetje zoals een van die in ellende en alcohol verzopen indianenreservaten in het westen van de Verenigde Staten.
Vertaald uit het Frans door Michel Perquy
Michel Perquy vertaalt uit en naar het Frans. Hij is geboren in Brugge (1943) en studeerde na de Grieks-Latijnse humaniora Romaanse talen aan de KULeuven. Als leraar Frans was hij heel actief betrokken bij schooltoneel en begon ook in deze optiek te vertalen (Boris Vian, Molière, Giraudoux, René Girard). Hij was later adjunct-directeur van het Huis voor Belgische studenten in Parijs en ontwikkelde verder zijn vertaalactiviteit (www.perquy.net). Hij woont tegenwoordig in Brussel waar vertalen en schilderen (www.oparijs.eu) zijn belangrijkste bezigheden zijn.





