citybooks

Hier begin je opnieuw

Jeroen Olyslaegers

Ze houdt van mooie konten. Wie weet is ze er aan verslaafd, zoals vele dingen waarvan ze weet dat ze niet zonder kan. Ze zoekt plekken die haar een overzicht kunnen verschaffen. Eerst vergelijkt ze vrouwen- met mannenkonten. De kont van een man kan strak vervat zitten in een nauwe jeans. Het is alvast een begin. Maar daar houdt het meteen ook op. De meerderheid der mannen in deze contreien weigert soepel te bewegen. Hun heupen walsen niet. Nee, dan maar vrouwen. Het is minder zeldzaam, een mooi bewegende vrouw, maar het blijft toch ook behelpen. Ze denkt dat er een tijd moet hebben bestaan waar vrouwen zich bewuster waren van hun kont. Je ziet ze niet zo veel; vrouwen die door de stad wandelen en hun kont daarbij stijlvol weten te etaleren. Het heeft te maken met de juiste schoenen en de juiste grootte van schoenhak. Het heeft te maken met soepelheid van heupen. Het heeft te maken met zelfbewustzijn. De juiste klederdracht is uiteraard ook van groot belang. Een kokerrok helpt, maar kan evenzeer nadelig uitvallen. Een strakke jeans onthult soms al te veel en kan een kont een treurig uiterlijk geven. Het heeft te maken met gratie en zelfkennis. Een mooi bewegende kont kan te maken hebben met overgave. En het heeft zeker te maken met het beantwoorden van elke schaamteloze blik, elk genadeloos keuren, het spel dat wordt opgevoerd tijdens een zomernamiddag in een zonovergoten stad.
Ze zit op een terrasje in een stad die Utrecht heet. Recht tegenover haar terrasje is een ander terrasje, en links, schuin achter haar is er ook een. Die plek blijkt een feest voor kontenkijkers, alsof het allemaal opnieuw kan worden ontdekt, van bij het begin. Vrouwen en mannen fietsen voorbij uit zuid, noord en west. Ze schieten voorbij en raken haast niemand. Het harde licht van de zomerzon wordt keer op keer door hen opgevangen en losgelaten. Alles flikkert en schittert, als bij een stroboscoop die donker en wit laat dansen met elkaar. En in deze chaos van wielen en ontnomen licht gebeurt er af en toe ternauwernood een wonder. Meestal kan zij ze van ver zien aankomen. Een vrouw die mooi haar kont beweegt; dat zie je al aan de voorkant, dat kondigt zich aan. Ze bijt op haar lippen wanneer zo iemand zich aandient. Ja, de heupen bewegen langoureus. Ja, de blik is strak en toch vriendelijk. Borsten wiegen als bij de begeleiding van een slaaplied. Maar de kont? Een vrouw in een cocktailjurk met een vleugje punkattitude à la Vivian Westwood schrijdt voorbij. Ze heeft een bont sjaaltje rond haar nek. Haar lippen zijn misschien al te rood gestift. Haar profiel tekent zich scherp af tegen de nu terugdeinzende kleuren van de plaatselijke horeca, tegen de kleuren van deze stad. Ze draait. En daar is haar kont in al haar glorierijke totaliteit. De kont van een godin. Een beetje verleid door zwaartekracht en leeftijd weliswaar. Maar dat verleent authenticiteit. Fietsen schieten haar voorbij, langs links en langs rechts. De vrouw met de magistrale kont is ongenaakbaar. Perfect zicht op rug en kont. Wiegend. Ze voelt een warmte in haar buik opkomen. Ze heft haar glaasje cava – de droge wijn van voorheen was absoluut niét droog – en ze likt haar lippen. Ze proost de perfecte kont, zonder dat de vrouw in kwestie weet heeft van deze uitdrukking van dankbaarheid. Ze zet haar glas neer en steekt een sigaret op. De derde mooie kont in Utrecht verdwijnt uit het zicht. Drie mooi bewegende konten op twee uur kijken… En niemand die haar zelf een blik gunt. Bijna.
Dit is goed.
Dit voelt verfrissend aan.
Dit is Utrecht. Hier begin je opnieuw.

In het huis van Anna heerst rust. Het is een prachtig pand dichtbij de Nieuwe Gracht. Het heeft een tuin waar twee katten op bezoek komen. Ze staren haar even aan. Hun vacht glanst in de zon. Ze geeuwen en strekken zich uit op de tuintafel, maar springen meteen op wanneer ze dichter komt. Even gauw trippelen ze weer over het tuinmuurtje en een tel later zijn ze verdwenen. Ze glimlacht, zet zich opnieuw neer in een rotanstoel in de veranda en neemt een slokje thee. Ze is gevlucht. Dit is haar toevluchtsoord. Maar deze tuin van Anna blijkt nu wel heel erg… tuin. In feite is zij iemand die niet te lang in een park kan zitten, elk bos mijdt en slechts zelden ingaat op de uitnodiging van een of andere knappe man of vrouw om een fikse natuurwandeling te maken. Op andere uitnodigingen is ze meermaals ingegaan. Veel te veel, wat haar betreft. Ze heeft haar schoonheid uitgedeeld. En dat ging een tijdje goed. Soms leidde het tot euforie, soms tot woede. Geen man of vrouw bleef onbewogen bij haar verschijning. Maar steeds meer ging het over bezit en leek zij daardoor steeds minder te willen uitdelen. Op een dag, nu een week geleden, was het op. Elke blik in haar richting werd te veel. Geen vrouw kon zich nog voor haar ontbloten zonder dat de angst in haar toenam voor wat er na de seks kwam. Geen man kon nog genade in haar ogen vinden wanneer hij voor haar stond met een glanzende erectie en hoop in zijn ogen. Want dat hadden ze allemaal, die hoop. Het deed haar terugdeinzen, het maakte van haar een gekooid dier. Het was simpelweg op.
Het was een eenvoudige uitwisseling. Anna zat al een tijdje in Barcelona. Ze had er een filmfestival bijgewoond en had na afloop moeten vast stellen dat er geen vliegtuigen meer opstegen vanwege een aswolk uit een IJslandse vulkaan. Een dolle week had ze daar beleefd, wachtend met tientallen andere festivalgangers, als in een feestzaal zonder nooduitgang. Men had van de nood een deugd gemaakt en elk mogelijke rem op losbandigheid weggeredeneerd. Gestolen tijd, daar ging het om. Toen de feestvierders het bericht ter ore kwam dat het luchtverkeer weer was vrijgemaakt, zou het kunnen dat Anna als enige achter bleef, verliefd op een Catalaan, bezweken aan een passie, misschien definitief vastgeprikt als een vlinder op het bordkarton dat tijd heet. En haar huis in Utrecht? Een vriendin als vluchteling geef je onderkomen, zo simpel is het. Zo heeft ze het ook tegen zichzelf verdedigd. Het is wonderlijk om het weer hier te ondergaan. Het leek een grap toen ze het weerbericht in de krant las. Zon in Nederland? Maar de grap wordt werkelijkheid. Sinds zij haar koffers hier heeft uitgepakt, stijgt de temperatuur elke dag. 27 graden nu, morgen 30. Anna heeft smaak. Anna heeft prachtige meubelen. Anna’s boekenkast puilt uit met de meest vreemde boeken. Zij is ook een lezer. En in één oogopslag beseft ze dat ze zulke boeken altijd al had willen hebben en dat ze tevreden hoort te zijn dat ze er over kan beschikken. Voor de rest is alles hier in orde. Inderdaad. Alles is in orde, vreemd in orde, alsof Anna al van bij het begin wist dat ze misschien nooit meer zou terugkeren. Op de tafel in de woonkamer ligt een plattegrond van Utrecht. Er staat een kruisje bij de woorden ‘Aboriginal Art Museum’. Naast het kruisje kleeft een post-it waarop staat geschreven: ‘Hier kan je altijd opnieuw beginnen.’ Het doet haar liefdevol glimlachen. Tranen prikken zelfs in haar ogen. Alles lijkt in voorbereiding gebracht voor haar. Zelfs haar lievelingsthee vond ze terug in een grote blikken doos op het aanrecht van de keuken.

Ze nipt nog eens van de thee en zucht. De zucht klinkt theatraal, slecht theater. Ze wil er luidop iets aan toevoegen, een ironische voetnoot bij die zucht. Ze begint een zin. Ze zegt: ‘Zo…’ Maar de stilte in de aanpalende tuinen is plots intimiderend. Ze voelt zichzelf betrapt. De tuin, de thee, de rust. Niets behoeft hier ironie, een uitgesproken kwinkslag is ronduit belachelijk. Het werkt niet. Niets hoeft hier sowieso. Wat doe je dan? Kijken. Wat doen die bijen bijvoorbeeld in deze beschaafd wilde tuin? Ze staat op. De stoel kraakt. Ze buigt zich voorover en kijkt hoe een bij zich met haar buik rond de stuifmeeldraden van een bloem wentelt. Nooit bij stil gestaan, bij die bloemen en die bijen. Hoe lang is het geleden dat ze zelf voor het eerst over een tuin kon beschikken? Twaalf jaar? Het was niet eens haar tuin, maar die van hem. Hij was er dol op. Zij niet. Of eerder: onverschillig. En hoe lang bleef ze bij hem? Toch zeker vier maanden, allicht. Hij beloofde haar een spannend leven. Maar het werkte eerder omgekeerd. Zij maakte zijn leven zo spannend dat hij daar bijna aan bezweek. Hij heeft haar nog jaren brieven gestuurd, die ze soms las bij een glas gekoelde witte wijn op een zondagochtend, soms helemaal niet. Berichten uit een andere tijdszone waren het. Jammer genoeg kon zij hem niet overtuigen om in een andere stad te gaan wonen. Dus kruisen hun blikken elkaar nog af en toe. En is zijn blik steeds te veel in haar ogen. Achteraf gezien was die van hem misschien wel de eerste. De eerste van een reeks blikken teveel. Loslaten… is dat nu zo moeilijk? Een mens zou een therapeute in dienst moeten nemen voor al die nazorg. Ze lacht. Luidop. Een tweede lach verdrinkt ze in thee. Haar vader had overigens altijd voor nazorg gezorgd in zijn amoureus leven. Wanneer een vrouw niet uit zijn leven wou verdwijnen, verwees hij haar door naar een goede vriendin van hem, ook een ex. Daar kon de afgewezen en dus onuitstaanbaar geworden vrouw uithuilen. Daar kreeg ze raad. En ze werden allemaal hartsvriendinnen, die gevallen vrouwen. Dat zou toch ook kunnen werken met mannen, of niet? Ze las gisteren nog in de krant dat mannen langer liefdesverdriet hebben dan vrouwen. Het verbaast haar niet. Ze kijkt nog eens bewust in de tuin en probeert zich dan de mannen en vrouwen te verbeelden die zich ooit door haar aangeraakt hebben gevoeld en wier blik ze nu uitputtend vindt. Maar haar verbeelding weigert uiteindelijk zo ver te reiken. De tuin blijft tuin. Niets of niemand kijkt terug.
De merels klinken luider.
Het wordt avond.

Onder de zalig lauwe douchestralen vraagt ze zich af waarom ze zich klaarmaakt om de stad in te trekken. Een zwarte jurk ligt al uitgestald op het bed. Twee paar schoenen staan klaar om met elkaar te vergeleken worden. Een lingerieset is ook al uitgekozen. En ze weet welke lippenstift het best bij de jurk past. ‘Het is de twijfel van de krijgster.’ Ze herhaalt die zin. Er kruipt een melodietje in. Ze zingt. Ze viert het leven, vindt ze.
De jurk is misschien wat te nauw. Ze dient daar rekening mee te houden wanneer ze zich zal neervlijen op een terrasstoel tijdens deze zwoele, zoete avond en allicht nacht.

Eenmaal buiten volgt ze de Nieuwe Gracht, naar het punt waar de waterloop naar rechts kromt. Ze heeft een plattegrond van de stad bij zich, in handig miniformaat. Het is reeds lang geleden dat ze een stad nog heeft verkend zonder iemand aan haar arm. En weer is het lastig om niet luidop te praten, zo geheel alleen. Haar hoge hakken hebben moeite met de klinkers van de stad. Maar ze blijft kaarsrecht lopen en haar kont kan niet anders dan elegant uit de verf komen. Ze volgt de kromming en komt uit op een straat waar de stilte van een begijnhof heerst. Alles klein. Alles schattig. Bijna Brugge, bijna doods. Twee studenten rijden snel voorbij, haren in de wind, onbeschreven bladen. Op het einde van de straat stelt ze enigszins opgelucht vast dat er toch wat leven in de brouwerij blijkt. Links ligt de Tolsteegbrug, zo leert de stadsplattegrond. Ze kijkt nog maar eens naar het kruisje dat het Aboriginal Art Museum markeert. ‘Nu nog niet’, fluistert ze, ‘Morgen misschien, of overmorgen.’ Ze bevindt zich nu een eind van dat museum, ver genoeg wat haar betreft. Zeker drie terrassen in zicht. Het Louis Hartlooper Complex blijkt een restaurant met bioscoop te zijn. Daar recht tegenover zet ze zich op een terras. Mensen kijken en eventueel konten bestuderen. Maar de halfwassen studenten zijn hier in de meerderheid en geven weinig genoegdoening op dat vlak. Ze zien er allemaal hetzelfde uit. Allemaal heel Hollands. Een meisje met blond haar en een zwarte schort om komt haar vragen wat ze wil drinken. Weer witte droge wijn. Weer niet droog genoeg. Het meisje negeert het briefje van tien dat zij al had klaargelegd ter betaling. Het weer blijft heet, ook al is het al voorbij negen. Ze ruikt zweet. Niet van haar, maar van een groep amateurwielrenners vlakbij die in hun nauwe shirts en met een rode kop genieten van een pils. Jongens onder elkaar. Af en toe hard gelach. Hier komt het, zo weet ze. Er is altijd een heethoofd bij die haar een tijdje zal aanstaren, zijn vrienden vervolgens zal aanporren om haar dan met het gegiechel van zijn maten op de achtergrond een biertje aan te bieden. Ze zitten daar allemaal met hun halfnaakte benen wijd uit elkaar, onderuitgezakt, in een wolk van euforisch testosteron. Er is nog genoeg zonlicht om een zonnebril te rechtvaardigen. Ze tast in haar handtas. Ze wil de bril opzetten, maar het ding blijkt stuk. Een van de schroefjes ligt hopelijk op de bodem van haar handtas. Dit is echter geen moment voor onhandig gepruts, niet onder het mogelijk oog van tientallen mannen. Ze kijkt dan maar opzij. Ze biedt haar beter profiel aan. Het terras links zit vol met yups in streepjeshemden en met hier een daar een blonde del die al lang zou moeten weten dat je niet met collega’s nog een biertje meepikt na kantoor. Het kan wel, maar niet als je langer blijft dan strikt noodzakelijk. Dan maak je het die mannen immers wel erg gemakkelijk. Eerst zijn ze blij dat je een van hen probeert te zijn, maar zodra hun ogen glazig worden willen ze meer. En je kan meer geven, maar dan doe je dat toch beter discreet, en niet onder het oog van al die andere kantoortijgers. Ondertussen hoort ze iemand van die amateurwielrenners weer een rondje bestellen. Aan een ander tafeltje neemt een man met tranen in zijn ogen de hand vast van zijn Aziatisch ogende vriendin. ‘Je kent jezelf niet…’ zegt hij zacht doch hoorbaar genoeg. Het Aziatisch meisje knikt halfslachtig en kijkt dan weg. De veel te warm aangeklede man tast zuchtend weer naar zijn sigaret die doelloos opbrandt in een asbakje. Rumoer. Een nieuw groepje wielrenners arriveert. Deze groep is wat hipper gekleed, met hier en daar een Italiaans zonnebrilletje tegen natte haren gedrukt. Ze bestellen. Een van hen heeft prachtige bruine benen. Ze lijken net geschoren. Met een hand krabt hij aan de stoppels terwijl hij met zijn andere naar een pils grijpt. Nog even het terras aan de overkant. De yups blijven beschaafd kameraadschappelijk. Geen lachje als een van de blonde dellen zich compleet kontloos naar het wc begeeft. Geen knipoog naar elkaar. Ze staat ook op, traag, met genoeg discretie gezien haar wat te nauwe jurk. Ze stapt de kroeg binnen richting toilet. En nee, geen enkele blik naar haar, ook niet gericht op haar rug of kont. Ze beschikt over een zesde zintuig. En ze voelt niks.
Ze besluit terplekke om het toilet niet op te zoeken en meteen te betalen. Op haar rekening staat ‘Bedankt en tot weerziens’ te lezen onder de naam van de kroeg; Ledig Erf.
Daar lacht ze nog even mee terwijl ze terug richting Nieuwe Gracht stapt.
Geen blik.
Geen gefluit in haar richting.
Geen pils, halfdronken aangeboden.
Niets.
En het is nog geen tien uur.

De ramen van de slaapkamer in het souterrain staan wijd open. Een zucht wind speelt met de gordijnen, maar het blijft heet. Ze slaapt met haar mond open. Tegenover haar staat een gemaskerde vrouw in zwart leer gekleed. Ze wordt bekeken. De gemaskerde vrouw komt heel dicht bij haar staan. Een hand in een leren handschoen grijpt haar bij de keel. Ze schiet wakker, haar ogen opengesperd. Ze ziet een zwart masker. Ze ziet geen ogen. Uit haar keel komt een hese gorgel. De gemaskerde vrouw drukt harder op haar keel en zegt: ‘Nu is het tijd. En je weet het.’

Ze wordt wakker door het geluid van een grasmaaier, het eerste teken van menselijke aanwezigheid sinds ze hier in dit huis verblijft. Ze stapt wankel naar de badkamer. In de spiegel ziet ze striemen op haar keel; rood, blauw en paars. In de kleerkast weet ze een paar sjaaltjes te liggen in bonte kleuren. Ze kiest een witte, met rode noppen. Over de stoel in de slaapkamer ligt een witte jurk uitgestald.

Als de eerste de beste toerist meldt ze zich aan de balie van het Aboriginal Art Museum. Vrijwel niemand die weet waarom zo’n museum nu juist in Utrecht werd geopend. Misschien kwam het wel door een reeks toevalligheden, een parcours van kleine ongelukjes, mislukte afspraken en een ruime schep nonchalance. Uiteraard heeft ze er wel over gehoord en talloze keren is ze er al voorbij gelopen. Maar tot vandaag heeft ze deze plek opgespaard. Ze vindt dat ze er spectaculair uitziet, maar de gekleurde dame aan het loket die zelf ook bijzonder koket oogt ziet haar nauwelijks staan. De totempalen rechts van de ingang wasemen gevaar uit, alsof een geheime strijd tussen Nederlanders en Aboriginals nog steeds niet is beslecht. Met het ticket nog in haar hand gaat ze de twee trappen op die leiden naar de bovenste verdieping, op zoek naar een begin. Het museum is vrijwel verlaten. Eenmaal boven gaat ze op een van de witte zitbanken zitten die recht voor een enorm schilderij staan opgesteld. Het voelt aan alsof ook hier alles in gereedheid is gebracht. De tijd glijdt voorbij. Ze voelt de wereld omheen het museum via de schaarse geluiden die haar nog weten te bereiken in de relatieve stilte van de witte ruimte. Utrecht, de stad waar niemand naar elkaar kijkt, valt daarna geleidelijk stil, alsof ze afscheid neemt. De geluiden worden een voor een uitgeschakeld. De paar wagens die traag door de binnenstad manoeuvreren vallen als eersten weg. Dan valt het gerinkel van fietsbellen uit. Dan verstommen de gesprekken op alle terrasjes. Het gemurmel stopt. Geen vogel meer. Ze denkt aan Barcelona en Anna. Ze denkt aan de dingen die zij heeft achtergelaten. Ze denkt aan de plekken waar ze heeft geleefd. Ze denkt aan de mannen en de vrouwen die zij heeft bemind. Ze denkt aan het vluchten voor het onvermijdelijke. Ze denkt aan elk anker dat mensen in het diepe laten vallen in de hoop dat dit hen zekerheid verschaft. Ze denkt aan opnieuw beginnen, een eindeloze activiteit, waarbij elk nieuw begin het einde van dat hoofdstuk met zich meedraagt. Ze denkt – en dat is voor het eerst – aan wat zij nu als de echte tragedie beschouwt. Ze denkt niet, zoals vroeger, aan de onoverkomelijkheid van het einde, maar aan de echte duizelingwekkende tragedie; dat het integendeel nooit ophoudt, altijd doorgaat, eindeloos doorgaat.
En bij die gedachte groeit er iets uit haar waarvan zij weet dat het niet kan worden verbroken, een eindeloze lijn. Tegelijk begint haar eigen eenzaamheid op haar te drukken, eerst nog aarzelend, maar zodra ze het toelaat, steeds zwaarder, steeds heftiger. ‘Hier kan je altijd opnieuw beginnen.’ Misschien is het een leugen, toevertrouwd op een vluchtig stukje papier.
Er lopen tranen over haar wangen.
En dan en pas dan begint het schilderij haar toe te spreken.
Ze kijkt verstomd naar de grillige, bruine lijnen.
Het is een berglandschap, bovenaan hard afgezoomd door een staalblauwe lucht.
Het toont eindeloze lijnen en de onoverkomelijkheid ervan.
Het maakt haar duidelijk dat dit schilderij en dit museum niet zomaar plompverloren in de stad staat.
Misschien is het een tempel voor mensen die nooit een tempel hebben behoefd.
Misschien is het een herinnering voor mensen die de kunst van het geheugen zo hebben verfijnd dat in elke vezel, in elke penseelstreek en elk streepje doek een code zit die een vijfenzestigduizendjarige cultuur omvat, als één lange lijn.
Misschien maakt het duidelijk dat het verlangen naar een nieuw begin de allure heeft van een kosmische grap. Niet enkel in Utrecht, maar ook in Barcelona, in eender welke stad.
Volg met je vinger de radicale lijnen van het berglandschap en zie zo waar het je naartoe voert.
Kijk naar Utrecht.
Deze stad hoeft niet over konten kijken te gaan, noch over kijken of bekeken worden.
Kijk naar Utrecht.
Het is eender welke stad.
Hier vertrek je en kom je weer aan.
Zoals elke stad.
Kijk naar Utrecht.
Het blijkt een portaal.

Eenmaal buiten het museum zet ze het op een discreet drinken, bijna heimelijk. Maar niemand betrapt haar hier, omdat niemand haar ziet staan, laat staan drinkend. Ze spreekt geen woorden luidop uit. Ze beperkt zich tot drinken. Af en toe sluit ze haar ogen en ziet ze het magnifieke schilderij weer opdoemen voor haar innerlijk oog. Dan kruist haar blik met die van hem die niet wijken wil, die nooit heeft willen verhuizen. Het is maar even, maar het is ruim voldoende om nog iets te bestellen, nog meer wijn te blijven bestellen.

Ze slaapt, met een boek uit de bibliotheek van Anna op haar buik. De in zwart leer geklede, gemaskerde vrouw staat voor de kleerkast in de slaapkamer. Zij neemt er een bloemenjurk uit. Een ijzeren kleerhanger schraapt even over een metalen staaf. Ze draagt zwarte handschoenen. Het leer kraakt luxueus. Zij draait zich naar haar met de jurk in zijn hand. Zij kijkt naar haar in het schaarse maanlicht. Zelfs haar ogen zijn niet zichtbaar. Misschien schat zij even in of die jurk van Anna haar wel zal staan. Dan verdwijnt zij geruisloos in de aanpalende badkamer.

’s Ochtends wordt ze door het gekwetter van de vogels wakker. De badkamerdeur staat half open. Aan de douchecel hangt een jurk. De kamer ruikt naar Eternity van Calvin Klein. Een geur die ze zelf graag gebruikt.

Er blijkt een leuk Frans restaurant te zijn in het centrum van de stad. Het terras is vlak aan het water. Ideaal voor de lunch. Het is nu 34 graden. De vrouw die haar bedient spreekt Nederlands met een Pools-Frans accent. Tegen beter weten in bestelt ze foie gras, en stelt dan opgelucht vast dat de lekkernij smelt op haar tong. Ze drinkt een glas perfect gekoelde rosé. Tavel, haar favoriet. De bloemenjurk doet haar borsten uitpuilen. Haar ogen zijn verscholen achter een grote zwarte zonnebril van Chanel. Ze wist haar eigen zonnebril niet meer te herstellen. Het komt goed uit dat Anna haar zonnebril vergeten mee te nemen is naar Barcelona. Ze kijkt door de zwarte brilglazen. En op een of andere manier kijkt ze anders. Komt het door de wijn? Je kan jaren lang iemand kennen zoals jij jezelf kent. Je kan haar jouw hartsvriendin noemen, iemand die altijd voor je klaar staat, alsook jij voor haar. Uiteraard weet jij bijna alles van haar, en weet zij bijna alles van jou. Maar je ontdekt toch iemand anders als je leeft in de ruimte waarin zij leeft, omgeven door haar spullen, haar vreemde boeken lezend, kijkend naar de dingen die zij zo gewoon is. Onder elke laag van intimiteit schuilt een andere. Ze hebben talloze keren elkaars lijf becommentarieerd in de spiegel. De minpunten hebben ze voor elkaar opgesomd en bij wijze van ritueel hebben ze elkaar gesust. ‘Maar nee, jij ziet er toch goed uit!’ ‘Nee, jij ziet er goed uit!’ Weer kijken, weer de slappe lach. Altijd zijn ze samen in bed geëindigd. En de seks was nooit te onderscheiden van zelfbevrediging. Dat beeld veroorzaakt een streepje zweet dat tussen haar borsten loopt. Ze ruikt bloesems. Haar dijen ontspannen, alsof een hand haar daar strelen wil, alsof heel de stad haar daar strelen wil op aandringen van een onzichtbare Anna, haar spiegelbeeld.
De koffie wordt met amandelkoekjes geserveerd. De zon schijnt nog steeds volop. Iedereen beweegt loom. Een brokje geluk lost op in haar buik.
‘Wat is het leven toch mooi!’ zegt ze plots tegen de Poolse die de rekening brengt.
Ze wordt vragend bekeken. Aan de aanpalende tafeltjes kijkt er niemand op.
Een schuit vol met meiden pruttelt voorbij. Er staat ‘Dé tapas-boot’ opgeschreven in grote schuine letters. De vrouwen wuiven in haar richting. Ze kijkt even over haar schouder. Niemand wuift terug. Het gejoel en het wuiven is wel degelijk voor haar bedoeld. Een van de uitgelaten dames roept iets enthousiasts over haar jurk. Ze hebben allemaal waanzinnig grote zonnebrillen op en hun lippen zijn kersrood geverfd. Ze zijn omgeven door halfvolle flessen wijn en hapjes op kleine zilverkleurige schoteltjes die schitteren in de zon. De schipper is de enige die haar negeert en niet naar boven kijkt. De meiden blijven roepen. Ze gebaren haar naar beneden te komen. ‘Kom dan, lekker stuk!’ roept een van hen. Ze glimlacht, twijfelt. Maar dit is haar wereld en haar wereld draait weer. Ze is gezien. Ze kan er niet aan ontsnappen. Er weerklinkt gejuich als ze de trap afgaat en op de tijdelijk aangemeerde boot stapt.
De vrouw die haar hand uitsteekt en haar op de boot helpt zegt dit:
‘Hoe lang ben je al terug uit Barcelona, Anna?’
Utrecht.
Haar hoogstpersoonlijke city trip in eigen stad is afgelopen.
Eindelijk laat ze zichzelf herkennen.

Op dat moment, aan de andere kant van het water, toont een vrouw haar perfect wiegende kont.
Anna ziet haar niet.

 

Podcast voorgelezen door de auteur.