ik zit in de zee
de zee staat droog
kinderen dronken haar leeg
en toen was er niets
ik klim uit mijn wagen
mijn ogen zijn jong
uit het licht klimmen bladeren
op tegen de muur, rood
universiteit ligt in het verschiet
school is voorbij
en nu moet ik hier worden
wat ik wil zijn
wat denk je, vraagt mijn moeder
het ziet er goed uit
de gebouwen zijn netjes
ja
mijn moeder weet wat goed voor me is
mijn moeder is mijn herder
maar niet ieder schaap
slaapt in het midden van de kudde
ik was kind ik was wees
ik was dom ik was vlees
en gereed een geladen
kogel in de kamer
kennis in mijn hoofd
tenminste dat dacht ik
maar gauw zou ik beseffen
van het leven wist ik niets
schoten in de roos en vreugdevuren
waren nog lichtjaren weg
voorlopig het ongewone
alleen staan en vechten
koffers houden leven
binnen muren die lucht en plannen
en tuinen naar buiten rollen
ja
van cradock tot bedford
van bedford tot grahamstad
carlisle bridge en de visrivier
wolfsmelk en cactusvijgen
over kuilen door de hellepoort heen
waar spookhuizen stilzwijgend tellen
hoe de gombomen en de beesten
in het voorjaar staan te vervellen
een kraai in een jas van roet
op een paal in de grond
door het open venster wind
en hierbinnen muziek
dit landschap ken ik goed
maar ook dit betekent niets
nieuwe woorden voor nieuwe dingen
schroeien de groene scheuten dicht
ik ben in grahamstad al vier jaar
het worden er vijf
en op meer dan een manier
wordt dit mijn geboorteplek
printer uitladen uitpakken
tot ziens, vaarwel,
het dorp beweegt
als een hand vol mieren
gesprenkeld over mensen en daken
de kathedraal en de zon
beschaduwt de klokken
van de menselijke vooruitgang
over radioheads ok computer
waaruit de zoemende koelkast
de verbeelding opwekt
rond vingers in een pen
ja waarom woorden die ik niet ken
hoe dat komt weet ik niet
slechts een ding is zeker:
ik droom in inkt
de rest staat verminkt
tegen het hek en bloedt
het brein is kippengaas
op de bodem, sterren
een baby zet zijn eerste stap
zonder enig benul van usain bolt
misschien zijn we gered omdat we weten
dat de schildpad de haas verslaat
ik stap bergop
ik stap bergaf
ik sta vroeg op
ik slaap laat
les volgen en boeken lezen
muziek ontdekken en mensen
die naar je kijken alsof
je een vreemdeling bent
en jij naar hen
zimbabwanen en goths
hiphopkids en bungies
joburgers en mensen van hier
uit hetzelfde haar gesponnen
hier samengekomen
sommigen stinken sommigen mooi
in de kooi, zonder zich te schamen
hoog boven de oost-kaap bloeien
donderwolken uit het niets
de vervaarlijk grommende bliksem
schaduwt en zweeft
naar de tijdelijke droogte
komt het insect altijd
en het splijt de spiegel
de nacht wordt gillend wakker
een druppel water uit de lucht
en de vinken worden vissen
en de zon gaat liggen en baart
anemonen uit zijn buik
waar was je toen?
hoe heb je geslapen?
het duurt nog jaren
voor ik jou zal kennen
maar ergens heeft iemand
de kaarten al gedeeld
de dobbelstenen bestipt
gekerfd in het bot
hoe weten we wat er gebeurt
en hoe worden we wie we zijn
nee, we weten niets
de laatste twintig meters zijn geluk
intussen hebben de muskieten
die met geweren de grens overstaken
de biltong teruggesleept
en met twijgen hun sporen gewist
trofeeën aan de wanden
opgezet voor de eeuwen
enkel om in de kiem gesmoord te worden
zelf gebalsemd, gekist
dag in dag uit
de weken op de kerfstok
vettige kaif frieten
cricket op de great field
diep in de bibliotheek
tikt een bom en rondom
examenlokalen bomen
kaalgeplukt door herfst
maar muziek trekt onzichtbaar
door drank en sigarettenrook heen
en om de mondhoeken de glimlachen
in de breinen ritmes, ritmes
festivaltijd zuigt een mens zijn aders leeg
met kunst en samenkomsten en kinderen
zojuist verbonden met de tafelrestjes
in het nieuwe huis van de winter
dat wordt opengezet voor de mensen
die bij het haardvuur samenkomen
met open handen en hopend
op genezing, een hart tot leven geschopt
loer door elke deur
schud de handen van dikke truien
tot tassenberg je de moed geeft
om je eigen hart te bevrijden
gebogen over de microfoon
adem in het vuur
de jassen van de soldaten
werpen schaduw af tegen de muur
de mensen in het publiek
hebben neuzen oren en ogen
en elke laatst aanwezige
draagt in zich de moed om ook
de konijnen te plukken uit
de gehypnotiseerde hoed
uit het zuid-afrikaanse gemoed
dat hier zijn tent komt opslaan
cool ontploft automatisch
in je hoofd en dan
is de rest van je leven van jou
vergissingen op je voorhoofd, gedoemd
we raken mensen
die ons door het toeval zijn aangereikt
wat vergeten achterblijft
zal de toekomst uit ons wringen
zoals de ebbende vloed
de smeltende sneeuw de vreselijke vorst
wanneer de dag zijn zon laat wegsijpelen
in het bed van de nacht
maar eerst meer bier en shots
bij helder licht en de Union
de vic en cathcart arms
tin roof blues, pop-art
sons of trout en amersham
sugardrive en squeal
de dolly rockers en chris letcher
en matthew van der want
strompelen om elkaars schouders
broederliefde ploegt het land
in de verte blèrt een hadeda
dichtbij sjirpt een hond
langs new street en high
raglan duncan betram
beaufort en african
tegenwoordig winnie’s
de kaart zou onze geest bedekken
jaren later, verhalen korter
we vergeten en vergeven
we onthouden en we onthouden
nachten met wellington’s pies
op het bankje van de bp express
en het truukje om uit de koffiemachine
extra koffie te halen
en party’s flessen wijn
mountain drive old brown sherry
kaarslicht kampvuur op een krat zitten
morgen is een mythe
met een radio over de bergen
natte sporen uit de badkamer
afdrukken op het gras
tussen de tenen, stereo
wegvluchtend van wat we weten
geconfronteerd met de negatieven
van het opgedroogd zweet
dat aan onze koude gezichten kleeft
ik droom in de zoom van de zee
het lied deint op en neer
maar als ik wakker word
stil, de zachtheid verdwenen
dom strompel ik van lust
naar begeerte naar lust
ondergedompeld in het huis
met alle lichten aan
vermijd principieel maar niets
de staart is lang en slaat
als een zweep om je hals en voor je het weet
lig je met je zolen in de lucht
in de witgeverfde gezichten
naast de koude kathedraal
het tinnen gerinkel van munten
onder de zegeningen voor afrika
de torenspitsen mogen opwaarts
al bescherming van de hemel zoeken
voeten daarentegen zijn voor eeuwig
naar beneden gedrukt tegen teer
nu hameren ze ritmisch
de straten barsten
de geesten ontsnappen
handgeklap, handgeklap
zaagsel voor de regen
de vallei gevernist in mist
de nacht komt als een grot
dekens over ieders hoofd
je zou verwachten dat de voeten vertrappelen
maar ze voeren en voeden
iedereen die hier komt
en zij die blijven nog meer
laten iets van henzelf
achter op een straathoek en dan
als het dorp zijn gedachten verzamelt
strompelen ze rond, in goud geplaveid
mijn toorts is klein
het donker diep
geweven uit fijn gras een brug
uit het riet, tjiep, tjiep
iris open en dicht licht en donker
zwart en wit
de klank van jazz
carlo mombelli, god
de sterren staan voor ons stil
de kleine stad onze kroon
makanaskops kroezige
haar ontwaakt in de wind
bomen met takken tot waar de
waterhoudende grondlagen rustig slapen
houden baksteen en lantaarnpaal en
steen en cement tezamen|
buiten blazen ezels
op saxofoons en tranen
over zinken daken en houtvuren
vleermuizen als kost
rook is van het land de warmte
waaronder witte ogen loeren
naar tien vingers geklemd rond een kopje
kloppende harten biddend naar het noorden
wat als we eeuwig moeten leven
waar de zee het land ontmoet
opwarming van de aarde en oorlog
en voor niets enige levenslust
zouden we misschien overlopen van herinneringen
zou lachen een saaie boel worden
of zouden we huilend in onze slaap
ons verdriet te dicht bij ons houden
maar neen, de wind
in de wind verslind
je mijn kind, de vonken
de pijlpunten, jij mijn kind
in het ontkomen aan een zoen
en in het kortstondige verblijf
de manieren en scharnieren
en o, de verrukking
om voorover te tuimelen
om tong aan tong te versmelten
en het roomijs van onze lijven
op te likken tegen de duinen
rechtop staan op de board
met de zon in je rug
en het land links voor je
de golf is een brug
waarop je voor altijd de ridder
zou kunnen spelen en roepen
ware er geen zwaartekracht
noch haaien noch zinkende sloepen
onder de herfstbladeren
onder de hoogstraat
zwemmen speerpunten en benen
temidden van de graven van gisteren
de geschiedenis heeft gemeend
dat wij op een dak staan vandaag
dat we dagga kunnen roken en samen
in de straten kunnen lopen met een lach
is het dan niet wonderlijk
dat voetballen en rugbyballen
niet stuiteren
op dezelfde manier?
dat tijd het zelf wel uitzoekt
en de dood naakt rondloopt
en zijn hoofd door tunnels steekt
en zijn tong uitsteekt voor de lol?
ja we denken dat we weten
denken dat we kunnen
maar als de wekkers afgaan
kussens op ons hoofd, kussens op ons hoofd
en de wijdere wereld
van soedans en iraks
aardbevingen en overstromingen
armoede en ziekte
congo en somalië
en alleen maar zij die bedelen
bij de shoprite en de spar
hartzeer en verdriet
dat rondcirkelt over de heuvels
en de ananasplantages
de vlaggen hangen halfstok
wachtend op onze hulp
lagergelegen boerderijen in albany vol rumoer
moord en verkrachting
en aids stomen door het land
tot op elk vierde van alle gezichten
maar wacht eens even
waarom al dat berouw
we lachen en leven
over wat kan en wat zou
in de warme vouw van de hand
waar elk zich in zichzelf bevindt
en een kruispunt kiest en naar
de toekomst toeloopt blij maar blind
met de zee die aldoor weer
nat wordt van die pijnen
en de stranden glimmen, glimmen
eilanden doet verdwijnen
waarom dan nu de kronkels volgen
brandstichting, deuren intrappen,
knopstokken in de aanslag
tequila’s door je ogen drinken
door je hand op te steken voor nieuw bloed
het rijkelijk doen vloeien en een borst te voeden
zij aan zij door de straten
uitgelaten, uitgelaten
de huid onder de tong
die naar zoetheid smacht
in de hangmat terwijl
de bands beginnen te spelen
heuveltje op en heuveltje af
duiven tegen de voorruit
en mokador en jagermeister
we winnen, we winnen
gorgel de visgraten naar beneden
de klipdassen uit hun holen
de schoten slaan om de oren
van de springbok nude girls
nu ik weet waar je was
op het strand misschien, aan de waterkant
besef ik wat me ontbrak
waarom jij moest komen
ja, sommige leiden me ver
maar elke weg heeft zijn wrakhout
zijn foto’s en rustpunt
en een nieuw duwtje naar jou
zo moesten sneeuw en in hemelsnaam
forel en bier en sturen met de linkerhand
samen met wonder en droom
worden doorstaan, genoten
maar daarvoor ontmoeten wij
elkaar nog altijd haast verbaasd
jij meer dan ik
ik eerder verdwaasd
maar je armen reiken over de tafel
naar mijn handen
houden me vast
houden me hier
zie ons daar nu
elke plooi uit ons gezicht gestreken
alleen maar zo dat nieuwe rimpels
de wereld weer kunnen verrijken
ik pleit bij jou, ik smeek
breng je lippen in mijn oor
draag je glimlach op je hoofd
pak de dag bij zijn kraag
ik ben hier als je me zoekt
onder je haar, in je schoen
tussen je vingers en je tenen
elke oogwenk sla ik op
van bij het ontwaken tot het slapengaan
weet ik waar jij woont
en in mijn ribbenkast druppelt de zon
en last de vorm van een bloem
in grahamstad ligt het kruispunt
van toeval en geluk
arm in arm langs de straten
zingend voor de president
in grahamstad worden de mensen
wakker in hun slaap
ze dromen de dag weg
het dorp is hun zee
mijn zee is nu weer vol
en alles begon hier
hoe wist je dat?
hoe wist je dat?
Vertaling door Koen Stassijns
Koen Stassijns (1953) is fulltime dichter, vertaler, bloemlezer, performer en een veelgevraagd docent ‘literaire creatie’. Zijn recentste dichtbundels Paard van glas (1993) en Zwijghout (2000) verschenen bij uitgeverij Atlas in Amsterdam en kenden verschillende herdrukken. Samen met zijn vriend en collega Ivo van Strijtem bouwt hij als bloemlezer verder aan de gereputeerde reeks De mooiste van... (Lannoo, Atlas) met vertaalde poëzie van Goethe, Tagore, Neruda, Heine, Brecht, Petrarca, Dickinson, Ungaretti, Hesse, Yeats, Stevens en anderen. Met Geert van Istendael vormt hij een vertaalduo en vertaalde hij vele Waalse dichters, poëzie van W.B. Yeats en van Bertolt Brecht en diens leerling Heinz Kahlau, evenals chansons van Jacques Brel.
Podcast voorgelezen door Hannes Adriaens





