Ik: Hebt u last van de recorder? Ik kan anders ook aantekeningen maken als u wilt.
Clarisse: Nee, hoor. Ik doe liever niet het licht aan, zolang het nog niet helemaal donker is buiten.
Ik: Fijn dat u me wilde ontvangen. U vond het zeker wel een beetje een buitenissig telefoontje toen ik u belde.
Clarisse: Mijn man is schilder en mijn zoon wiskundige, ik vind niet snel iets buitenissig.
Ik: Zijn de schilderijen van uw man?
Clarisse: Allemaal, behalve die daar, die heb ik gemaakt.
Ik: Prachtig.
Clarisse: Dat is niet waar, maar toch bedankt. Er is een periode geweest waarin Pieter nog zijn best deed om mij en zichzelf ervan te overtuigen dat ik enig talent had, maar hoewel liefde tot veel in staat is…
Ik: U hebt een heel gezellig huis.
Clarisse: Dank u wel, ga zitten, anders staan we hier zo.
Ik: Goed, ik ben u wel een verklaring verschuldigd.
Clarisse: Ik luister.
Ik: Allereerst moet ik u een leugentje opbiechten: ik ben geen journaliste zoals ik aan de telefoon zei.
Clarisse: O nee?
Ik: Nee, ik doceer Franse literatuur aan de universiteit van Marseille en sinds een paar maanden werk ik aan een biografie over mijn vader… Waarom lacht u?
Clarisse: Ik geloof dat ik het al begrijp.
Ik: Ja?
Clarisse: U spreekt dan wel vloeiend Frans, maar een Italiaanse haal ik er nog altijd zo uit. Een Nederlander of een Duitser had me nooit gevraagd van wie de schilderijen zijn, terwijl wij altijd met een onbeduidend detail beginnen. Hier vinden de mensen dat maar eigenaardig, een vreemde gedachtekronkel, soms charmant, maar over het algemeen afkeurenswaardig. Gelukkig behoorde mijn man tot de eerste categorie.
Ik: Maar u bent in België geboren.
Clarisse: Jawel, maar ik heb de Italiaanse trekken van mijn oma geërfd. Mijn zoon heeft daar niets van, bij hem hebben de genen van zijn vader de overhand.
Ik: U hebt psychologie gedoceerd, dan pik je sommige dingen sneller op.
Clarisse: Ach nee, ik gaf Freud aan zestienjarige meisjes die vooral geïnteresseerd waren in de interpretatie van dromen en die wilden weten of hun vriendje hen bedroog. Met hoeveel mensen hebt u tot nu toe contact gezocht?
Ik: Een stuk of twintig.
Clarisse: Dat zijn er heel wat, hoe hebt u die uitgekozen?
Ik: Ik ben op zoek gegaan naar mensen die momenten van intimiteit met hem hebben gekend, mensen die niet per se iets met het schrijven te maken hadden. Er zijn al wat literaire kritieken en een paar biografieën over hem geschreven. Ik kies in mijn boek voor een andere invalshoek.
Clarisse: Is dit een opdracht van een therapeut? Onuitgesproken zaken met uw vader? Begrijp me goed, ik vraag het uit interesse, niet beroepshalve.
Ik: Ik snap het, maar er zit geen therapeut achter. Toen mijn vader overleed was ik zeven jaar, een tijd lang volstonden de liefdevolle herinneringen die ik aan hem had, daarna ben ik zijn boeken gaan lezen en meende ik hem beter te leren kennen, maar toen ik volwassen werd begon ik me te realiseren dat we allemaal een kamer hebben die ontoegankelijk is voor onze kinderen, en als we schrijver zijn ook voor onze lezers. Het is een kamer waarin alleen intieme vrienden en wat geliefden worden toegelaten. Het ergste van op jonge leeftijd een ouder verliezen is het risico dat de deur van die bewuste kamer voor jou altijd op slot blijft.
Clarisse: En uw moeder?
Ik: Toen mijn vader stierf waren ze al vier jaar gescheiden, en ze hebben nooit een hechte band gehad. Het beeld dat mijn moeder van hem heeft is volgens mij niet erg objectief. Ik wil niet per se zeggen negatiever dan de werkelijkheid, maar hoe dan ook vervormd.
Clarisse: En hebben de mensen die u hebt geïnterviewd iets interessants verteld
Ik: Eerlijk gezegd hebben slechts zes van de twintig mensen die ik heb opgespoord met een ontmoeting ingestemd. Het standaard antwoord luidde: “Ik geloof niet dat ik u kan helpen, daarvoor heb ik hem te slecht gekend”. Ik denk dat mensen zich ongemakkelijk voelen tegenover de dochter van een man. Alsof ze bang zijn een kerststal te vertrappen. Daarom deed ik me voor als journaliste. Mensen praten vrijer tegenover iemand die geen band heeft met de persoon in kwestie.
Clarisse: Mag ik vragen hoe u bij mij bent uitgekomen?
Ik: In de tijd die hij hier in de zomer van 2011 doorbracht, maakte mijn vader notities in dit boekje.
Clarisse: In dat boekje?
Ik: Ja, herkent u het?
Clarisse: Nee, ik geloof niet dat ik het ooit heb gezien.
Ik: Er staan afspraken in, tijden, buslijnen, telefoonnummers en een heleboel aantekeningen voor het verhaal dat hij na zijn thuiskomst in Italië zou gaan schrijven. Een verhaal dat hij, zoals u weet, nooit heeft geschreven.
Clarisse: Ja, ik hoorde de dag na zijn vertrek van het ongeluk. Het instituut belde me.
Ik: Tussen de aantekeningen in zijn boekje trof ik uw voornaam aan: Clarisse. Daarop heb ik het instituut gebeld: de secretaresse vertelde me wie u was. Ik begrijp dat u vaker voor ze werkte?
Clarisse: Af en toe, al was het niet echt een probleem om in Charleroi iemand te vinden die Italiaans sprak. In het geval van uw vader deden ze een beroep op mij, vanwege mijn letterenachtergrond. Er werd bij ons thuis veel Italiaanse literatuur gelezen: mijn moeder was lerares, mijn vader hoofdredacteur van een tijdschrift.
Ik: Wat was het voorstel van het instituut?
Clarisse: Ze zeiden dat er een Italiaanse schrijver was die voor twee weken in Charleroi verbleef en wat lezingen en interviews zou moeten doen, maar zijn Frans was belabberd en zijn Engels niet toereikend.
Ik: Had u ooit van mijn vader gehoord, als schrijver bedoel ik?
Clarisse: Nee, ik kende hem niet en ik ben eerlijk gezegd ook niet op internet gaan kijken hoe hij eruitzag en wat voor boeken hij had geschreven. Dat zijn van die dingen die schrijvers van je verwachten: dat je op zoek gaat naar hun gegevens.
Ik: Wat was uw eerste indruk van hem?
Clarisse: We ontmoetten elkaar in de hal van de conferentiezaal, een kwartier voor aanvang. Hij was lang, mager en veel sportiever dan je van een schrijver zou verwachten. Het was een beetje een contradictie, alsof de schrijver en het lichaam dat hem omhulde niet bij elkaar pasten. Hebt u nog andere vrouwen geïnterviewd?
Ik: Vier.
Clarisse: Heeft een van hen iets dergelijks gezegd?
Ik: Nee.
Clarisse: Waarom lacht u?
Ik: Een van hen zei wel dat er een golf van opwinding door haar heen ging toen ze de armen van mijn vader voor het eerst zag.
Clarisse: Een golf van opwinding? Jeetje, heeft ze dat echt zo geformuleerd?
Ik: Ja, dat was de uitdrukking die ze gebruikte. Ik weet het precies, omdat ik de tekst een paar dagen geleden nog heb getranscribeerd.
Clarisse: Nou, dan was die mevrouw behoorlijk van haar stuk. Als u zo’n uitspraak van mij verwacht, komt u van een koude kermis thuis. Ik wil me vrij voelen om bepaalde details onbesproken te laten. Dat heb ik niet van tevoren aangegeven, maar het lijkt me voor zich spreken.
Ik: Natuurlijk. Hoe verliep de lezing?
Clarisse: Anders dan iedereen had verwacht.
Ik: In welk opzicht?
Clarisse: Uw vader was als schrijver twee weken lang te gast in de stad. Zijn boeken waren niet bekend in België, dus het lag voor de hand dat de voordracht over zijn indrukken van Charleroi zouden gaan. Uw vader was eerlijk, dat kan niemand hem verwijten, maar mijns inziens was hij te hard, te veroordelend. Er bestond enige beroering in de zaal: niemand vindt het leuk als je iemand te eten vraagt en dan te horen krijgt dat de inrichting van je huis niet deugt of dat je de verkeerde gerechten hebt gekozen. Maar uw vader vertrok geen spier en ging gewoon door.
Ik: Het was dus geen aangename avond.
Clarisse: Dat is niet helemaal waar. Het was een interessante avond. Uw vader stelde heel veel vragen aan het publiek en de mensen trapten in zijn valstrik.
Ik: Welke valstrik?
Clarisse: Hij was niet echt geïnteresseerd in wat de mensen hem te vertellen hadden. Maar door hen aan het woord te laten, kon hij zich zelf op de vlakte houden en daar was hij heel goed in: het publiek ging tevreden naar huis, in de overtuiging dat ze te maken hadden gehad met een open, belangstellende schrijver, echt een zeldzaamheid.
Ik: Was hij dat dan niet?
Clarisse: Hij was een oprecht man met een sterk plichtsbesef: hij wist dat het bij zijn werk hoorde om lezers te ontmoeten en hij vond het prettig als men na zo’n ontmoeting een goede indruk van hem had, maar hij was niet iemand die het belangrijk vond “om zichzelf te verkopen”. Zoals een beroemd psychiater eens zei: “Hij had wachters bij de poorten van zijn stad neergezet, om de lastposten op een afstand te houden en zich te kunnen concentreren op wat hij belangrijk achtte”.
Ik: Dus hij kwam koeltjes over?
Clarisse: Dat zou ik niet zeggen. Hij was iemand die de mensen in de woonkamer kon onderhouden en tegelijkertijd boven met zijn eigen dingen bezig was. Om zoiets te kunnen moet je over veel energie beschikken, en iemand met zoveel energie kun je onmogelijk een koele man noemen. Sterker nog, ik denk dat uw vader zich volledig kon geven, als hij maar vond dat de persoon of het project in kwestie dat waard was. Hij kon muren neerslaan of opbouwen waar anderen geen idee van hadden. Aan de andere kant kon hij zo meedogenloos zijn als een opgedroogde fontein. Voor smeekbedes was hij totaal ongevoelig.
Ik: Wat waren de dingen die hij belangrijk vond, volgens u?
Clarisse: U was belangrijk voor hem, de familielijn, het vlees en bloed, het lichaam, moed, plichtsgevoel, vuur, de overwinning en de nederlaag, de eenzaamheid en de zeldzame momenten waarop je het idee hebt die te kunnen overwinnen: dat waren denk ik de dingen die voor hem telden.
Ik: En het schrijven niet?
Clarisse: Het schrijven was slechts een vehikel, een lapmiddel. Hij was in wezen een primitieve man: wat hij van waarde achtte was reeds lang voor het schrijven ontstaan.
Ik: Primitief?
Clarisse: Hij leefde in onze tijd, maar in hem voerden de sporen van een oerdrift de boventoon. Als je bij hem was, voelde het alsof je bij een steen, een boom, of een droge rivierbedding stond: dingen die te maken hebben met de nacht der tijden.
Ik: Wat gebeurde er die avond verder na zijn lezing?
Clarisse: We gingen uit eten: de directeur van het instituut, diens vrouw, uw vader en ik. Uw vader had een bezoek gebracht aan Le Bois Du Cazier, waar de vader van de directeur had gewerkt. Hij stelde vragen over onze ouders, over hoe ze in Charleroi waren beland. Hij wilde weten hoe de stad veranderd was. Waarom de industrie was ingestort. Hij was trouwens ook heel geestig.
Ik: Mag ik u een van de aantekeningen voorlezen die hij in die dagen over Charleroi heeft geschreven?
Clarisse: Ja, ga u gang.
Ik: “Op alle gezichten, trottoirs en etalages toont Charleroi de hardheid van haar bestaan, dat nooit van een leien dakje gaat, nooit een duwtje in de rug krijgt, maar zich strompelend voortsleept, met horten en stoten, terrein verliezend om het daarna met dezelfde volharding weer terug te winnen, voortdurend op het punt om zich over te geven, maar toch altijd doorploeterend.”
Clarisse: Hij kwam hier in augustus, de stad was leeg, de studenten waren weg en de inwoners die het zich konden veroorloven waren met vakantie. Ik denk dat dat zijn perceptie van de stad nogal heeft gekleurd. Hij zag haar als een plek in verval.
Ik: “De taxichauffeurs in Charleroi weten nooit waar een plek is, waar een straat is. Ze tikken de namen in hun navigatiesysteem, maar ook dat herkent ze niet. Bestemming onbekend. Dan bellen ze naar de centrale, ze bellen hun collega’s. De taxichauffeurs in Charleroi tasten in het duister. Langs de trottoirs vooral veel winkel die koffers verkopen en veel reisbureaus. Je krijgt indruk van een stad die de mensen willen verlaten, de rug toekeren, maar waarvan de uitgangen zorgvuldig zijn weggestopt achter herinneringen, gehechtheid, familie, arbeiderstrots, plichtsbesef, nostalgie, het verleden.”
Clarisse: Zoals ik al zei, hij was te hard. Te nietsontziend, maar ik denk dat dat een karaktertrek van hem was.
Ik: Wanneer zagen jullie elkaar weer terug?
Clarisse: De dag erna zijn we samen gaan lunchen. Waarom ik ja heb gezegd weet ik niet. Het is zo cliché: eenzame schrijver, gescheiden, werpt een lijntje uit naar meisje uit de streek dat Italiaans spreekt, zodat hij zich niet in allerlei bochten hoeft te wringen in een taal die niet de zijne is.
Ik: Dus hij belde u?
Clarisse: Ja, hij belde me ’s ochtends op en zei dat hij graag met me wilde lunchen. Hij bood aan om zelf wat te koken in het appartement waar hij verbleef, maar het leek me beter om in het centrum af te spreken.
Ik: En dus gingen jullie uit eten.
Clarisse: Ja, in een Frans restaurant.
Ik: Ik lees hier: “Frans restaurant, mosselsoep met gesmolten kaas. Niet te pruimen. Je gaat naar buiten met een gevoel van spijt. In deze stad is het eten verschrikkelijk. Erger dan verschrikkelijk, het is gewoon onzinnig en ongezond”, zou dit op die lunch kunnen slaan?
Clarisse: Nee, ik kan me niet herinneren dat we iets dergelijks hebben gegeten. We hadden overigens genoeg andere dingen om ruzie over te maken.
Ik: Maakten jullie ruzie?
Clarisse: Ja, ik vooral met hem, hij zat me alleen maar geamuseerd aan te kijken nadat hij het lontje had aangestoken.
Ik: Wilt u vertellen hoe dat ging?
Clarisse: Ik weet niet hoe we erop kwamen, maar uiteindelijk kregen we het over het feit dat ik niet uit Charleroi weg wilde, terwijl ik in Brugge een baan aangeboden had gekregen. Zijn stelling was dat steden als voorwerpen zijn: als je ze niet meer nodig hebt moet je ze kunnen afdanken. Deze stad had zijn tijd gehad, zei hij, en ook al had ze mijn grootouders hoop en een toekomst geboden, het had geen zin dat ik hier bleef om haar te zien sterven. Daar deed ik niemand een plezier mee, ook mijn grootouders niet.
Ik: En toen was u geïrriteerd.
Clarisse: En of ik geïrriteerd was. Hij kon iets zo overtuigend brengen dat het heel aannemelijk werd, ook al sloeg het nergens op. Het eten lag me ook zwaar op de maag. Thuis ben ik een uur yoga gaan doen. Dat deed ik vaak, toen was ik nog fanatiek.
Ik: En hij?
Clarisse: Hij had nog wat afspraken, met nakomelingen van Italiaanse immigranten. Ik kan me overigens niet voorstellen dat dat het onderwerp zou worden van het verhaal dat hij van plan was te schrijven. Dat lag te zeer voor de hand.
Ik: Wanneer sprak u hem weer?
Clarisse: Hij belde me nog dezelfde avond op: hij wilde de volgende dag naar Oostende gaan. Ik zei nog dat er misschien betere opties waren, maar zijn besluit stond vast. Eigenlijk moest ik wel om hem lachen. Uiteindelijk nam ik zijn uitnodiging aan, ik had het instituut tenslotte beloofd om hem te begeleiden, maar ik maakte meteen duidelijk dat ik voor het avondeten terug moest zijn. Mijn ouders kregen vrienden over de vloer die ik een tijd niet had gezien.
Ik: Gingen jullie met de auto of met de trein?
Clarisse: Met de trein, en toen we daar waren hebben we de hele middag gewandeld. We liepen over het strand van Oostende naar het volgende plaatsje. Het was een grijze dag in augustus. En hij leek precies te hebben gevonden waarnaar hij op zoek was: een groot strand, een loodgrijze zee, de koude wind en een vrouw met wie hij hand in hand kon wandelen.
Ik: Hand in hand? Was u dan niet meer geïrriteerd?
Clarisse: Uw vader was net een hond, of een vogel, hij had geen bepaald doel voor ogen, geen bijbedoelingen. Boos kon je niet op hem worden. Je kunt niet echt kwaad op een hond worden, je beslist of je hem wilt of niet, maar als je dan besluit om hem te houden, moet je het hem niet kwalijk nemen als hij aan het kleed gaat liggen knagen.
Ik: Waarover hadden jullie het tijdens de wandeling?
Clarisse: Hij was aan het woord: hij vertelde over u, over het huis dat hij net had opgeknapt, over een oude vriend die zat verstikt in zijn huwelijk. Ik hield alleen zijn hand vast. Toen we in het plaatsje aankwamen was het al laat, en hij zei dat hij zin had om een kamer te nemen en te vrijen.
Ik: Zei hij dat zo?
Clarisse: Ja, hij zag er geen kwaad in om gewoon te zeggen wat hij wilde. Hij was niet bang om afgewezen te worden: het was zijn manier van in het leven staan, de enige manier die hij kende. Ontwapenend, nietwaar?
Ik: Maar u had toch een etentje met vrienden?
Clarisse: Ik belde dat ik niet terug zou komen. Ik verzon dat er een lezing was en we bleven twee dagen in dat onbeduidende dorp, we aten, kletsten, bedreven vaak de liefde en dronken wijn. Waarschijnlijk alles waarnaar hij verlangd had vanaf het moment dat hij dat dorp had gezien, en al was het niet zaligmakend, op dat moment verlangde ik er ook naar.
Ik: Ik voel me een beetje opgelaten.
Clarisse: Ik kan u vertellen dat hij alles met dezelfde ongedwongenheid deed als eten, lopen en slapen, als u daarop doelt. Het was een natuurlijke handeling voor hem, zonder onderliggende gedachtes. Zonder ingewikkeld gedoe. Zoals je een hond aait, een baby oppakt, of op een stuk brood kauwt.
Ik: En daarna gingen jullie terug naar Charleroi?
Clarisse: Ja, met de trein, zwijgend in elkaars armen. Buiten regende het. Het had ongemakkelijk, sentimenteel of melodramatisch kunnen zijn, maar het was niets van dat alles. Met hem waren de dingen gewoon wat ze waren. Het regende, in de wagon was het koud, we zaten dicht tegen elkaar aan en we hadden geen behoefte om iets te zeggen. Na twee van die intense dagen viel er even niets aan toe voegen. Elke gedachte was ten uitvoer gebracht, onze hoofden waren leeg. Weet u wat hij tegen me zei toen we op het station van Charleroi aankwamen?
Ik: Nou?
Clarisse: Voordat hij op de bus stapte, keek hij naar een groepje jongeren en zei: “De studenten zijn terug, misschien heb ik te vroeg geoordeeld over deze stad.” Hij glimlachte, twee dagen later vertrok hij.
Ik: Hebben jullie elkaar de volgende dag niet meer gesproken?
Clarisse: Nee. Die donderdag belde het instituut en kreeg ik te horen van het ongeluk, waarna ik tot op de dag van vandaag niet meer over hem heb gepraat.
Ik: Met niemand?
Clarisse: Nee.
Ik: Waarom niet?
Clarisse: Al had ik twintig jaar met hem doorgebracht, dan had ik niet meer gekregen dan wat ik in die twee dagen heb gehad. Dit was wat hij te bieden had, tenminste, naar mij toe. En zo was het ook voor mij. Dat soort mannen heb je: als je dat niet aanvoelt en te veel van ze wilt, kunnen ze meedogenloos worden. En dan bewaar je dus een beeld van hem als een kille, gesloten en wrede man, iets wat ik, zoals u ziet, niet heb gedaan. Ik denk dat ook hij goede herinneringen aan mij zou hebben bewaard, maar ook als hij nog lang was blijven leven zouden we elkaar niet meer hebben teruggezien. Of op zijn hoogst pas na vele jaren, en dan weer voor twee dagen zo ongeveer als toen.
Ik: Het klinkt allemaal heel wijs.
Clarisse: Ben je mal, dit zijn afwegingen die je pas achteraf maakt, dan is het makkelijk.
Ik: Ik moest maar weer eens opstappen, het is etenstijd en ik heb u lang genoeg lastiggevallen. Wanneer ik het interview heb uitgeschreven, zal ik het opsturen, zodat u nog dingen kunt wegstrepen of verbeteren die u niet bevallen.
Clarisse: Dat is niet nodig. Ik vraag u wel om alleen mijn voornaam te gebruiken. Niet mijn achternaam, die is van geen belang.
Ik: Akkoord. Ik zou het leuk vinden om u nog eens te spreken.
Clarisse: Ja, dat zou leuk zijn, maar dat zal niet gebeuren.
Ik: Hoezo niet?
Clarisse: Omdat u op uw vader lijkt. En trouwens, is het niet veel mooier afscheid nemen wanneer je weet dat het echt een afscheid is?
Vertaald door Pieter van der Drift
Pieter van der Drift (1965) studeerde in Nijmegen en Rome, Mediterrane Studies en Italiaanse taal- en letterkunde. Na een korte carrière als ondertitelaar stortte hij zich op het literair vertalen, soms samen met zijn partner Manon Smits, maar meestal alleen. Naast een aantal kinderboeken zoals De laatste elf van Silvana de Mari en de Century-reeks van Pierdomenico Baccalario, vertaalde hij onder andere De huid van de draak van Giuseppe Genna, De zus van Mozart van Rita Charbonnier, Van acquit van Pietro Grossi en natuurlijk Een ochtend in Irgalem en De steeneter van Davide Longo. Momenteel is hij bezig met Longo’s derde roman L’uomo verticale.





