Het eerste woord dat hij hen leerde schrijven was: hond. Het tweede: vrede. Ze moesten het tien keer per dag opschrijven, in blokletters en aan elkaar, en hardop zeggen voor het slapengaan en bij het opstaan. In plaats van ‘Goedemorgen, meester’ als ze de klas binnenkwamen en in plaats van ‘Tot ziens, meester’ voor ze naar huis gingen.
Het derde, vierde en vijfde woord waren: hun eigen naam, reis, en paard. Daarna kwamen: Utrecht, kanalen, bloemen, bergen, Zwitserland, vogels, Duitsland, meester, voorouders, Nederland en het werkwoord zijn in de tegenwoordige en verleden tijd. De werkwoorden hebben en willen hoeven niet te worden geleerd, zo zei hij, omdat ze, net als onkruid in de moestuin, vanzelf groeien.
In oktober leerde hij ze de dienstregeling van de bus te lezen en hondenrassen te onderscheiden; in november de maancyclus en zelf veters strikken. In december de namen van de bomen en besluiten of ze tot de gekamde of ongekamde mensen wilden behoren, een keuze voor het leven zodat je er nooit meer over na hoefde te denken. Vervolgens een liedje van de Beatles, het verschil tussen een regenachtige dag en een hoosbui, en de getallen tot en met honderd. En optellen en aftrekken. Omdat je het wel redt in het leven, zei hij, als je de windrichting, een goed lied en de getallen tot en met honderd kent.
‘Trek allemaal je jas aan,’ zei hij tegen ze.
‘Maar meester, het regent buiten!’
In rijtjes van twee nam hij ze mee naar het asiel.
‘Vertel eens Luigi, wat zit er in die hond?’
‘In die, meester, zit iets van een setter, een Duitse herder en een keeshond.’
Of ze wandelden langs de rivier de Serio, door de bossen vanwaaruit ze de huizen van het dorp konden onderscheiden.
‘Die wolk daar in de verte, Penelope, wat is dat?’
‘Dat is een cumulonimbus,’ meester.
‘En wat wil dat zeggen?’
‘Dat er een flinke onweersbui aankomt.’
Om een uur keerden ze terug naar school, nat van de regen of met rode wangen van de zon.
‘Kijk, de rattenvanger van Hamelen!’ zeiden de mensen in het café lachend als ze hen voorbij zagen komen. ‘Kijk, fluiter Utrecht met zijn flierefluitertjes,’ zeiden ze. Maar hij en zijn kinderen zwaaiden vriendelijk en riepen: ‘Vrede’.
In het tweede jaar waren de vakken: lezen, aardrijkskunde en opstellen schrijven.
Meester Utrecht las de klas elke dag twee uur lang voor uit de verhalen van zijn voorouder, Conte Annibale Maffei di Boglio, grootmeester van de Piemontese artillerie, die twee boekdelen had geschreven over zijn reis naar Utrecht in 1712, als gevolmachtigde van Victor Amadeus II van Savoye, ter gelegenheid van de ratificatie van de beroemde Vrede. De meester had het kostbare boekwerk bij een veilinghuis in Genève gekocht en het eigenhandig uit het Frans naar het Italiaans vertaald.
De kinderen smulden van zijn verhalen, over hoe Conte Annibale Maffei de Alpen was overgestoken samen met de twee andere plenipotentiarissen van de koning, over de poststations, over de landschappen en de Duitse zeden en gewoonten, tot aan zijn aankomst in Utrecht waar hij langer dan een jaar verbleef in een prachtige herberg niet ver van de Domtoren. De verbeelding van de kinderen werd geprikkeld terwijl ze luisterden naar de beschrijvingen van de feesten en de schouwspelen die de stad organiseerde ter vermaak van de diplomaten die uit heel Europa waren gekomen met een groot gevolg van bedienden, kappers, stalknechten, echtgenotes, minnaressen, kinderen, kwartiermeesters en gezelschapsdames.
‘Hoe zag die Conte Annibale Maffei er eigenlijk uit? Jong of oud?’ vroeg een van de kinderen uiteindelijk altijd wel.
Dan liet de meester het portret van zijn voorouder zien, geschilderd aan het begin van de achttiende eeuw door een anonieme Piemontese schilder van de Franse school. Een doek dat hij uit een privécollectie had aangekocht voor een bedrag dat overeenkwam met meerdere jaarsalarissen.
Aan het eind van het jaar liet meester Utrecht zijn leerlingen een opstel schrijven met de titel: ‘Wat me het meest getroffen heeft in het verhaal van Conte Annibale Maffei, voorouder van onze meester’.
Een van deze opstellen werd door politieagent Bram van der Drift aangetroffen in de binnenzak van de jas van de onderwijzer. Onderaan stond: Pietro Gusmini, klas II A, jaar 2004.
Opstel: ‘Onze meester heeft een voorouder gehad die Conte Annibale Maffei heette, grootmeester van de Piemontese artillerie, wat wil zeggen dat hij tegen de mannen achter de kanonnen zei wanneer en welke kant ze op moesten schieten. Conte Annibale Maffei, voorouder van onze meester, die ik heel aardig vind en waar ik graag samen dingen mee doe, maakte een reis naar Utrecht, dat is in Holland, waar de koningen van Europa op hem zaten te wachten rond een tafel, ze vochten al heel, heel veel jaren een oorlog en wilden het liefst dat er een einde aankwam, maar niemand durfde te zeggen: “Het was mijn fout.” Pappa en mamma ruziën ook vaak omdat ze allebei niet kunnen zeggen “Het was mijn fout”, maar toen zijn ze naar de spycholoog voor getrouwde mensen gegaan, dat is iemand anders dan die voor mensen waarbij een schroefje los zit, en de spycholoog heeft gezegd: “Jullie moeten leren zeggen ‘Het was mijn fout!’ En geef me nu maar tweehonderd euri en ga naar huis.”
Het ging best goed met mijn ouders tot vorig jaar zomer, toen zijn ze gescheiden. Ik woon bij mama, maar papa overhoort me altijd omdat hij leraar op een middelbare school is. Als hij mijn schriften inkijkt zegt hij: “Alweer die onzin over Utrecht!”
Hij zegt dat het boek van Conte Annibale Maffei geen geschiedenisboek is en dat we dingen moeten lezen die bij onze leeftijd passen. Ik vind het boek van Conte Annibale heel erg leuk omdat het vol met avonturen staat. Het leukste vind ik wanneer hij vertelt over de vergaderingen van de pleuripotentiarissen van de koningen die ruzieden omdat de ene zei “Ik wil Sicilië,” en de ander zei “Ammehoela! Als je Sicilië wilt moet je me een stuk van Amerika geven.” Toen zei een derde: “Amerika kan niet, dat hebben we al aan iemand anders beloofd, je kunt op zijn hoogst de helft van Holland krijgen.” “Maar dan wel met de vloot erbij?” “Ja, ja, met de vloot.” “Dan is het goed.” “We zijn het eens geworden, laten we ermee stoppen voor vandaag, kom allemaal bij mij eten!” “Ik neem de aardappels mee.” “Nee, die neem ik mee.” “Jij hebt Gibraltar en Minorca al, ik neem de aardappels mee. Doe jij de wijn maar.” “Ben je gek geworden? Weet je wel wat wijn kost in Holland? Als ik de wijn moet meenemen, wil ik op zijn minst Newfoundland.” En zo gingen ze de hele avond door, daarna werd er meestal gedanst of gekaart of waren er voorstellingen. Op een avond verdronk er een in het kanaal omdat hij te veel gedronken had. Alleen zijn pruik bleef op het water drijven, die stuurden ze naar zijn vrouw met de mededeling dat ze de rest van haar man niet meer hadden gevonden.
Mijn papa zegt dat ik niet naar die verhalen moet luisteren omdat u ze verzonnen hebt. Hij zegt dat u nog nooit in Utrecht bent geweest en dat die Conte Annibale Maffei misschien niet eens uw voorouder is.
Mij maakt het niet uit: ik vind het schilderij van uw voorouder dat in de klas hangt heel mooi en als ik groot ben wil ik gaan kijken of de mensen in Utrecht echt met de boot boodschappen doen. Niet dat ik u niet geloof, maar het is altijd beter om iets met eigen ogen te zien.
Ik vind het jammer dat u volgend jaar onze meester niet meer bent en dat ze u alleen het eerste en het tweede jaar laten doen, omdat ze zeggen dat de kinderen daarna iemand nodig hebben die ze voorbereidt, omdat we ons anders belachelijk maken op de middelbare school met die verhalen over Conte Annibale Maffei. Ik geloof u wel, meester Utrecht, en het kan me niks schelen als ze u voor de gek houden. Als ik later groot ben word ik zeeman, ook al komen we uit de bergen, en dan noem ik mijn schip Utrecht. Of anders loodgieter, net als mijn opa. Want we houden van water in onze familie. Dit is mijn opstel. Vrede.’
Op een dag riep de directeur van de school de meester bij zich op kantoor en hij vertelde dat de ouders handtekeningen hadden verzameld en dat hij niet anders kon dan hem ontslaan.
Meester Utrecht haalde het portret van Conte Annibale Maffei uit de klas, nam de tekeningen die de kinderen voor hem gemaakt hadden mee en ging naar huis. Een paar dagen voelde hij zich terneergeslagen, als een merel waarvan het nestje door de wind is weggeblazen. Hij las een boek over slakken, de aanbiedingen van de supermarkt en de aankomst- en vertrektijden van de treinen. Vervolgens De graaf van Monte Cristo en De drie musketiers en ten slotte Gullivers reizen, die hem weer wisten op te beuren.
Terwijl hij zijn koffers aan het pakken was hoorde hij ineens ‘Meester Utrecht! Meester Utrecht!’ roepen, en toen hij de deur opendeed zag hij zijn leerlingen op hun fietsjes op zijn erf staan.
‘Kunt u ons het einde van de avonturen van Conte Annibale Maffei, grootmeester van de Piemontese artillerie, vertellen?’ vroeg Lucia.
Drie dagen lang las hij voor, zittend op het grasveldje achter zijn huis, onder de oude linde, over hoe de koningen uiteindelijk tot een akkoord waren gekomen en over het feest dat er op de ratificatie van het vredesverdrag volgde. Toen maakten de kinderen een tekening van Conte Annibale Maffei, die met de koets naar huis vertrok en de toren van Utrecht achter zich liet.
‘Ik ga ook vertrekken,’ zei de meester.
‘Waarheen?’ vroeg Penelope.
‘De chauffeur van de kaasfabriek geeft me een lift naar Zwitserland, daarna zien we wel.’
‘Maar u komt wel terug, hè?’ vroeg Arturo.
‘Ja, ik denk wel dat ik terugkom.’
Drie maanden lang woonde hij in Zwitserland in de bergen ergens in de buurt van Genève, en minstens een jaar in Duitsland, misschien in Frankfurt, maar zeker in Berlijn en Saarbrücken. Uit die periode is een gedicht bewaard gebleven dat hij had geschreven op een servetje van een Berlijns café en enkele verzen die hij tijdens een boottocht had geschreven. Een vrouw uit Saarbrücken beweert dat ze zijn vriendin is geweest, maar niet zijn minnares. Dat ze hem een paar maanden lang heeft ontmoet, steeds in hetzelfde café, steeds om zes uur ’s avonds, en dat ze hele gesprekken met hem had gevoerd over honden, wolken en de internationale diplomatie.
Eind 2007 was de meester zeker in Utrecht, waar hij een jaar woonde. In het begin verbleef hij in een betaalbaar hotel in de buurt van het station, maar hij verhuisde al snel naar een goedkoper hotelletje, tot ook dat te duur werd voor zijn portemonnee. En toch, degenen die hem hebben gekend, zweren dat hij er nooit als een zwerver bij liep. Hij bezat twee pakken, van eenvoudige snit maar deftig en altijd schoon, waarin hij iedere ochtend zijn opwachting maakte in een klein café aan het plein waar hij zijn ontbijt bestelde, zijn enige maaltijd van de dag.
Wanneer hij tegen het middaguur van zijn tafeltje opstond, wandelde de meester gewoonlijk tot vroeg in de avond door het oude deel van de stad, weer of geen weer. Op straat sprak hij met alle kinderen, in een geheimzinnige taal die de kleintjes niettemin perfect leken te begrijpen. Geen enkele ouder hoefde zich ooit druk te maken omdat de meester altijd een grote lach op zijn gezicht, een vriendelijke manier van doen en een opperbest humeur had. Met zijn nette kleren, geschoren wangen, het korte achterovergekamde haar en zijn leren aktetas onder de arm, zag hij eruit als een ouderwetse geleerde of een dichter die zijn jeugdige ziel en hoop had weten te bewaren.
Iedere woensdag om vier uur ’s middags nam hij plaats op de houten banken van de kathedraal om het orgelconcert bij te wonen dat gratis door de gemeente werd aangeboden. Regelmatige bezoekers getuigen hoezeer hij van Mozart en Handel genoot, terwijl hij bijna altijd in slaap viel wanneer Bach werd uitgevoerd. Het grootste enthousiasme toonde hij tijdens een concert voor orgel en panfluit, toen hij een daverend applaus gaf en ‘Bravi! Bravi!’ schreeuwde, iets wat nog in de herinnering staat geprent van alle aanwezigen die hem alleen als die bescheiden, zachtmoedige man kenden.
In het jaar dat hij in Utrecht doorbracht, was hij dol op de katten van de stad en de ronde pedaaltred van de Nederlanders: de katten omdat ze groot maar volgzaam van karakter waren, een beetje lui, zeer aaibaar, maar onafhankelijk op een niet-wilde manier. En de fietsen omdat hij meende dat de zachte en krachtige pedaaltred – die onlosmakelijk met de Nederlanders is verbonden – het handelsmerk van hun pragmatische, nuchtere en joviale aard was.
In de periode dat hij in Utrecht woonde, sprak hij geen enkel woord Nederlands, stal hij niets en bedreef hij nooit de liefde, behalve in de dagen die hij met Adelaide doorbracht, en dat waren er niet veel, al leken ze voor hem zijn hele leven.
Over haar is weinig bekend, behalve dat ze uit Suriname kwam, dat Adelaide niet haar echte naam was, dat ze een kamertje had in de Wijde Begijnestraat en dat haar beschermer haar in oktober naar Amsterdam stuurde waar ze in een drukke straat in het centrum ging werken.
‘Kom je me opzoeken?’ vroeg de vrouw aan de meester toen hij haar naar het station bracht.
‘Jawel,’ zei hij, ‘ik denk wel dat ik kom.’
Aan het begin van de tweede winter verlegde de meester zijn wandelingen naar de wijk in aanbouw Leidsche Rijn. Je kon hem daar iedere ochtend aantreffen bij de ingang van de basisschool van de wijk, waar hij de kinderen met hun voornaam begroette en hij door hen werd begroet. De rest van de dag bracht hij door op de bouwplaatsen, waar hij een praatje maakte met de bouwvakkers en een boterham, een stuk fruit of een kopje thee van hen aannam. Iedereen herinnert zich hem als een man van gemiddelde lengte, mager, met een gezond en verzorgd voorkomen. Kalme groene ogen en lange, witte handen als van een pianist.
Toen een bouwopzichter hoorde van zijn dood en de omstandigheden waarin die had plaatsgevonden, zei hij: ‘Ik weet dat je een man niet met een bloem hoort te vergelijken, meestal doen we dat met vrouwen, maar hij leek op een bloem en niets anders. Zo’n hele mooie, maar tevens broze bloem. En daarmee wil ik niet zeggen dat hij iets vrouwelijks had.’
De moeder van de kleine Ilonka herinnert zich daarentegen nog: ‘Als ik wist dat ik te laat zou komen, vroeg ik hem of hij Ilonka na schooltijd wilde opwachten en samen met haar naar het park wilde gaan tot ik er zou zijn. Ik wist eerlijk gezegd niets van hem: waar hij sliep, wat voor werk hij deed of waar hij vandaan kwam, maar hij had iets in en in goeds over zich, iets wat niet meer van deze wereld was en het was maar de vraag of het kon standhouden, maar zolang het er was, leek het dom om er geen gebruik van te maken. Hij wilde nooit iets terug voor de tijd die hij met mijn dochter doorbracht: een keer nam ik een taart voor hem mee en een andere keer een trui, omdat de winter naderde en ik dacht dat hij het misschien koud zou krijgen. Mijn dochter Ilonka kent nog steeds een paar Italiaanse woordjes: cane, pace, Conte Annibale Maffei. Misschien was dat wel zijn naam, ik weet het niet. Op internet heb ik opgezocht wat Conte betekent en het betekent graaf. Ik heb nog nooit een graaf ontmoet, maar ik kan me best voorstellen dat die zoals hij waren.’
Aan het einde van de winter verdween de meester, niemand die hem meer zag, niet bij de concerten in de kathedraal, noch voor school, noch in het park van Lepelenburg waar hij soms de nacht doorbracht.
Maanden later, om exact te zijn op 9 juli 2008, waarschuwde een jongen zonder vaste woon- of verblijfplaats de politie dat er een lichaam langs de A12 lag. De agent die zijn getuigenis afnam, herinnert zich nog dat hij heel opgewonden en zenuwachtig was. ‘In eerste instantie had ik het idee dat hij iets met de dood van de bewuste persoon te maken had, maar nader onderzoek wees uit dat dat niet het geval was. Waarschijnlijk had hij de dode gewoon beroofd van zijn weinige bezittingen en was hij uit gewetenswroeging komen vertellen dat het lijk er lag.’
De agenten, vergezeld van de jongeman, vonden het lijk onder een van de viaducten van de snelweg. Het lichaam woog slechts tien kilo, wat erop wijst dat het lichaam daar al heel wat maanden had gelegen. De eerste hypothese was dat de man vermoord was, maar het onderzoek wees anders uit. De man, die op een oud matras was aangetroffen, was in zijn slaap aan een hartaanval gestorven. Hij droeg geen persoonlijke bezittingen of documenten bij zich, behalve een vel papier met een Italiaanse tekst in de binnenzak van zijn jas, dat uiteindelijk een opstel van een leerling bleek te zijn. Dankzij dat blaadje kon men vaststellen dat het lichaam toebehoorde aan een Italiaanse onderwijzer van zevenenveertig jaar, afkomstig uit een vallei in de omgeving van Bergamo.
Nadat was vastgesteld dat er geen familieleden of andere personen bereid waren om de begrafenis te verzorgen, werd het lichaam op 17 juli 2008 ter aarde besteld op de begraafplaats Daelwijck, in de wijk Overvecht. De enige aanwezigen bij de uitvaart waren Ingmar Heytze en Ruben van Gogh, leden van de stichting ‘Eenzame uitvaart’, een genootschap van dichters dat is opgericht met als doel mensen zonder nabestaanden naar het graf te begeleiden, en ter hunner nagedachtenis een gedicht te schrijven. In dit geval was dichter Ingmar Heytze de schrijver van de tekst tijdens de teraardebestelling. De laatste regels luiden als volgt:
We laten je gaan zonder grote
verhalen of weidse gebaren, Stefano, we laten
je gaan met je raadsels en je vreemde wegen,
we groeten je verlegen, als onzekere passanten
in een schaars verlichte tunnel door de nacht –
rust zacht.
Lange noot van de auteur
In de zomer van 2010 heb ik twee maanden in Nederland doorgebracht, in Utrecht als onderdeel van citybooks Utrecht (een initiatief van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren) en in Amsterdam voor het Nederlands Letterenfonds. Het was tijdens dit verblijf dat ik voor het eerst de naam Stefano Maffeis hoorde.
Tijdens een gesprek op de binnenplaats van Het Utrechts Archief vertelde Bram Buijze, coördinator van de Stichting Vrede van Utrecht, me dat er in Nederland een genootschap van dichters bestond die begrafenissen bijwonen van mensen zonder familie of vrienden, en die voor ieder van hen een gedicht schrijven. Hij was in het bijzonder getroffen door de versregels die waren geschreven voor een Italiaan die dood langs de snelweg bij Utrecht was aangetroffen, uitgerekend in de wijk Leidsche Rijn, die ik de dag ervoor had bezocht voor een artikel in opdracht van een Nederlandse krant.
Waarom ik me het lot van deze man zo heb aangetrokken weet ik niet, misschien omdat hij net als ik een Italiaan in het buitenland was. Ik vrees dat ik daar pas achter zal komen wanneer mijn zoektocht in zijn voetsporen iets heeft opgeleverd. Hoe dan ook, diezelfde avond, toen ik door de prachtige, levendige straten van Utrecht liep, besloot ik dat ik meer over hem te weten wilde komen. Voor mijn deelname aan het project citybooks Utrecht was me gevraagd om een tekst te schrijven over de stad en over de Vrede die daar werd ondertekend in 1713. Misschien zou Stefano’s geschiedenis me een aanknopingspunt opleveren.
De volgende dag nam ik e-mailcontact op met Ruben van Gogh, wiens adres ik van Bram had gekregen, en in mijn steenkolenengels vroeg ik hem om informatie over Stefano, over zijn dood en over de tekst die voor hem was geschreven. Ruben was zo vriendelijk om me dezelfde dag nog te antwoorden en schreef dat ik contact moest opnemen met Ingmar Heytze, de schrijver van het gedicht ter nagedachtenis van Stefano. En dat is wat ik deed.
Terwijl ik op een antwoord wachtte, kwam ik tot de conclusie dat ik twee paden moest bewandelen: ik moest een literair personage bedenken geïnspireerd op Stefano, waarbij ik de datum, de omstandigheden en de plek van zijn dood als enige pijler van de waarheid zou gebruiken. Aan de andere kant moest ik een onderzoek instellen naar de echte Stefano, naar de beweegredenen die hem naar Utrecht en naar zijn dood hadden gedreven.
Met de naderende driehonderdste verjaardag van de Vrede van Utrecht als uitgangspunt begaf ik me op het terrein van de pure fictie en bedacht ik het personage van een onderwijzer, een licht, dromerig persoon, een soort mannelijke versie van Amélie, met een obsessie voor een veronderstelde voorouder die naar Utrecht was gekomen ter gelegenheid van het beroemde verdrag. Om dit totaal verzonnen opzetje enigszins te onderbouwen, begon ik wat historisch onderzoek te doen naar de Vrede van 1713, bijvoorbeeld naar de samenstelling van de delegaties die daarheen waren gestuurd.
Intussen kwam het antwoord van Ingmar Heytze binnen, de dichter die de versregels voor Stefano had geschreven.
Het enige wat hij wist was dat Stefano met zijn achternaam Maffeis heette, dat hij was geboren op 3 augustus 1961 in Gazzaniga, een dorpje in de Val Serio, zo’n twintig kilometer van Bergamo. Verder gaf hij me wat gegevens over de vondst van het lichaam en de teraardebestelling, gegevens die in de tekst hierboven zijn aangehaald. Echter niets over zijn verleden of omtrent de redenen die hem naar Utrecht hadden gebracht. Het was overigens tamelijk gebruikelijk, hielp Ingmar me herinneren, dat er bij een `eenzame begrafenis’ niets tot weinig van het leven van de overledene bekend was.
Ingmar wekte echter mijn nieuwsgierigheid doordat hij er nog iets aan toevoegde.
Afgelopen januari, dus twee jaar na de begrafenis van Stefano Maffeis, had hij een anoniem mailtje ontvangen waarin een persoon, misschien een vrouw, hem bedankte voor het gedenken van Stefano. Het was een mail van slechts een paar zinnen waarin de afzender benadrukte dat Stefano geen `zwerver’ was, maar gewoon iemand die `het beste voor zichzelf zocht’. De afzender betreurde het niet genoeg voor hem te hebben gedaan, ook al was hij of zij op hem gesteld.
Wie was die persoon die Ingmar voor het gedicht bedankte? Een vriendin? Een kameraad van de straat? Een van zijn familieleden? Blijkbaar had Stefano Maffeis dus toch vrienden. Er bestond iemand die op hem gesteld was. Maar wie? Het mailtje was in het Italiaans geschreven, maar de aanwezigheid van typefouten op de plaats van de letters met accent leek te duiden op een Nederlands, of in elk geval geen Italiaans toetsenbord.
Dezelfde avond stuurde ik een bericht naar het adres van de afzender, heel discreet, omdat het het enige lijntje was dat ik met Stefano’s verleden had en ik was niet van plan het door mijn opdringerigheid te laten breken.
Intussen kwam de deadline van mijn verhaal dichterbij en kreeg ook mijn onderzoek naar de Vrede van Utrecht meer diepgang. Ik wilde weten of de koningen die bij de Vrede betrokken waren in eigen persoon naar Utrecht waren gekomen, of dat ze vertegenwoordigers hadden gestuurd. De eerste hypothese leek me tamelijk onwaarschijnlijk en toch was het niet eenvoudig om informatie te vinden over de samenstelling van de delegaties, vooral over die van Victor Amadeus II van Savoye, waar de denkbeeldige voorouder van mijn hoofdpersoon deel van uit had moeten maken. Het ligt voor de hand voor dergelijke gegevens naar een echte bibliotheek of een historisch archief te gaan, maar vanwege taal- en tijdproblemen lukte dat op dat moment niet. Desondanks vond ik tijdens het uitpluizen van een van de vele internetpagina’s over de Vrede van 1713 wat ik zocht, en mijn mond viel open van verbazing.
In het verslag stonden de namen van de drie afgevaardigden die door Victor Amadeus II van Savoye naar Utrecht waren gezonden om de belangen van de Savoyes te behartigen. Het betrof Marchese Solaro del Borgo, raadsman Pietro Mellarede en Conte Annibale Maffei.
Voor mijn personage, geïnspireerd op Stefano Maffeis, had ik een denkbeeldige voorouder verzonnen, die in 1712 naar Utrecht was gekomen en nu ontdekte ik dat een van de drie plenipotentiarissen van de hertog van Savoye zowaar een zekere Conte Annibale Maffei was! Nu zijn Maffei en Maffeis natuurlijk niet exact dezelfde achternaam, maar gezien het feit dat het in Italië geen veelvoorkomende naam is, was de overeenkomst op zijn zachtst gezegd verrassend. Met deze gegevens ontdekte ik een schilderij uit die tijd waarop graaf Hannibal Maffei stond afgebeeld en daarbij ook het wapen van zijn familie die, wat een toeval, landerijen bezat in de buurt van mijn geboortedorp in Italië.
Zoals u ziet is het een hele samenloop van omstandigheden die me nader tot de persoon Stefano Maffeis en zijn verhaal heeft gebracht, en ik voelde de noodzaak om die hier in deze lange noot samen te vatten. Om twee redenen.
Ten eerste wilde ik verduidelijken dat de hoofdpersoon van het door mij geschreven verhaal niets met de echte Stefano Maffeis te maken heeft. Of zoals men in dergelijke gevallen pleegt te zeggen: ‘Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en-of personen berust op louter toeval’.
Daarnaast is het voor iemand zoals ik, die van verzonnen verhalen leeft, heel bijzonder om zijn tanden zo diep in een waargebeurd verhaal te zetten. In dit geval is het me overkomen en ik kan alleen maar uitleggen hoe het zit door trouw de feiten en hun toevallige samenhang uit de doeken te doen.
Tot op dit moment heb ik nog geen antwoord gekregen op mijn email aan de afzender die Stefano Maffeis heeft gekend, maar evengoed zal ik mijn onderzoek straks in Italië voortzetten en misschien ga ik wel naar Gazzaniga, waar ik iemand hoop te ontmoeten die Stefano heeft gekend en die bereid is om over hem te praten.
Waarom doe ik dit?
Misschien omdat uiteindelijk alles zal verdwijnen, beste vrienden; de Vrede van Utrecht, de koningen die hem ondertekenden, Stefano en wij allemaal zullen vroeg of laat in de vergetelheid raken. Het is slechts een kwestie van tijd: als een schip dat zich langzaam van de kust verwijdert. Al snel herken je de kleur niet meer, dan de vorm en uiteindelijk blijft er niets over dan een verre, vage vlek, voordat hij volledig verdwijnt.
Stefano is halsoverkop van de kust weggevaren en niemand die het in de gaten lijkt te hebben gehad. Alleen Ingmar heeft met zijn gedicht heel even naar hem opgekeken, net voordat hij voorgoed zou verdwijnen. Maar ik zou hem graag om andere dingen gedenken, als ik straks over de snelweg terugrijd naar Italië en met mijn auto langs de plek kom waar hij is gestorven. Omdat ik hoop dat iemand ooit hetzelfde voor mij zal doen. Misschien hopen we dat allemaal wel. Ook als het schip uiteindelijk te ver weg is, voor ieders ogen.
Een persoonlijk woord van dank aan Ingmar Heytze, Ruben van Gogh, Fleur van Koppen, Bram Buijze, Willem Bongers, Milou Honig, Tiziano Perez, John Delissen, Marina Warners van de Italiaanse boekhandel Bonardi, Manon Smits, Pieter van der Drift en uitgeverij De Geus.
Vertaald door Pieter van der Drift
Pieter van der Drift (1965) studeerde in Nijmegen en Rome, Mediterrane Studies en Italiaanse taal- en letterkunde. Na een korte carrière als ondertitelaar stortte hij zich op het literair vertalen, soms samen met zijn partner Manon Smits, maar meestal alleen. Naast een aantal kinderboeken zoals De laatste elf van Silvana de Mari en de Century-reeks van Pierdomenico Baccalario, vertaalde hij onder andere De huid van de draak van Giuseppe Genna, De zus van Mozart van Rita Charbonnier, Van acquit van Pietro Grossi en natuurlijk Een ochtend in Irgalem en De steeneter van Davide Longo. Momenteel is hij bezig met Longo’s derde roman L’uomo verticale.
Podcast voorgelezen door Willem Bongers





