citybooks

Mijn stad een bouwput

Astrid Lampe

DE STAD EEN VESTE

diepte peilend vanaf het panoramadek
kantelen de kantelen
hou je vast aan de reling

            laagjes rivierzand
            fixeren de bandbreedte
            zwarttonen
            accentueren de jaarringen

stel het stadsdak op Domtorenhoogte
en het oude dicteert

op slag dit nieuwe
dat zich als groenvoorziening lezen laat
precies zo! verleende een verweerd stuk stadsmuur
(restant van de dwangburcht)
onze eerste tintelingen houvast

mijn vaste stek een helidek

elke hoogwerker prijs
mijn stad een turf
een levendige stadskroniek
zo'n onvervalste pageturner
met een plot
            een rivierloop
            een begin

fossiel slijk, fossiel slib
de Oude Rijn, de Nederrijn, de Kromme Rijn
acuut verslingerd aan je geur
verslaafd aan een pil
schandalig dik (slik)

schandalig lijvig
de foliant in dundruk
waarvan ieder blad ritselt
het bladgoud en tafzijde
waaruit de stad oprijst, loof knispert
de stad die, puur voor de vorm
nog even, al dit vreemde waarnaar ze afreist
behaagziek afwijst
hoor
hoor
hoe de stroom stroomt
hoe de stroom
trekt hier
het boek loopt, dra je afglijdt
            loopt als een trein
leest als een tiet
je moet omslaan
een rivier dus
die, gezien dit stralend voorjaar
vast niet alleen 's winters buiten de oevers trad

            gezien het wed
            gezien het jaagpad

mijn stad een stormbaan
in dagen van verkennerij
lichtte schaars licht ons bij
wees ons de hot-spots
iedere schuilhoek een shelter
een abri voor trainspotters

            het vrijgeven van de sporen
            het updaten van de balboekjes

het lulligste achterommetje
‘Dat wil je niet weten...!’
de guurste tochtnis
een hoogmis voor vogelaars

elk vaal portiek herbergt voortaan
(van nu af aan)
brandwerend, vandaalbestendig
de uitgelezen klimmuur
waar je je hakken
waar je je noppen
waar je je sporen in wilt slaan
blind
niet anders
niet veel anders dan...

blinde zoolgangers met stijgijzers zijn wij
gezekerd aan de tijdlijn
vallen we steeds
(vallen wát graag)
vallen we hard en ongenadig
terug op ons accent
bijwijze van klinknagel
leer je me keltisch

– voetsteun van huis uit –
bijwijze van noodrantsoen
cultiveer je mijn spaans
bijwijze van muuranker
moduleer ik mijn moerstaal
op goed fatsoen
help je me diepte schatten helpt me aan
een vaste stek

dit panoramadek

o maak me net zo bedreven wegwijs
in dit gedicht van een stadsgezicht
til me uit boven het maaiveld
in het donker tast ik
in het donker tast ik
je vergezicht
verras me op een heliview
zo wijds
zo sjiek
dat we (haast tegelijkertijd): op slag streetwise
zo

heel fysiek natuurlyriek
nu ik me focus
nu jij me straal doorziet
brutaal en zonder omhaal
al je hoogtevrees loslaat op mijn borstwering
niet zonder slag of stoot
articuleert het fossiele rivierslib ons
de meest spannende voetnoot bij
iedere nog uit te schrijven bouwverordening
brengt reliëf aan in mijn landschap

diepte peilend vanaf het panoramadek
baggerend door mijn stad

studentikoos dweilen we
bloezende blouses
bollende zeilen
de stad een vluchtheuvel

mét ophaalbrug

opdat je blijft
opdat we blijven
pas nog maar zopas:
wortel schietend op wat, slechts bij benadering
de hoogste stroomrug was

 

 

MASTERPLAN: MIJN STAD

de bouwvolumes liggen vast
de vuilophalers staken

staken
juist lang genoeg om ons, door de lucht die hier nu hangt, spontaan op een Utrechts verleden te trakteren waarin we zo

een biggetje of wat op de belt los laten

met behulp van beeldcollages en dit elektronische tekenbord gaan wij
plannenmakers van start
vrolijke plannenmakers, zeg dat –
de bouwvolumes liggen vast
een Utrechts stadsgezicht

u moet er kunnen komen
u moet er willen zijn

kanongeschut
in de wal gesmoord
blazoengeschal
zo blies je grond vrij

zo blaas je grond vrij
blijkt mijn plaatje kostendekkend
kan met het ontslag van een priester
en met wat baksteen van de sloop
het beschadigde visitekaartje van de oude stadswal
worden ge-re-pa-reerd

o gans mijn stad

zeer grootscheeps opgelapt
met water in de singel
met taxi's af en aan
we peuteren
(Big Mac!)

een BOM geld los
langs alle kanten
vanuit alle windstreken
worden de sponsors ingevlogen:
(royale KISS AND RIDE strook)

‘Er zit muziek in!’

mijn stad een haven
Sonnenborgh, Manenburg, Sterrenburg
op een zuchtje kom je weg
mijn stad een veste

('Muziek!'...)

mijn stad gehavend
hoe lees je de hand
wanneer het hart faalt
hoe lees je de stad
waarin ik me gewonnen gaf
ons stoutste plan De Dom beklom
en klom
en klom
De Dom

De Dom

die ik bezong –
bezing!
hoe
blind
hoe onbezonnen

las je mijn hand
in het oog van die wervelstorm
hoe veranker ik
– de bouwvolumes liggen vast –
hoe veranker ik, liefste, in deze
KOLK VAN SFEERBEELDEN
je monument

op de hoogste verdieping van de Neudeflat
spit ik Het Masterplan door
zwartnacht draai ik kantooruren

een risicotransport

samen buigen we ons over

HET AANGESCHERPT BELEID VAN HET RIJK MET BETREKKING TOT NIEUWE SLEUTELPROJECTEN DIE ZICH ALTIJD RONDOM HET SPOOR AFSPELEN

het spoor
– ons spoor –
De Dom
De Dom

die ik bezong...
de gong zwartnacht
kantooruren...
het maaiveld draait
dit
biggetje op de belt los gelaten

            □ krul hier
            □ vink daar
‘ O, zeker...!’

(DE PLANNEN HEBBEN OOK CONSEQUENTIES BUITEN HET PLANGEBIED...)

            dit masterplan

spoort
het maaiveld draait
we

sporen en draaien
we

draaien en draaien –
parkeren HET RISICOTRANSPORT (nog juist op tijd) onder het kopje

VREDENBURG CULTUURPLEIN

een gouden zet, mijn schat
duurzaam en toekomstvast
liefde versleutelen
o, reken maar
(hoor daar...) De Dom, HET CARILLON!:


ik ga je in de plint zetten

 

 

                                                Het Straatnieuws
                                                KUNST IN DE BOUWPUT
                                                met het sluiten van het MUZIEKCENTRUM VREDENBURG
                                                stond ook de Utrechtse ‘NACHT’ op straat

GIMME SHELTER
(...EEN DOOS VOOR DAKLOZEN)

de plasjes data
in en rondom het stationsgebied tot aanjager
kippenvel noemden we het

Nacht van de Poëzie

hoeveel liefde spuit je in een junk
op de plek van het gapende niets
stelt men ons een paleis in het verschiet
oog in oog met het gat
blijft de vraag overend

hoeveel cold turkey's verdraag ik

nu de intimiteit
van al wat woonrijp
eenzelvig
naar binnen gekeerd was
het veld moet ruimen voor het Geweldige

mijn stad ligt open
die

landelijke uitstraling – met de
overredingskracht van een sloophamer
inzetten op het wonder

de grote oplegger
meer blauw op straat
het jarenplan
de gevel liften

de puist beton zo'n
boost botox

een gat
een varkenshart
alles transparant met de vitale uitstraling
van baliefuncties in de verjongde plint de
diversiteit van zalen onder een dak (straks)
straks straks daar drinken we op
hijsen
o niet voor niets
hesen we

zo'n frisse denktank knappe architecten in het pak
na de ontmanteling zouden zij vlot
de oude zaal omdopen

en ongemoeid laten

de oude zaal waarin
Nacht op Nacht opnieuw
(... zo langs je nek tot in de nok)
onze poëzie was gekropen:
omdopen niet slopen!

ongemoeid laten

onvermoeid
de mantelzorg
de stoet van plannenmakers

steggelend
vaak veel en vrolijk

                                    tijd rekkend

de handen aan het bed
de specialisten
die

binnen het totale pretpakket de oude zaal
‘nieuw opleveren’ (straks straks):
zo noem je dat, schat wees maar niet bang
we investeren in toekomst voortaan
zoals men (menig mens) investeerde in
toekomst ooit

je gaat niet dood
je gaat niet –
ge

heid hier heet het al investeren in identiteit, schatje
we gaan niet dood
zie maar hoe levendig de toekomst lonkt
in alle helderheid verrijst, waar je ook wijst

een nieuw MUZIEKPALEIS
ons

rijk
met de intimiteit van een huisbioscoop
liet zich altijd al vlot vertalen
vult, viel en

valt

akoestisch samen met wat
de SYMFONIE BIOTOOP mag heten voortaan
voorbij de KEUZESTRAAT

            poëzie is dope

een beetje dichter
loopt vooraan
een beetje dichter
doorziet de romantiek
van zo'n jarenlang opgelegd zwerversbestaan
beleefd bedank ik

beleefd bedank ik voor de bunker de kluis het depot
het kogelvrij vest waarin men de poëzie
graag tijdelijk huisvest

niks verweesd
ons kind van de nacht
leeft –  is nu keizer
feest en beest hier
nu en hier
werm en dier
elke nis
elke kier

niks verweesd
ons kind van de nacht
resideert permanent
hier en nu
nu en hier
werm en dier
elke nis
elke kier

elke spleet
hoogpolig vloerkleed
van spiegel tot balzaal voortaan
laten we wiegend (wel of geen witte rook)

het parket van onze eigen klinkende kathedraal kraken
klinken en drinken we

niks laf excuus ‘Je bent te duur!’
hooguit in een gedicht staat het sjiek
de nacht in een doos dood te laten bloeden

            heel zacht....
                        zwartnacht....
            ‘gimme shelter...’

            bloedde het dood

analoog aan die Utrechtse Nacht
(ramp van De Rode Doos)

hijg, romantiek, gerust nog wat na in ’t portiek
‘Doej...!’  wij zijn weg bij je poort van de dood
de nacht deze nacht overstijgt

(fel en zacht en van goud dit shot)

alle nachten schat
deze nacht

paart alles aan alles reeds
niet voor niets onthaalt men ons hier
(... als in die dagen) op DE VREDE VAN UTRECHT:

gul en gastvrij ja

GROOTSTEEDS

 

Podcast voorgelezen door de auteur