citybooks

Wat overblijft

Ingrid Winterbach

1.
Het is Saartjie Baartman aan wie ik denk wanneer ik aankom in de Oost-Kaap. Saartjie, van één tot vijf ’s middags tentoongesteld op een sokkel in Piccadilly Circus, een daverend succes, het eerst specimen van de oevers van de Gamtoosrivier. Haar stoffelijk overschot ligt begraven in de Gamtoosvallei, ten oosten van Port Elizabeth. Grahamstad, waar ik naartoe op weg ben, ligt noordwestelijk van Port Elizabeth, in de Oost-Kaap, tussen de Gamtoos- en de Groot Visrivier. Aan Saartjie denk ik terwijl ik van Port Elizabeth naar Grahamstad rijd. Aan haar en aan de coelacant.
In de auto vertelt Carl mij over het tweeduizend jaar oude lichaam van een Bosjesmanman dat door een archeoloog, verbonden aan het Albany Museum, is ontdekt. Het lichaam is geconserveerd doordat het in de bladeren van een giftige plant is gewikkeld die de insecten van hem weggehouden hebben. Carl is een kenner van planten en hij wijst mij deze plant aan langs de kant van de weg. Ik zou dat lichaam erg graag willen zien, zeg ik. Als ik Anton hier later vragen over stel, vertelt hij mij hoe klein het lichaam is en geeft de afmetingen aan met zijn handen. Het is wonderlijk gaaf bewaard gebleven, zelfs de vingerafdrukken zijn nog zichtbaar, zegt hij.
Het graf van Saartjie Baartman, het goed geconserveerde lichaam van de Bosjesmanman, de coelacant, de steengroeve – dit zijn de punten waarop ik mij voorlopig oriënteer met betrekking tot Grahamstad.
De Oost-Kaap is een droge streek. Ik woon in Durban, een havenstad in een subtropisch gebied, in de provincie KwaZulu-Natal. De lucht daar is stroperig. De overwegende kleur is groen.

2.
Johan Binneman heb ik indertijd leren kennen in Stellenbosch. Hij was toen verbonden aan het Instituut Archeologie aldaar. Nu werkt hij op de natuurhistorische afdeling van het Albany Museum. Hij is degene die de opgraving heeft gedaan. Hij ontvangt mij hartelijk. Hij weet nog wie ik ben. Ik zou hem overal herkennen, maar ik heb het gevoel dat ik in de meer dan dertig jaar die verlopen zijn sinds we elkaar voor het laatst hebben gezien onherkenbaar ben veranderd. Hij neemt mij mee naar het atelier van de Archeologie. De reuk van beenderen is hier overweldigend. Om geen aanstoot te geven aan bepaalde groepen is een soortgelijk lichaam dat een tijdlang in het museum tentoon is gesteld, al verwijderd.
Achter een tijdelijk plastic gordijn, onder een zwarte plastic zak, ligt het lichaam. De man ligt op zijn zij, zijn benen hoog opgetrokken, zijn armen tussen zijn benen. Stof zijt gij, denk ik. Hij is inderdaad klein. Moeilijk te geloven dat dit het lichaam van een volwassene is. De mooie, ronde vorm van het hoofd en de brede jukbeenderen zijn kenmerkend voor de San-mensen. Kleine oortjes, goed bewaard gebleven, laat Johan me zien. Plukjes haar hier en daar zichtbaar, ook de kraaltjes om de hals. Heel fijn gevormde voeten en tenen – als kindervoeten, kindertenen. Het lichaam is gewikkeld in bladeren van de gifbolplant (Boophane disticha). Het is het gif van deze plant dat allerlei insecten en larven belet hun eieren in het lichaam te leggen. Hier en daar zijn de bladeren nog zichtbaar – zo dun, zo gelijkend op de kleur van de huid dat het moeilijk is de twee van elkaar te onderscheiden. Als gevolg van deze plant en door de droge hitte van de omgeving waarin de man is begraven, is zijn lichaam meer dan tweeduizend jaar intact kunnen blijven.
Johan vertelt me dat er op meerdere plekken holtes in de grond zijn gevonden, gevoerd met gras, waarin de gifbol is aangetroffen. Sommige archeologen menen dat de San de gifbol op die manier hebben opgeslagen. Anderen menen dat de holtes ruimten zijn die toegang verschaffen tot een andere wereld, omdat de gifbolplant hallucinaties veroorzaakt wanneer ervan gegeten wordt.
‘Hoe wonderlijk,’ zeg ik tegen mijn dochter, ‘om zoveel geloof te hechten aan een andere wereld – een wereld die door middel van trance, bereikt kan worden. Wat spreekt mij dat aan! Hoe mooi ook om zoals de Bosjesmannen de dood te zien als een andere wereld. Hoe vertroostend,’ zeg ik. (The other world is leaky as a boat; Quignard).
‘Dus,’ legt Johan uit, ‘kan het lichaam ook met gifbolbladeren bedekt zijn niet om het te conserveren, maar om de dode te helpen door middel van een toestand van trance de andere wereld te bereiken.’
Ik logeer bij Brink, mijn oudste dochter. Als we op een avond allemaal samen zitten te eten, zeg ik dat ik het feit betreur dat ik tijdens mijn leven waarschijnlijk nooit zal weten of er leven is op andere planeten, en in welke vorm. Anton vertelt dat de ruimtevaartuigen Pioneer 10 en 11 elk van kleine metalen plaatjes zijn voorzien waarop hun tijd en oorsprong staan vermeld voor alle ruimtevaarders die met deze ruimtevaartuigen in de verre toekomst mogelijk in contact zullen komen. Voyager 1 en 2 zijn elk van een ambitieuzere boodschap voorzien – een soort tijdscapsule die het verhaal van onze wereld aan buitenaardse wezens moet overbrengen: een 12-duims met goud vergulde koperen schijf die klanken en beelden bevat waarop de diversiteit van het leven op aarde is opgeslagen. Dat wil zeggen natuurlijke geluiden (onder meer van wind, onweer, walvissen, vogels), muziek uit verschillende culturen, gesproken begroetingen in vijfenvijftig talen – te beginnen bij het Akkadisch (zesduizend jaar geleden gesproken in Sumerië) en eindigend met het Wu, een modern Chinees dialect. Plus een uitleg hoe de gecodeerde beelden en geluidsschijven afgespeeld moeten worden. Veertigduizend jaar voor deze ruimtevaartuigen het eerste andere planetaire stelsel bereiken, heeft Carl Sagan gezegd (destijds voorzitter van de NASA-commissie), en uiteraard zal deze schijf alleen door gevorderde interstellaire beschavingen kunnen worden gedecodeerd.
Ik sla mijn handen in elkaar. Vijf miljard jaar geschiedenis van de aarde, alle historische tijdperken, alle beschavingen, alle talen, alles wat ons leven hier op aarde kenmerkt – dat alles samengeperst in een kleine capsule en dan het grote onbekende Niets ingeschoten. In de hoop dat er ergens een ontvanger zal zijn die het zal kunnen decoderen. Dit waren wij en zo zag ons leven hier eruit. Aangrijpend, vind ik het.
Dit gesprek is niet goed voor haar existentiële angst, zegt Brink. ‘Waarom niet?’ vraag ik. Ze vindt het niet zinvol om op de hoogte te zijn van onze positie in het heelal, zegt ze. ‘En die is?’ vraag ik. ‘Onbelangrijk,’ zegt ze, staat op, pakt haar bord en gaat naar de keuken.

3.
De coelacant is een grote vis – veel en veel groter dan ik had verwacht. Bijna anderhalve meter (ongeveer zo lang als het lichaam van de Bosjesmanman?). Bleekgeel hangt hij tentoongesteld in sterk water. Aan de ene kant is de huid verwijderd zodat de vis van binnen zichtbaar is. Alle organen, de huid, alles heeft dezelfde bleekgele kleur, terwijl de vis in zijn natuurlijke staat een prachtige paarsblauwe kleur heeft, met iriserende vlekken. Ik kijk naar de gevinde poten, die meer op rudimentaire ledematen lijken dan op vinnen. De coelacant is een lobvinvis, maar niet van de groep lobvinvissen waaruit de vierpotigen zich hebben ontwikkeld. Bij de mens en de andere vierpotigen waren de lobvinnen aangepast om armen, benen en vleugels te vormen. De coelacant wordt als levende fossiel beschouwd, want voor de ontdekking van het eerste levende specimen werd aangenomen dat hij tachtig miljoen jaar geleden, in het Krijttijdperk, was uitgestorven. Stel je dat eens voor en vorm je een beeld van hoe het evolutionaire proces is verlopen! Wat een onvoorstelbaar lang proces waarin een vin, een vinpoot, omgevormd werd tot een ledemaat, waarmee de eerste amfibieën zich moeizaam (stel ik me voor) op het land voortbewogen.
Na twintig jaar Durban heb ik nog steeds moeite met de plantengroei, het klimaat, de smalle stroken lucht, de vochtigheidsgraad, de mot en de roest, het klamme dat alles bedekt en overal doorheen sijpelt. Ik houd van de Oost-Kaap omdat het er droog is. Ik houd van de kleur van de gesteenten en van de plantengroei hier. Het weer is onvoorspelbaar, maar de seizoenen – anders dan in Durban – zijn duidelijk waarneembaar. Brink heeft een klein terras met een stukje grond voor haar flat op de begane grond. Een hoge muur, geel geverfd, vormt de afscheiding van de straat. Er groeien twee rozenstruiken, er staan twee potten met vetplanten, op de tuintafel een inheemse geranium (pioniersplant). Een grote steen. Zo’n tuintje spreekt mij aan – klein en droog. Zo anders dan mijn obsceen overdadige tuin in Durban. De omringende heuvels zijn zichtbaar vanaf verschillende punten in het dorp. Daar houd ik ook van. Het oog kan ver reiken. Cipressen aarden hier en aloë’s, olijfbomen, vetplanten, alle soorten die in Durban muf zijn, door zwartroest geteisterd en door insecten opgevreten worden.
Maar het water in de dorpsvijvers is vergiftigd – vol E. coli-bacillen en zware metalen, zo giftig dat de vissen in het Instituut Ichtyologie erdoor sterven. Wanbestuur op gemeenteniveau. En in het dorp word je onontkoombaar met de armoede geconfronteerd. Anders dan in Durban, waar zij die het zich kunnen veroorloven in de winkelcentra rondhangen, waardoor je kans om een arme tegen te komen heel wat minder is.

4.
Ik vraag Anton op een middag mij mee te nemen naar de steengroeve. Anton is mijn ex-man, de vader van mijn oudste dochter, Brink. De steengroeve ligt aan de rand van het dorp, voorbij de laatste gebouwen van de universiteitscampus. Onderweg komen we langs een groot bouwperceel tegen een heuvel – waarschijnlijk worden hier nog meer studentenflats gebouwd. We zien ook een paar hoopjes menselijke excrementen. We bereiken de steengroeve via een andere route dan die het publiek in 2007 moest volgen toen de theaterproductie van Brett Bailey gebaseerd op het Orfeus-verhaal werd opgevoerd.
Nu ligt dit gebied er verlaten bij. Het is doodstil. De stemmen van de arbeiders op het bouwperceel zijn niet meer hoorbaar. Een groot vlak stuk grond wordt aan weerskanten begrensd door de steile uitgeholde wanden van de steengroeve. Boven ons hoofd de grote weidse lucht. Af en toe rolt een briesje wat lege waterflessen over de grond. Behalve enkele kakistruiken is er niet veel plantengroei, wel fijn grind onder onze voeten. Iemand heeft hier een vuurtje gemaakt, misschien een paar bouwvakkers. De wanden links hebben een zachte (verrukkelijke) kleur okergeel; op de smalle rotslijsten groeien kleine boompjes. Aan de rechterkant, het gedeelte waar nog steeds actief gegraven wordt, is de rotswand steil, met lichte, donkere en grijze aderen. Anton legt me de geologie van de rotsformaties uit. Rechts van ons ligt een grote berg rotsblokken opgestapeld, ik vraag hem waarvoor die gebruikt worden. Voor de aanleg van wegen, denkt hij. Op sommige van deze stenen zitten klipdassen te zonnen. Een eindje verderop ligt een stapel autobanden; ik vraag me af of dit de banden zijn die tijdens de Orfeus-opvoering zijn gebruikt.
Waarom deze ruimte mij zo aanspreekt, weet ik niet. In 2007 tijdens het Grahamstadse Festival ben ik hier met Brink naar de Orfeus-productie komen kijken. De tragedie begon op het moment dat het begon te schemeren. De toeschouwers moesten hier in stilte naartoe lopen, begeleid door een kreupele dwerg die hen de hele tijd ongeduldig aanmaande sneller door te lopen. Toen het al flink schemerde, stonden de wanden van de steengroeve, gekleurd door schakeringen van bleek oker en zandwit, duidelijk afgetekend tegen de verdonkerende lucht. Vogels en bosduiven waren op weg terug naar hun nest in de rotswand en de fladderende schaduwen van vleermuizen werden zichtbaar. De maan kwam op. Het groepje toeschouwers, het publiek, volgde de acteurs naar verschillende plekken, waar verschillende scènes zouden worden opgevoerd. We liepen in doodse stilte, alleen het geluid van de steentjes onder onze voeten hoorbaar, met de izegrimmige kortaangebonden dwerg als begeleider. Overal onderweg werd het pad verlicht door brandende autobanden. Een man in een onderbroek stond tot zijn middel in een poel water tussen de rotsen. In een door draad omheind stukje grond een eindje daarvandaan verrichtte een groepje zwarte kinderen zwijgend fabrieksarbeid – sportschoenen werden op dozen uitgestald. Een man was aan een ouderwets ijzeren ledikant vastgebonden, zo belicht dat zijn schaduw enorm vergroot tegen de wand van de steengroeve werd geworpen. O, wat was het prachtig! Euridice was een van een groep vrouwen van wie het gezicht wit geverfd was met klei, zo uitdrukkingsloos als een masker. In de mythe draait Orfeus zich om en zegt één enkel woord, waarna hij Euridice voor eeuwig kwijt is. Brink had heel wat aanmerkingen op het stuk, maar ik vond het aangrijpend. Ik was bekoord door de plaats, door de sfeer, door de geleidelijk invallende duisternis, door de schaduwen tegen de hoge wanden.
Na een tijdje lopen Anton en ik terug. We praten voortdurend. We praten over de geboorte van Brink, over haar huidige situatie. We praten over de man en de vrouw bij wie Anton een kamer huurt, over wat het voor hem betekent bij dit soort mensen te wonen, over hoe zijn interactie met de man licht werpt op de beperkingen van zijn relatie met zijn eigen vader. Voor hen betekent nabijheid, zegt Anton, je in hun innerlijke monoloog toe te laten. Ongeacht waar jíj staat.

5.
In 2003 heb ik op een middag naar een video van de begrafenis van Saartjie Baartman gekeken. De begrafenis had twee jaar eerder, in 2001, plaatsgevonden. In Parijs was dat wat van Saartjie was overgebleven in een krat verpakt om naar Zuid-Afrika teruggestuurd te worden – het afgietsel van gips van haar lichaam (uit respect bedekt met een sarong van luipaardvel), haar skelet, en haar in een glazen pot geconserveerde hersenen en genitaliën, die in 1815 kort na haar dood door Cuvier tijdens een autopsie waren verwijderd. Nadat deze resten in Kaapstad waren aangekomen, werden ze overgeplaatst in een kist. Tijdens de officiële welkomstceremonie werd de kist bedekt met de Zuid-Afrikaanse vlag en door kleine meisjes vergezeld (haren in stijve vlechtjes) waarna hij op wieltjes het vertrek werd binnengereden, terwijl een orkestje van de marine speelde. Tijdens deze gelegenheid zongen verschillende koren, meerdere groepen Griekwa-vrouwen hielden hartstochtelijke betogen, een politicus hield een toespraak en een oude en gerespecteerde wetenschapper sprak, alsook een leider van de Khoisan – getooid met kralen, met een deken van luipaardvacht over zijn schouders en hoofd gedrapeerd.
Een geselecteerd groepje vrouwen had al tijdens een privéceremonie de hersenen en de genitaliën gezegend en geconsacreerd voor ze met het skelet in de kist verzegeld werden.
Verschillende groepen hadden rechten doen gelden op haar stoffelijke resten en uiteindelijk werd de Gamtoos gekozen als geschikte plaats om te begraven. De groepen waren tevreden. Een groot stuk grond op de oever van de Gamtoosrivier werd afgebakend, daar waar de Inkwa, de Gonakwa en de Damakwa Hottentotstammen gedurende de achttiende eeuw hadden gewoond en gezworven.
De begrafenis duurde lang en was veelomvattend, en werd op de televisie uitgezonden, zoals welke staatsbegrafenis ook. Onder de sprekers en hooggeplaatsten waren koninklijke leden van de Khoisan, ministers, burgemeesters, godsdienstige, traditionele en gemeenschapsleiders, afgevaardigden van de National Khoi Council, vertegenwoordigers van de Sarah Bartmann Reference Group, historici, dichters.
Kort na zonsopgang beginnen de mensen al met bussen uit de omgeving en uit andere delen van het land aan te komen: uit de West-  en de Noord-Kaap, de Vrystaat, Gauteng. Luidsprekers en geluidsinstallaties worden geïnstalleerd. Korte tijd later beginnen de hooggeplaatsten en eregasten in officiële auto’s en helikopters te arriveren. Bij hun aankomst worden ze voor de televisiecamera’s geïnterviewd. De grote schare rondlopende mensen doet stofwolken uit de droge aarde opstijgen. De aarde is okergeel, de Gamtoos stroomt breed en loom, lage heuvels zijn zichtbaar in de verte. En de lucht is zo helder, zo ontdaan van kometen en voorbodes als op de eerste dag van de schepping.
Uiteindelijk kunnen de officiële activiteiten beginnen. Op een lang smal podium volgt het ene item na het andere. Jonge meisjes in korte rokjes met tijgerprint voeren een energieke dans uit op een contemporaine maat. Een klein groepje Khoisan-kindertjes, in ouderwetse kleding, doet een dansje. Oudere vrouwen zingen en klappen, het stevige vlees van hun borsten en armen schudt uitbundig. De Inkwa Mighty Angels, een groepje jonge mannen, maken ongewone schuddende bewegingen met hun bovenlijf terwijl ze dansen. Een van hen blaast op een koedoehoorn – een droefgeestig geluid – sommige anderen spelen op een gorra* die zacht en harmonieus trilt, de trommelaars zwepen zich op tot een koortsachtig hoogtepunt. Het podium kan het gewicht van de dansers nog nauwelijks dragen. De schare wordt meegesleept, ze juichen en zwaaien met hun vlaggetjes; de persfotografen dringen zich naar voren om vanuit een betere hoek te kunnen werken.
Dan volgt een reeks huldeblijken en toespraken. Vrouwelijke Khoisan-leiders spreken, afgevaardigden van allerlei comités spreken, politici en historici spreken. Het enthousiasme van de aanwezigen begint af te nemen, ze worden meer en meer kriebelig. Het wordt geleidelijk aan warmer, de zon brandt genadeloos op de hoofden van de mensen. Op enige afstand staat de kist met de nationale vlag eroverheen gedrapeerd, bewaakt door vier mannen in uniform; af en toe tilt een briesje de vlag even op.
Saartje wordt aangesproken als ‘onze oma, onze oermoeder van de Inkwa-stam, een afstammeling van de eerste natie. Mamma Sarah,’ wordt gezegd, ‘je bent een internationaal icoon, een symbool van onze erfenis. Mamma Sarah, onze oma, je bent naar huis gekomen en je roept ons, het Khoisan-volk. Je gebeente is nu mét ons’. De wind jammert zachtjes in de luidsprekers. De president spreekt de natie toe, iedereen die vandaag hier voor hem staat, en alle mensen thuis, voor de televisie. Sarah heeft gezegevierd over boze machten, zij is een overwinning voor de democratie, een krachtige impuls bij het bouwen van een natie, zegt hij. De aandacht van de schare dwaalt meer en meer af. Jonge meisjes vlechten elkaars haren. Baby’s en oma’s slapen in de smalle schaduw van paraplus.
Een klein vrouwenkoortje komt aan de beurt. ‘Joy and Gladness,’ zingt het, ‘the voice of me-lo-dy, the voice of wil-der-ness.’ Verscheidene predikanten komen aan de beurt. De hoofdprediker draagt een donkere bril en een manteltje van dierenvacht over zijn toga. Zijn tekstvers is Genesis 4:10 – De stem van Abel die roept nadat Kaïn hem heeft vermoord. Deze man is bedreven in de retoriek. Hij bouwt zijn betoog stelselmatig op. Hij hoort de stem van Sarah Baartman roepen. Hij hoort de stem van Sarah Baartman roepen naar de baby’s, de kinderen, de meisjes, de moeders, de grootmoeders. Hij hoort de stem van Sarah Baartman roepen naar hen die mishandeld zijn, die onrecht is aangedaan, die verguisd zijn. Het wordt steeds warmer. De aarde achter de prediker krijgt een schelle okerkleur, een gebrand siënese achtergrond, een gepast decor voor Mamma Sarah’s hartstochtelijke aanspraken. Ze weergalmen over de vlakke gele aarde, over de hoofden van de passieve afgeleide schare, over de barre heuvels van de Hankey-vallei. Dan volgen gebeden in het Afrikaans en het Griekwa (zachte explosieve klikgeluiden). The Voices of Hope zingen, begeleid op een keyboard. Ze wiegen droefgeestig op de maat van de muziek, gekleed in zwarte rokken en witte T-shirts, een afbeelding van Mamma Sarah erop.
Uiteindelijk wordt de kist naar de lijkwagen gedragen. Mensen zingen en drommen samen. Wierook wordt gebrand. De lijkwagen (Goodall & Williams) vertrekt, te voet gevolgd door de hooggeplaatsten. Langzaam beweegt de stoet zich naar het heuveltje, Sarah’s laatste rustplaats, voortaan een terrein met het Nationale Erfenis-predikaat. De schare toeschouwers blijft achter. Picknickpakjes worden uitgedeeld. Iedereen tast toe: sinaasappelen, broodjes en kippenboutjes terwijl de laatste rituelen worden uitgevoerd op de heuvel – gebeden en incantaties worden gezegd, vrouwen zingen schril in Sarah’s moedertaal. Het wordt koeler, grote wolken pakken samen. De kist zakt. De lucht krijgt een kleur van donker indigo en kobalt, met flarden koper, oker, magenta, viridis groen en gebrande omber. De compacte wolkenmassa wordt steeds dreigender. De silhouetten van grote inheemse aloë’s (aloe bainesii), de bloedrode vlambloem (kniphofia) en kleine acacia’s worden geprojecteerd tegen de dramatisch verdonkerende lucht. Op enige afstand zijn de lamentaties en het gekerm van vrouwen hoorbaar. Een klein koortje zingt als laatste en hier eindigt Mamma Sarah’s meelijwekkende reis uiteindelijk in triomf en eerbetoon.

6.
Ik blijf tien dagen logeren bij mijn twee dochters hier in Grahamstad. Ik woon repetities bij. (Noziswe draagt een pruik in een oudgouden kleur.) Ik doe boodschappen. Ik kook: Griekse stoofpot van groenten, bobotie, groentenkerrie. Op een ochtend drink ik thee met Anton, mijn ex-man, op de datum van onze trouwdag, vierendertig jaar geleden. We zijn nu allebei grijs en getaand, aanzienlijk meer gehavend dan toen. Ik bak taart. Op een ochtend is Brinks oog bloedrood, moet van stress en spanning zijn. Gevoelens van ontreddering liggen aan de oppervlakte van mijn bewustzijn, er moet niet veel gebeuren om ze naar boven te laten komen. Zestig jaar indrukken, denk ik, in mijn doorleefde hoofd gehecht. Het dode Bosmannetje was anders dan ik me zijn geconserveerde lichaam had voorgesteld. Ik vermoed dat ik me hem meer natuurgetrouw, minder getransformeerd, voor me had gezien. Getransformeerd tot stof, tot steen, nauwelijks nog menselijk, zijn huid bijna niet te onderscheiden van de gifbolbladeren waarin hij was gewikkeld. Ik koop een tweedehands exemplaar van Waiting for Godot. ‘Al die dode stemmen,’ zegt Estragon. ‘Wat zeggen ze?’ vraagt Vladimir. ‘Ze praten over hun leven,’ zegt Estragon. ‘Geleefd hebben, is niet genoeg voor hen,’ zegt Vladimir. ‘Ze moeten er over praten,’ zegt Estragon. ‘Dood zijn, is niet genoeg voor hen,’ zegt Vladimir. Ik ben in mijn werk ook altijd bezig met de doden. Hoe anders? Op een ochtend neemt Brink mij mee naar het monument om kaartjes te kopen voor het Feest. Van boven op de heuvel bij het monument is de steengroeve zichtbaar. Ik vraag haar er een foto van te nemen. Ik kijk naar de grond bij mijn voeten. Grassprietjes en steen. Het gras beweegt licht in de wind. Een vertrouwd landschap, een vat vol talloze herinneringen.
In het dorp kan ik niet over de armen heen kijken. Stuk voor stuk doen ze een beroep  op mij. Geef je de een iets, blijven de duizend anderen verstoken. De dorpsbewoners, merk ik, hebben geleerd hun blik afgewend te houden, om zich niet aangesproken te voelen voor het lot van de bedelende kinderen op straat. Al lopend bekijk ik al die gezichten, ik zoek naar afstammelingen van Mamma Sarah’s mensen – de Inkwa’s, de Gonakwa’s en Damakwa’s – de eerste mensen. Ik zoek naar mooie kinderlijk ronde hoofden, brede jukbeenderen, die duiden op de San-voorgeslachten. Ik zie de zachtere schakeringen bruin van de plaatselijke Xhosa-mensen, de donkerder tinten van mensen uit andere delen van Afrika. Ik zie de fijne rasechte trekken van Engelse gezichten, robuuste Afrikaanse gezichten, pioniersgezichten.
Ik houd van Grahamstad. Zou ik hier kunnen wonen, mijn leven in het subtropische Durban opgeven? Mijn man laten weten dat hij mijn spullen moet verkopen, uitdelen aan de armen, een schenking doen aan het Leger des Heils? Alleen mijn schelpen mag hij mij opsturen, mijn schelpen, schedels en stenen – allemaal overblijfselen van wat ooit levend was, bewoond was, een bewustzijn had, hoe beperkt ook. Ik zou hier een laatste nieuw begin kunnen maken. Mijn leven aanzienlijk vereenvoudigen. Mijn oog houden op de graspollen bij mijn voeten, de stenen, en dan mijn blik laten gaan over de zachte okerkleurige geologische formaties van de heuvels in de verte, en de grasvelden, door de wind licht beroerd, ’s winters zowel als ’s zomers.

*gorra: primitief instrument bestaande uit een dikke stok en één snaar waarop geblazen wordt.

 


Vertaling door Riet de Jong-Goossens


De Nederlandse vertaalster Riet de Jong-Goossens studeerde eerst Franse taal en letterkunde voordat zij zich op het Afrikaans stortte. Tijdens haar studie specialiseerde zij zich in literaire vertalingen. Haar eerste gepubliceerde vertaling was Donkerboskind (1989) van de Zuid-Afrikaanse schrijver Louis Kruger. In ruim twintig jaar heeft De Jong-Goossens tientallen boeken vertaald van schrijvers als Ingrid Winterbach, Koos Prinsloo en Marlene van Niekerk (onder andere Agaat). Daarnaast zette zij zich op vele andere manieren in voor de Zuid-Afrikaanse literatuur. In 2010 won zij van het Prins Bernhard Cultuurfonds voor haar gehele vertaaloeuvre de Martinus Nijhoff Prijs: de belangrijkste Nederlandse onderscheiding voor vertalers.


Podcast voorgelezen door Maeve van der Steen