citybooks

Beeld van een gewapende strijder op een paard

Abdelkader Benali

1
Wie in augustus het kleine Skopje bezoekt, moet rekening houden met een droge hitte die van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat aanhoudt en eerder op zijn plaats lijkt in de riviervalleien rond Marrakech dan in de koel geachte heuvels van de Balkan. Deze temperatuur tempert het gemoed van de inwoners danig maar wat zij voorhebben op de argeloze bezoeker is dat zij zich er sinds de lente al op hebben kunnen voorbereiden zodat ze, wanneer geconfronteerd met de langzaam aanzwellende föhn, de stijlvolle indruk kunnen wekken er geen last van te hebben. Dit is bij de onvoorbereide reiziger heel anders, bij hem hangt bij aankomst de hitte als een in honing gedrenkte slinger om hem heen. De hitte is de hoofdpersoon van deze reis.

De hitte geeft charme aan de stad. De gegoede middenklasse ontvlucht de stad, wie achterblijft neemt hun plaats in. Mensen veranderen van kleding en gedrag zonder dat ze iets van hun opinies of wereldbeeld hoeven op te geven en toch lijken het heel andere, door een wonderbaarlijke verlichting aangeraakte mensen te zijn geworden. Plotseling is alles minirok, Ray Banzonnebrillen en milkshakes wat de klok slaat. De fonteinen creëren een illusie van waterige overvloed in een kurkdroog klimaat, een special effect dat de bewoners geruststelt: het einde der tijden is nog ver weg. De voorbijgangers lijken op weg naar een feestbanket, het zijn figuranten geworden in een droom die je ter plekke verzint. Wat gedaan moet worden, wordt afgehandeld in de ochtend. De rest van de dag ligt open voor de reiziger die bij zijn loopjes geen strobreed in de weg wordt gelegd. De aangename aanwezigheid van katten die links en rechts wegschieten dikken de verlatenheid van dit alles nog wat aan. Dit is een stad, zo zal de reiziger ontdekken, waar hij kan verdwalen in zijn eigen dromen en hersenspinsels.

Waar in de winter de stad bevriest, droogt hij in dit helse klimaat uit. De zon die de hete lange dagen rijkelijk met licht decoreert, geeft de stad het aanzien van een tikkeltje overbelichte foto uit de jaren zestig. In die omstandigheid trof deze reiziger Skopje aan.

Goed aankomen in een stad is het halve werk. De reiziger is zich hier na vallen en opstaan van bewust geraakt. Zelfs wanneer er een jetlag in de kop zit, moet men eropuit. Uitrusten bij aankomst is verlies van kostbare tijd. Bij aankomst bespioneert men de buitenkant van de dingen als op geen ander moment. Bij de tweede keer kijken licht het besef op dat men door de dingen heen kijkt, dan is men al is begonnen ze te controleren op inhoud, op waarde, op afkomst, op geschiedenis en op schade. De eerste blik echter is nog geheel vrij van oordeel en hoeft niets tot nut te zijn.

De reiziger is niet noodzakelijkerwijs iemand die van reizen houdt; integendeel, hij was veel liever thuis gebleven. Het overwinnen van de reserve is een gevecht op zich dat de reiziger onderweg aangaat. Buiten de deur is alles een sta-in-de-weg.

De koffer wordt van de loopband gehaald, het paspoort wordt gecontroleerd op de uiterste houdbaarheidsdatum. De taxichauffeur snelt naar voren om de reiziger in zijn auto te helpen. Bij het inrijden van de stad krijgt men een eerste glimp van wat men de dagen erna steeds opnieuw zal zien in steeds weer wisselende gedaanten. Die eerste indruk is de lijst waarin het schilderij moet worden ingetekend. Minaretten. Het dak van een voetbalstadion. Een brug. Beton. Een Cyrillisch alfabet. Groene heuveltoppen. En daar is de rivier die niet breed en diep genoeg is om de stad helemaal te splijten en haar zo die aangename schizofrenie kan geven die alle steden hebben die door een rivier doorkruist zijn. Dit alles gekookt in een bouillon van warmte.

2
Het hotel dat de reiziger betrekt, is een burgermansbordeel dat moet doorgaan voor jeugdherberg. Het heeft iets koddigs dat je aan de bar vooral stelletjes met overgewicht ziet zitten die, als de geroutineerde smalltalk is afgehandeld, onhoorbaar verdwijnen naar een van de simpele kamers waar niets ze afleidt van de seksuele verplichting. De vrouwen hebben dikke enkels, de rok komt tot net over de knieën, de panty staat op knappen, net als de vrucht die men bij zich draagt. De mannen wrijven over hun neus. Achter zijn kopje koffie zit de reiziger te kijken met de ogen opgestoken als antennes. De samenzwerende minnaars maken de indruk het samenzijn te zien als een bureaucratische plicht die zonder al teveel poespas verricht moet worden, want zo nors en zo zonder enig plezier in het spel zitten ze tegen over elkaar. In die tien dagen van zijn verblijf zal hij er niet één zien glimlachen om al het hartelijks dat men elkaar aandoet. Een schaterlach is hier een zeldzaam geluid, wellicht met uitsterven bedreigd of juist nooit gesignaleerd geweest.

Aan de jeugdherberg zit een restaurant vast dat, in geval van nood, de hele stad zou kunnen voeden. Toch zitten er ‘s avonds maar weinig mensen. Er wordt er een uitstekende soep geserveerd die meestal in de ochtend wordt gegeten door een samengeschoold groepje mannen, bouwvakkers en bankdraaiers, die zich al slurpend een excuus verschaffen om het, de buik gevuld, op een welgemeend zuipen te zetten. Ook van de sigaretten kan men niet afblijven. Volgens The Economist heeft eenderde van de Macedonische beroepsbevolking geen vaste dienstbetrekking. Dan wil je wel paffen. De reiziger is een gezondheidsfreak.

3
De benaming ‘Balkan’ kwam pas in de negentiende eeuw in zwang, zo leest de reiziger in The Balkans van Max Mazower. Hij leest op zijn hotelkamer, op zijn bed, met zijn benen naar het zuiden gekeerd, het hoofd naar het noorden. Het maakt niet zoveel uit, warm is het overal en de airconditioning is een parodie op zichzelf. Voordien werd het ‘Turks Europa’ genoemd, in deze streken stond het gelaat gericht naar de Ottomaanse macht in Istanbul, terwijl het lichaam krampachtig droomde van dat andere, christelijke Europa. Dit is een erfenis waarvoor in het christelijke-humanistische Europa weinig plaats is, mijmert de reiziger. De ideologie van een christelijke-humanistische traditie die de parlementaire democratie en de welvaartstatus mogelijk maakt, gaat ongemakkelijk samen met de idee dat er op hetzelfde continent eeuwenlang een macht aanwezig was die in alles verschilde. De reiziger strekt zijn benen, eet een donkerblauwe pruim, spuugt de harde geribbelde pit uit. De pit blijft op het nachtkastje liggen als een stille herinnering aan wat gegeten en verteerd is. Uit de pit zou een nieuwe pruimenboom kunnen groeien, aarde genoeg.

De aanwezigheid van 500 jaar Ottomaanse macht is verworden tot een voetnoot, stelselmatig onderdrukt door de prille landen die met hun duur bevochten onafhankelijkheid overgaan tot historische zuivering, helemaal sinds etnische zuivering uit den boze is. In zijn biografie roept de briljante Servische uitvinder Tesla zijn land uit tot verdediger van de Europese traditie tegen de barbaren. De Arabische aanwezigheid van Sicilië en Andalusië, het mag plaatshebben in de reisgidsen, in de mooie architectuur waarmee de argeloze toerist wordt gelokt en in menig zoetsappig praatje van een verlichte politicus – maar dit voelt allemaal eerder als een strategie van exclusiviteit dan inclusiviteit. In de cultuurgeschiedenis wordt de erfenis van middeleeuwen, gotiek en barok moeiteloos doorgetrokken naar de architectuur van vandaag de dag. Wat op het continent werd gebouwd door de muzelmannen dient ter bewondering, niet ter navolging. De moskee, de badhuizen, de bazaars: ze voegen iets toe aan een mystiek, exotisch Europa waar een sfeer wordt geproefd en gevonden die men snel kan meenemen naar de restaurants en shopping malls. De paar historici en revisionisten die de stormbal hijsen voor deze beschavingsaanwezigheid worden afgekocht met een conferentie aan de Europese periferie. Van hen wordt weinig meer gehoord. De reiziger valt in slaap met het klinken van de muezzin.

’s Nachts droomt de reiziger in zijn bedje van een labyrint waarin het geurt naar gedroogd hooi. De Balkan, een aaneenschakeling van ijle koortsbeelden die een leven lang meegaan. Iets wat gezocht wordt om het nooit te vinden daar waar het is. Ergens ver weg lopen de laatste Europese herders rond die de zwarte beer op afstand weten te houden van hun geiten, daar waar bloedwraak usance is, meisjes worden geschaakt en Bobby Farrell van de popband Boney M. een minderjarig Roma-meisje trouwde. De plek waar alle sporen doodlopen om op een imaginaire plek samen te komen. De reiziger wordt wakker in dezelfde hitte die hij de avond ervoor heeft verlaten.

4
Kroatië en Slovenië gingen Macedonië als reisbestemming voor. Ljubljana en Zagreb zijn steden waar de mastodontenarchitectuur van Midden-Europa een bastion van steilheid is tegen het gebrek aan beschaving van de Balkan. Het verlangen naar Teutoonse regelmaat moest de gedachte aan de aanwezigheid van de barbaren neutraliseren, een goed voorbeeld is de grillige kustlijn van Kroatië die naarstig in orde werd gebracht voor de nieuwe wereldorde van het internationale toerisme. Die surrealistische samenvloeiing van droom en daad, zo naarstig gezocht door de reiziger, werd daar niet gevonden, ook omdat hij nog niet de reiziger was die hij zou worden: toegankelijk voor het toeval, intolerant jegens teleurstelling. Snijden we het lichaam van de reiziger open om toegang te krijgen tot zijn ingewanden dan vinden we daar een sterk ontwikkelde maag, bereid om heel wat ongehoords te verteren. De lever zuivert alle decepties, de milt levert het extra bloed om de verveling te weerstaan. En overal liggen pakketjes vet om de schokken op te vangen waar het reizende lichaam aan blootstaat. De kont is breed en vet.

De reiziger verlaat huis en haard omdat hij zijn orde wil inwisselen voor een tegenorde, een plek waarvan hij niets mee naar huis wil nemen omdat het onmogelijk is, omdat het dan zou sterven. Met die gedachte troost de reiziger zich bij het afscheid; een afscheid dat veel te snel komt, abrupt als het vallen van de avond rond de evenaar.

5
De reiziger verlaat het hotel om de stad in te duiken en wordt geraakt als hij een overdekt winkelcentrum doorkruist. De architectonische vernieuwing, eufemisme voor vastgoedfraude, is in Skopje een recent verschijnsel waardoor de programmatische gebouwen van de oude Koude Oorlog-stempel nog aangenaam overheersen. Ze herinneren aan een tijd toen de vrouwen nog bruine leren damestasjes en rokken net boven de knie droegen en de Zava’s – wagens van Joegoslavische makelij – nukkig uit de straten aan kwamen tuffen, als bouwvakkers met kinkhoest. Ook duikt de zwart omrande leesbril met dikke glazen nog prettig vaak op. Bureaucratische artefacten als conceptuele interventies. Een amalgaam van schofterig beton, socialistische volksarchitectuur en plattelandshuisjes, dat is wat Skopje is. Een bewoonster van een van de sprookjeshuizen die tussen de betonkolossen staan, wuift hartelijk naar de bezoeker. Wat brengt hem hier? Een glimlach.

Appartementsgebouwen staan in blokken van vier, als torens in het schaakspel die bij elkaar zijn gekomen voor een suïcidaal eindspel, van elkaar gescheiden door een binnenterrein waar de verdwaalde flaneur doorheen kan steken om uit te komen op de grote autostraten. Geen stad waar zoveel beelden het straatbeeld ontsieren als Skopje. Geen perkje, laan, boulevard, inkeping of er staat wel een bronzen gedrocht te koekeloeren. Er moeten plekken zijn op aarde waar de gemiddelde smaak van de gemiddelde mens bevredigd wordt. De stad wordt in de eerste paar uur door de vreemdeling veroverd. De eerste indrukken vormen het skelet dat door latere impressies wordt ingevuld. De rivier Vardar is een triest makende rivier; mannen van middelbare leeftijd staan rechtop in het kolkende water te vissen terwijl op steenworpafstand een gigantisch riool het stadsbraaksel afvoert. Aan de oevers verblijven Roma-families, hun kinderen banjeren poedelnaakt heen en weer over het fietspad. De leden van de familie sorteren de plastic flessen uit die ze in de binnenstad uit de vuilnisbakken hebben gevist. Een vrouw zet een colafles aan haar mond waar nog een drupje vocht in ligt. De zure lucht van de rivier kruipt als een slakkenspoor door de hersenkwab. Troosteloosheid als routine.

6
De reiziger trekt eropuit met geen ander verlangen dan zijn verwachtingen vervuld te zien. Zijn ik is ondergeschikt aan de som van de indrukken die hij krijgt. Het misgaan van dit project wordt het verhaal. ’s Avonds laat schrijft de reiziger zijn eerste zinnen met het woord ‘ik’ erin.

Langs de rivier groeit onkruid en er staan veel huisjes die eerder in een dorp thuishoren dan in de stad; ze geven de stad iets aangenaam provinciaals. Na de Tweede Wereldoorlog trokken plattelanders naar de stad om de industrie van werkkrachten te voorzien en de herders namen hun geiten mee, hun onafscheidelijke metgezellen sinds duizenden jaren. Duizenden geiten struinden door de stad op zoek naar groene blaadjes totdat een wet daar een einde aan maakte. Het werd voortaan verboden in de stad geiten te houden. De geitenhoeder raakte zijn dier kwijt, een nieuwe fase begon – de fase waar het land nog altijd in verkeert: het post-geiten-stadium.

In zijn kantoor op de Academie van de Letteren en Wetenschappen bezoek ik de schrijver Milosz. Een donkerbruine kamer waar het zonlicht ook zijn weg weet te vinden. Hij laat me al zijn vertaalde romans zien, en dat zijn er behoorlijk wat. Het Nederlands zit er niet tussen. Van hem hoor ik het verhaal van de herders die met hun geiten naar de stad kwamen. We spreken Frans, de taal van de salon. ‘Duizenden geiten in de stad. In de jaren vijftig besloot de overheid er paal en perk aan te stellen. Het werd de burgers verboden om het groen aan te tasten. De manier om het geitental terug te dringen.’ Volgens Milosz zit de Balkan nog altijd in een overgangsstadium van het traditionele plattelandsleven naar de wetten en dictaten van de moderne stad. Het kan niet anders dan dat om die reden de Macedoniërs, in tegenstelling tot hun Bulgaarse buren, de aanwezigheid van de sedentaire Roma met een zekere lichtheid van hart bekijken. Het hoort erbij, zoals een geit erbij hoorde. Hij beantwoordt geen enkele vraag die ik hem stel. Een literaire apparatsjik gevangen in zijn vertalingen.

In 1963 legde een aardbeving in Skopje een deel van het historische centrum in puin. Ervoor in de plaats kwamen verschillende bijdragen van internationale architecten die op uitnodiging van leider Tito de stad weer gingen opbouwen. Skopje werd de stad van de solidariteit. Een pr-stunt van jewelste die meteen liet zien dat ook de oude ijzervreters een zekere soepelheid van geest aan de dag konden leggen als het ging om het in de luren leggen van de internationale opinie. Architectuur van destijds: een flinke shot Corbusier waar ik, als ik door het betonrot heenkijk, nog heel wat revolutionaire schoonheid in meen te zien. Later zal ik foto’s zien van jonge architecten die naar Skopje kwamen om hun betondromen waar te maken; ze zagen er allerminst verdord en stevig uit, eerder fris en fruitig. De ideeënrijkdom van mensen gaat als zo vaak in vuur verkleed. Het is als argeloze wandelaar niet makkelijk om bij de gebouwen te komen. En in de gebouwen is betonrot gekomen. Om verschillende authentieke gebouwen heen zijn verwarrende clusters mislukkingen van kantoorgebouwen gezet. Er is altijd iets mis mee; te veel glas, te weinig glas, te dik glas. Of geen glas. Men moet nog wennen aan het idee van transparantie – daar gooi ik het dan maar op. De ongelukkige verhoudingen waarin de glazen gebouwen worden neergezet duidt op de verwarring die er heerst rond zaken als democratie, verantwoording en inspraak. Die nieuwe zakelijkheid – een ander woord voor witwassen – ontneemt het zicht op wat de moeite waard is, het verblindt de mens die gaat verlangen naar totale vernietiging.

7
Tijd voor een wandeling. Bij het station van Skopje is een klein kantoor van de Politieke Beweging. Er zit een vrouw met een bril op – type badvrouw in een Hongaars badhuis – formulieren te ordenen. Vreemd bezoek kan hier nu niet ongelegener komen. Toch wil ik haar graag lastigvallen met mijn impromptu vragen over maarschalk Tito. Mensen die niet willen praten zijn een stuk interessanter om te verleiden dan babbelkousen. Op de wanden hangen foto’s van Tito; buiten wappert de oude Joegoslavische vlag. In Rotterdam was naast de slagerij van mijn vader een Joegoslavisch café waar een goede afvaardiging samenkwam om naar Rode Ster Belgrado te kijken.

Ik begrijp niet hoe ze het hier uithoudt zonder airconditioning. Een grote foto van Tito onttrekt de bureaucratische mappen aan het zicht. De beweging heeft meer dan 3.000 betalende leden. Het doel is om Tito’s erfgoed te bewaken. Ik wil met haar praten over de tijd voor de burgeroorlog, het verlangen naar de kalmte en etnische stabiliteit. Tijdens het gesprek maakt ze geen ontspannen indruk; ze is verbitterd, vermoeid en weet niet zo goed hoe ze dit platgetreden verhaal aan een vreemdeling moet vertellen. Ik begrijp dat ik de verkeerde persoon aan het bevragen ben. De juiste persoon werkt hier niet meer.

‘Wij zijn tegen deze regering.’
‘Is deze minister-president een soort Tito?’
‘Geen Tito. Hij is Hitler.’ Ik vraag haar om uitleg. Ze schudt haar hoofd. Voor een echte uitleg moet ik met de voorzitter bellen. Ik koop voor 50 eurocent een Titokalender. Op mijn hotelkamer blader ik erdoor. Tito met vrouw. Tito op het bordes. Tito in uniform. Tito alle dagen van het jaar.

Het vertrouwen in de politiek is laag. Corruptie is het grote probleem. In de tien dagen dat ik hier ben, is er niemand die me kan uitleggen hoe de democratie hier werkt. Ze weten het wel, maar het vertellen kost te veel energie, alsof je over een familielid moet praten aan wie je een schurfthekel hebt. Onder de politiek ligt dat wijdvertakte stelsel van corruptie waar menig Macedoniër graag onderdeel van wil uitmaken. Een Macedoniër vertelt me dat tijdens een onderzoek naar corruptie aan duizend studenten werd gevraagd welke overheidsinstelling het corruptst was. De douane. Toen ze werd gevraagd waar ze het liefst zouden willen werken was het antwoord: bij de douane. Niets overtreft de beruchte zwarte humor van de Balkan.

Niets voor niets dat de gebouwen die aan de rivierbanken uit de grond worden gestampt met argwaan worden bekeken. Publiek geld dat in beton wordt gegoten. Niemand die weet waar het vandaan komt, niemand weet waar het naartoe gaat en hoe langer je ernaar kijkt, hoe minder je begrijpt waarom het er staat.

8
Dan is er nog de historische figuur Alexander de Grote, de eerste kosmopoliet die het waanzinnige idee om de wereld te veroveren normaal deed lijken. Hij trok er met zijn Grieks-Macedonische good looks op uit, als we Oliver Stone en Brad Pitt mogen geloven, om de Perzische satrapen een lesje te leren. De eerste universele veroveraar, die, zoals ik in mijn blauwe maandagen van geschiedenisstudie hoorde, tot aan India ging om terug te komen met het Boeddhabeeld onder de arm. Tijdens mijn verblijf probeer ik tevergeefs in contact te komen met een historicus die me de Alexander de Grote kan uitleggen. Als ik na lang aandringen steeds nul op het rekest krijg, geef ik het op. Wat zeker is: Griekenland en Macedonië zijn in een bitter dispuut verwikkeld over de vraag tot welk Macedonië deze Grote Man behoorde. De Grieken pikken het niet dat Macedonië de naam van haar noordelijke provincie draagt. Helaas heeft Alexander de Grote zelf geen missive over zijn herkomst achtergelaten.

Deze verzuurde nationalistische discussie leidde tot een economische boycot van de Grieken tegenover het prille Macedonië. De toegang tot Thessaloniki, de havenstad die Macedonië onderhoudt, werd langdurig afgesloten. Madzirov, de getalenteerde Macedonische dichter die de reiziger ontmoet in het Ottomaanse district, herinnert het zich nog goed. ‘We hadden er allemaal onder te lijden. Er kwam niks meer in. Prijzen gingen omhoog.’ Met zulke buren heb je geen vijanden meer nodig. De sentimenten leven nog steeds voort. Een Macedonische jonge vrouw werd bij terugkomst uit Griekenland aan de grens opgewacht door een honderdtal Griekse hooligans. Beledigingen waren haar deel. Ze snapte er niets van: ze verliet hun land toch juist?

In dat licht moet de inauguratie van het gigantische ruiterbeeld worden gezien dat op het hoofdplein onthuld zal worden. Het beeld dat meteen de aandacht vangt wanneer je het plein opkomt. Het is nog tien dagen tot de onthulling van de gewapende ruiter op het paard. De gids vertelt dat het beeld zo genoemd is om de Griekse toorn niet op de hals te halen. Hoe vaak je ook om het beeld heen draait, mooier wordt het er niet op. Het beeld valt samen met zijn naam: een gewapende (zwaard) ruiter (Alexander) op een (groot) paard dat zijn voorste twee benen in de lucht heeft, wat erop duidt dat strijder en paard in innige harmonie heel wat arme Perzen onder de voeten hebben gelopen.

Onder het beeld verbeelden Macedonische gevechtstaferelen roemruchtige episodes. Geschiedenis is hier niet alleen een politiek statement, het is ook geschikt om het toerisme te stimuleren. Tientallen gezinnen en vriendenclubjes drommen om het beeld heen om met de satrapenvreter op de foto te gaan. De tijd dat een beetje historisch figuur om door ons herinnerd te worden toch zeker meer dan 100.000 zielen – liefst met een andere huidskleur en eetvoorkeuren – over de kling moet hebben gejaagd, ligt achter ons.

Wat ik bij het lezen van de ochtendkrant in mijn behaaglijke, narcistische Amsterdam zou hebben afgedaan als een Zuid-Slavische variant van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, krijgt hier iets beklemmends, paradoxaals. Door de gesprekken met mensen raak ik betrokken, wil ik partij gaan kiezen en me medeverantwoordelijk voelen. Het is de diepste wens van de mens door de ander goedgekeurd te worden om zijn last te mogen dragen. Het privilege van de reiziger is dat er altijd een moment zal komen waarop hij ervan weg mag lopen. Hij is toeschouwer maar groeit maar niet in zijn rol als medeplichtige. Wat overblijft zijn citaten die schroeien, na-ijlen, na-echoën.

Steeds beter begin ik te begrijpen waarom de mensen hier de toekomst met angst en beven tegemoet zien. Een kast die steeds voller raakt met muffe lijken. Een onverklaarbaar gevoel van heimwee. De hitte droogt hier alles uit, ook de laatste restjes inspanning om informatie te ontlokken aan mijn gasten. De nieuwsgierigheid die ik aan de dag legde bleek een manier te zijn om de lange, hete dagen hier dragelijk te maken. Zolang ik maar vraag en doorvraag kan ik de hitte op afstand houden. De laatste dag lukt het me niet meer. Ik gooi het bijltje erbij neer, leun achterover en geniet ervan zo ver van huis zijn.