citybooks

De buitenwijken

Brink Scholtz

Mijn vader huurt een kamer op een terrein in de buitenwijken van Grahamstad. Enkele pitbull terriërs liggen aan de ketting op verschillende plaatsen op het perceel. Hij vertelt me over een van de honden, die zich moeilijk kon aanpassen toen hij werd verplaatst van zijn positie dichtbij het huis naar een plek aan de rand van het erf.

Er zijn momenten dat het dier uitgesproken bang lijkt, zegt mijn vader. Als hij wakker wordt, bijvoorbeeld, wordt hij erg onrustig. Dan blaft hij tot hij niet meer kan en enkel nog een schor, hysterisch gehoest produceert.

De hond voelt een soort grote leegte, zegt mijn vader. Hij heeft het gevoel dat hij nergens meer thuishoort. Als er dan eindelijk iemand naar buiten stormt, vloekend en tierend, springt hij kwispelend op en neer. Het geeft hem een plaats in de groep. Zodoende is mijn vader zo nu en dan vanuit het raam zijn naam gaan roepen. Het lijkt hem te kalmeren en daarna gaat hij tevreden zijn hok in om zich een tijdje te verschuilen.

                        *

Er is een afscheidsfeest georganiseerd voor een van de leden van het gezelschap waarmee ik werk. Het wordt gevierd in het township, in het huis van een van de andere leden.

Het huis is klein. De warme gloed van de dieprode gordijnen steekt af tegen de bladderende roze muren. Er zijn drie banken in de woonkamer gepropt. Achter deze banken staan zich herhalende afdrukken op de muur, gemaakt door handen en voeten. Tegen de vierde muur staat een uitgebreid tv-meubel. Het domineert de kamer en het zwart-wit tv’tje dat het omlijst. Buiten, voorbij de openstaande deur, is het brede voetpad bedekt met kikuyugras; er zijn ezels, geiten, kinderen en afval, en in de verte bruine heuvels en een heldere hemel. De geur van houtvuur hangt in de lucht.

Er galmt muziek uit de twee luidsprekers op het tv-meubel. De gesprekken zijn luidruchtig; de gasten moeten schreeuwen om boven de stevige drumbeat uit te komen. Ik probeer te praten, een gesprek aan te knopen, maar ik merk dat mijn stem niet krachtig genoeg is. Dunne, rankachtige spieren trekken in mijn nek. Mijn reacties zijn te weloverwogen, mijn stem te schel. Halverwege een zin begin ik te hoesten, krijg tranende ogen en een rood gezicht.

‘Heb je griep?’ vraagt Thandeka, de gastvrouw, bezorgd. Ze draagt een felgeel, synthetisch shirt dat schreeuwerig afsteekt tegen haar diepbruine huid.

‘Ja,’ lieg ik gegeneerd.

Ik probeer haar weer te antwoorden. Ik slik. Drie woorden en ik ben weer onbedaarlijk aan het hoesten.

Thandeka neemt het gesprek over. Ze spreekt met ontzagwekkende intensiteit. Haar ogen houden mijn starende blik vast. Haar gebaren zijn groots en tragisch. Ze stampvoet, grijpt met haar handen naar haar hoofd, trekt aan de lange, gele vlechten. Er gaan sidderingen door haar formidabele boezem. Haar gezicht vertrekt van emotie. Ik hoor niet alles wat ze zegt, de muziek staat te hard, maar een kortstondige stilte in de muziek valt samen met een uiting van dringende noodzaak.

‘Ik was tegen je opgezet,’ zegt ze. ‘Ik was mezelf kwijt. Ik was Thandeka kwijt.’ Ze slaat op haar borst. ‘Maar vanaf nu beslis ik, ik alleen.’ Mijn ogen worden spleetjes bij de aanblik van het geel van haar shirt en het wit van haar opengesperde ogen. Ze refereert aan een acteur die mij niet vertrouwde en de rest van de groep beïnvloedde. Ik weet dat ze de naam van de persoon in kwestie niet zal noemen. De Xhosa-cultuur is er een van uiterste discretie en al worden woorden vaak snel en luid uitgesproken, ze worden uitgesproken met extreme behoedzaamheid.

‘Ik was bleddie fokking opgefokt!’

De woorden klinken een beetje ongemakkelijk uit haar mond, ongeoefend, en het heeft een wat kinderachtig effect. Ik wil lachen, maar doe het niet. Op haar gezicht staat niets dan woede en pijn. ‘Maar dat is nu afgelopen. Genoeg. Ik ben terug! Ik ben hier!’ Haar stem wordt triomfantelijk en ze lacht een brede glimlach. Ik zie de lijn waar haar tandvlees het synthetische roze tandvlees raakt van de rij valse tanden voor in haar mond. Ze strekt haar armen uit boven haar hoofd – een zegevierend gebaar. ‘Nu zul je Thandeka zien! Ik zeg het je! Je zult haar zien! Thandeka zal er zijn!’ En ze lacht: een allesomvattende lach, het geluid klaterend.

Ze trekt me aan mijn arm de keuken in om eten op te scheppen. Sommige vrouwen, leden van het gezelschap, maken ruzie rond de kleine keukentafel. Een van de mannen probeert ze te sussen. Hij komt nauwelijks uit boven het gillen, het verontwaardigde handen klappen en de afkerige uitspraken terwijl er met armen wordt gezwaaid. De gastvrouw stort zich direct op de ruzie, alhoewel moeilijk is vast te stellen waar die over gaat.

‘Ik ben nog aan het praten,’ roept een kleine vrouw. ‘Ik ben nog niet klaar met wat ik wil zeggen! Ik laat je weten wanneer ik klaar ben met wat ik wil zeggen! Ik laat het je weten!’

Een andere vrouw probeert ertussen te komen, maar de vrouw briest: ‘Ik laat je weten wanneer ik heb gezegd wat ik wil zeggen!’ Ze begint te bewegen als een bokser, bukt en stapt heen en weer, bewegingen die haar verhevigende woordenstroom kracht bij zetten. ‘Hoe kun je zeggen dat je niet was uitgenodigd? Zei ik niet dat er een feest was?! Zei ik niet dat het vandaag was?! En vroeg ik je niet om geld voor het feest dat vandaag aan de gang is? En gaf je mij niet dat geld voor het feest dat vandaag aan de gang is, uit je eigen zak? Ging het niet zo? Lieg ik?’

‘Je liegt,’ zegt de toegesproken vrouw, blijkbaar onverschrokken.

‘Je zegt dat ik lieg?’

‘Ik zeg dat je liegt.’

‘En ik zeg: hoe – kun – je – zeggen – dat ik lieg?’ Het is net een strijdkreet die wordt herhaald met toenemende hevigheid: ‘Hoe kun je zeggen dat ik lieg?!’

Ik glimlach beleefd, in de hoop dat ik zowel sympathiek als neutraal overkom.

Thandeka overhandigt me een gigantisch bord eten: drie karbonades (vooral vet), een berg pastasalade, een broodje en een knalrood stuk boerenworst.

Ik maak bezwaar, voorzichtig. ‘O, ik heb eigenlijk geen…’

Alle vijf de vrouwen draaien zich naar me om. ‘Eten!’ roepen ze.

‘Ja, maar – ‘

‘We zijn hier niet in de voorstad!’ roept de kleine. ‘Dit doe je hier niet. Dit doe je niet!’

Ik word voorgegaan langs een lap stof die aan de deurpost hangt naar de aangrenzende slaapkamer, een zuiver blauw geschilderd. Het is er koel en donker. De enige andere blanke genodigde zit al op het bed te eten. Buiten de deur gaat de woordenwisseling voort.

‘Zeg je dat ik een leugenaar ben?! Is dat wat je zegt?!’

Plotseling klinkt Thandeka’s stem boven de rest uit. ‘Wie heeft de muziek uitgezet?’ hoor ik haar door de woonkamer bulderen, waar het volkomen stil is.

‘Dat was Lenny,’ roept een van de mannen scherpzinnig.

Weer een moment van stilte, de spanning is voelbaar door de muur heen, en dan antwoordt ze: ‘Lenny mag doen wat hij wil vanavond omdat het zijn afscheid is.’ En ze loopt terug naar de keuken.

Er volgt een uitbarsting van opgelucht gelach, er wordt nieuwe muziek opgezet en de woordenwisseling in de keuken wordt hervat. Een zachtere stem is hoorbaar wanneer de man opnieuw probeert de situatie te sussen. ‘Hayi man, Thabo, we hebben geen ruzie!’ maant een andere vrouw hem tot stilte. Zijn reactie is onhoorbaar; gesmoord door het unanieme bevel dat hij moet vertrekken. Een kortstondige stilte, terwijl de man vermoedelijk weggaat, en dan gaan de vrouwen tevreden verder.

                        *

Er is nog een hond vastgemaakt buiten de deur van mijn vader. Haar ogen zijn klein en staan ver uit elkaar. Mijn vader wijst op haar schoonheid. Ze springt recht de lucht in, twee keer haar eigen hoogte. Haar ketting komt met een plof neer. ‘Ze is erg elegant,’ zegt hij.

’s Avonds heeft mijn vader een maaltijd van witbrood en vlees. Hij eet wat het gezin eet, maar hij eet de maaltijden liever in zijn eigen kamer. Hij eet enkel wat van de worst. Zodra het donker is, neemt hij de rest van de maaltijd mee naar de hond. Soms ruikt haar adem de volgende ochtend naar knoflook.

Hij is aan het sparen om een tuigje voor haar te kopen, zegt hij, zodat haar huid kan genezen. Hij laat me zien waar het kapot is geschuurd tegen de ketting. Zijn ogen worden iets kleiner als hij met zijn hand over haar kop en over haar rug aait. Zijn armen zijn lang en zijn handen fijn: de nagels als schelpjes. Ze gaat liggen in het stof en biedt hem haar buik aan.

                        *

In de weekenden die ik als kind bij mijn vader doorbracht, bezochten we vaak het township – Guguletu, aan de rand van Kaapstad. Ik herinner me de geur van vlees en de dichte rook in de blauwe schemering. Ik herinner me dat ik me in een bewegende menigte bevind en mijn vader vraag om me naar huis te brengen, terug naar mijn moeders rustige huis.

Op maandagochtend zaten we in de aula van de school te luisteren naar de directeur die sprak over die swart gevaar. Later op de dag deden we bomoefeningen waarbij we onder ons bureau kropen.

Mijn vader was dol op het township. Hij vond het een veel opwindender sociale omgeving dan het blanke leven in de voorsteden. Soms vermoedde ik dat hij liever een zwarte dochter had gehad.

                        *

De eerste helft van het jaar repeteren we op de dramafaculteit van de universiteit. Een vrouw die Gladys heet maakt het gebouw schoon.

Ze berispt me een aantal keren. Als ik een keer naar het toilet wil vlak voor een voorstelling, jaagt ze me weg.

‘De voorstelling begint zo,’ smeek ik.

‘De vloer is nat,’ zegt ze, terwijl ze de deuropening bewaakt als een schildwacht.

‘Ik zal voorzichtig lopen. Alstublieft, ik ben wanhopig.’

Ze reageert niet, maar staart in de verte, haar hand rustend bovenop haar mop. Haar wangen zijn groot en glad, haar blik uitdrukkingsloos.

Een andere keer zegt ze dat ik thee op de vloer van de repetitieruimte heb geknoeid en dat ik het moet opruimen. Weer een andere keer klaagt ze dat ik kruimels op het aanrecht in de green room heb laten liggen. Ik leg uit dat ik juist altijd zorg dat ik opruim, omdat ik weet hoe precies ze is. ‘Er lag daar een kruimel,’ zegt ze en wijst de precieze plek aan. Ik bied mijn excuses aan en beloof dat het niet weer zal gebeuren.

Op een dag is ons werk bijzonder veeleisend: we zijn een productie aan het filmen in het theater. Ik hoor Gladys praten tegen de conciërge op de gang. Haar stem klinkt luid en uitbundig. Ik glip uit het theater, sta buiten de deuren met mijn vinger tegen mijn lippen, sis ‘shhh’ en kijk haar recht in haar ogen.

Ze richt zich op tot haar volle lengte. ‘Praat niet tegen me alsof ik een kip ben,’ zegt ze.

‘We zijn aan het filmen in het theater. Er zijn hier mensen aan het werk,’ zeg ik. Houd haar blik vast.

‘Ik ben geen kip,’ zegt ze. Loopt op me af. Al zijn we even lang, ze is veel groter dan ik.

‘We zijn hier aan het werk, Gladys. Deze plek behoort jou niet toe.’

‘Ik ben geen kip,’ zegt ze. ‘Ik ben geen kip.’

Ik antwoord niet.

‘Hier laat ik het niet bij zitten. Je kent me niet,’ zegt ze en draait zich om.

En ik denk dat ze mij ook niet kent.

                        *

Ik schrijf een klachtenbrief over Gladys. Ik kies mijn woorden zorgvuldig zodat ik tegelijkertijd redelijk en respectvol overkom. Hoe tactisch ik de brief ook formuleer, ik weet dat Gladys dwaas overkomt. En ik weet dat ze, hoewel ze niet wordt ontslagen of zelfs maar berispt, op een bepaald niveau geen verweer zal hebben tegen mijn woorden.

                        *

Ik kan me nog herinneren dat Gladys staakte. Een van de wasbakken zat vol braaksel.

                        *

De overgangen zijn moeilijk, zegt mijn vader. Als hij bij arme mensen is, is het geen probleem om arm te zijn. Hij zou het geen probleem vinden om slechts één set kleding te hebben. Pas wanneer hij zich onder mensen met geld begeeft, krijg hij soms een slecht gevoel.

                        *

Halverwege de dertig ging mijn vader een veelbelovende carrière tegemoet. Hij had al grensverleggend onderzoek gedaan. Toen, zes maanden nadat hij in een slopende depressie was beland, nam hij ontslag bij de enige baan in het land die perfect aansloot op zijn kwaliteiten. Achteraf besefte hij dat hij waarschijnlijk nooit zou zijn ontslagen, maar destijds was hij bang dat men erachter kwam. In de jaren die volgden had hij de ene na de andere depressie, die hem ervan weerhielden zijn carrière te hervatten.

We praten zelden over die gebeurtenissen. Slechts één keer – ik herinner me dat we buiten zijn kamer stonden en dat de heuvels blauw kleurden in de schemering – vertelde hij me dat er iets waarachtigs was aan zijn leven nu. Alsof het dichter bij een dierlijk leven lag, of iets dergelijks. Alsof dit is hoe leven echt was, of hoe het zou moeten zijn.

                        *

Als mijn vader wakker wordt, gaat hij buiten de kippen voederen. Hij kijkt toe hoe ze een stuk brood weggrissen en ermee vandoor gaan op vliegensvlugge dunne pootjes. Hij geniet van de rustige, tevreden zangerige begeleiding, afgewisseld met onverhoeds, komisch gekakel van paniek. Het is goed wakker worden, zegt hij.

                        *

Ik neem het gezelschap mee naar het terrein waar mijn vader woont om onderzoek te doen voor het theaterstuk over honden waar we mee bezig zijn. We staan bij de kooi van een van de grootste honden, die ooit meedeed aan gevechten. Zijn oren zijn aan flarden, zijn kop vol littekens en één mondhoek hangt slap waar die is uitgescheurd. De golfplaten wand van het hok dreunt tegen het geraamte van kippengaas als hij er kwispelend op af stormt.

Ik kom niet verder met dit stuk. Al wekenlang ontglipt het me. Telkens wanneer ik een nieuw idee krijg, wordt ook duidelijk dat het niet zal werken. Ik heb soms het gevoel dat ik vervloekt ben.

Behalve honden zijn er kippen, een geit en een schaap op het terrein. Het stuk grond is bezaaid met bouwwerktuigen, oude steigers en kruiwagens, stapels oude bakstenen en cementen bouwblokken, gedomineerd door een grote palmboom en een watertank op een hoge, ijzeren toren. De geit heeft de kamperfoelie kaalgevreten tot op ooghoogte. Behalve de was aan de lijn hangen er kleine artikelen verspreid op struiken te drogen in de zon. Er nestelen een paar adelaars in een groep dode dennen vlakbij het huis. In de verte staan doringbomen en aloë, de eerste heuvels kijken uit over de glooiende kustvlaktes die helemaal tot aan de heuvels rond Port Elizabeth reiken.

De geit staat naast mijn vader. Wanneer hij zijn horens aanraakt laat het dier zijn kin zakken, leunt met de bovenkant van zijn kop tegen mijn vaders been en geeft hem zachte kopstootjes. Hij krabt zijn rug.

Later neemt mijn vader ons mee naar zijn kamer en schenkt ons thee. Hij kan ons geen koekje aanbieden, zegt hij verontschuldigend. Hij legt kussens van het bed op de grond zodat er genoeg zitplaatsen zijn. De acteurs zijn stil, hun ogen groot. Ze verwachten dat huizen van blanken anders zijn – huizen met zwembaden, onderhouden tuinen en huishoudelijk personeel.

                        *

Een paar weken na het begin van het jaar verplaatsen we de repetities naar een activiteitenzaal van een kerk. Een grote vrouw maakt de ruimte schoon terwijl we werken. Zij en ik spreken nooit tegen elkaar.

Ze loopt van de ene kant van de zaal naar de andere, door het deel waar de acteurs repeteren. Door lompe dialoog, slapstick, dramatische bezweringen en harde keelgeluiden verplaatst haar gewicht zich van de ene voet naar de andere, onophoudelijk. Ze stopt nooit. Ik zie haar altijd enkel vanuit mijn ooghoek.

Op een dag ben ik in de keuken mijn lunch aan het opwarmen in de magnetron. Ik ben afwezig en denk aan de zich ontwikkelende dramatische actie. De vrouw is er ook. Plotseling lijkt mijn blik naar de zijkant van haar hoofd te trekken. Ik realiseer me dat de vorm van haar profiel is veranderd. Rond één helft van haar gezicht zit een zwelling die haar gelaat volledig verandert. De camouflage die ze heeft aangebracht is enkele tinten te licht en lijkt de zwelling eerder te benadrukken dan te verdoezelen. Haar ogen zijn neergeslagen. Misschien voelt ze dat ik haar aanstaar, want ze draait haar hoofd weg.

De volgende ochtend begroet ik haar.

Een week later, als de zwelling kleiner is geworden, zijn we beiden weer in de keuken voor het middageten. Ik warm kliekjes op van de avond ervoor. Ik haal het deksel van het bakje, zet de timer op anderhalve minuut, sta en wacht. Ik ben me bewust van haar aanwezigheid terwijl ze een deel van het aanrecht boent dat al schoon is, gevangen in een dagdroom.

Ze kijkt nog altijd naar het aanrecht als ze plotseling vraagt: ‘Heb je curry bij de groenten gedaan?’

Even ben ik met stomheid geslagen. Dan begin ik te praten zonder adem te halen en beschrijf ik het recept, noem de ingrediënten, leg alle stappen uit. Pas dan voeg ik toe: ik heb er geen curry bijgedaan.

Ze is even stil en dan zegt ze: ‘Ik ben dol op groenten.’

‘Ik ook,’ antwoord ik. Dan open ik de magnetron die allang heeft gepiept. De vrouw pakt haar bezem op en begint de vloer te vegen. Plotseling bedenk ik dat ik dacht dat ze niet kon praten.

                        *

Het gezelschap treedt op in het township. Na de voorstelling loop ik met het publiek naar buiten. Voor me loopt een kind op handen en voeten, beide voeten naar zijn handen slepend.

                        *

Als hij in een machtspositie verkeerde, zegt mijn vader, zou hij alles met beroemdheden erin verbieden. ‘Het is zo ontzettend vertekenend,’ zegt hij. ‘Het is net alsof Nicole Kidman die trouwt en een baby krijgt belangrijker is dan iemand uit het township die trouwt en een baby krijgt.’ Hij stond in de bibliotheek te dubben of hij glossy’s moest kopen voor twintig cent per stuk. De vrouw met wie hij samenwoont is er gek op en ze zijn leuk omdat er allemaal mooie foto’s instaan van mooie mensen en mensen zijn van nature geïnteresseerd in andere mensen. Maar toen bedacht hij dat ze zouden rondslingeren in huis en de kinderen ze zouden vinden en lezen. Hij zou zich slecht voelen, omdat de kinderen dan werden blootgesteld aan allerlei waarden die volkomen scheef zijn.

                        *

In een van onze producties werken we met enkele kinderen uit het township. Een lange jongen met knokige knieën speelt de rol van springbok. Hij zit er elke dans naast. Ik sta op het punt hem te vragen om niet meer mee te dansen, als ik me bedenk.

Ik heb een beeld van mijn vader als kind. Ik herinner me dat hij me vertelde hoe hij altijd toekeek hoe zijn vader het vuur platklopte om de kolen klaar te maken voor een braai. Op een dag toen zijn vader vuur maakte, ging die naar binnen om iets te pakken. In de veronderstelling dat hij behulpzaam was, had mijn vader de vlammen platgeklopt en per ongeluk het vuur gedoofd. Zijn vader was woest geworden en had hem gestraft met tien riemslagen.

Later zie ik het knokige-knieënkind een van de dansen in zijn eentje oefenen, in opperste concentratie.

                        *

Thandeka, de gastvrouw van het feest, struikelt vaak over de Engelse tekst van onze scripts. ‘Neem je tijd,’ zeg ik haar. Soms meen ik het. Haar houding is aan het veranderen, zoals ze me had gezegd. Ze is geduldiger tijdens mijn constante verbeteringen. Ik weet niet in welke mate ze zich bewust is van mijn irritatie. Ik doe mijn best het verborgen te houden. Als ik haar vraag om een zin te herhalen, doe ik dat op beheerste toon. Enkele weken na het feest is ze te laat op het werk. Ik waarschuw haar dat het te vaak gebeurt. Ze kijkt naar de vloer. Het spijt haar, zegt ze. Het gebeurt te vaak, antwoord ik. Ze draait om en loopt weg.

De volgende dag stuur ik een bericht naar de cast met de vraag of ze later naar de repetitie kunnen komen omdat ik vertraagd ben. Ik ontvang een antwoord van de vrouw. Er staat: ‘Ik doe alles wat u wilt mijn meester. Ik ben slechts een locatiedier.’*

Ontzet vraag ik of we kunnen praten tijdens het middageten. Tijdens het werken ontwijken we elkaars blik. Ik zie tranen in haar ogen. Aan het eind van de repetitie lopen we in stilte naar een plek waar we onder vier ogen kunnen praten. We zitten aan weerskanten van de tafel.

‘Waarom stuurde je dat bericht?’

‘Ik was boos,’ zegt ze. ‘Ik dacht niet na. Ik schreef het gewoon op. Het spijt me. Soms zeg ik zomaar wat als ik boos ben.’

Ik wil haar geloven. Ik zie dat ze zichzelf wil geloven.

Ze maakt een moeilijke periode door, zegt ze. Ze ging te ver.

‘Maar denk je werkelijk dat ik je zo zie?’ vraag ik terwijl ik weet wat ze zal zeggen.

‘Ik denk niet dat je me zo ziet,’ zegt ze.

‘Want zo zie ik je niet,’ zeg ik.

‘Dat weet ik.’

We zitten in stilte. Er rolt een traan over haar wang.

‘Wat je zei was vreselijk,’ zeg ik.

‘Het spijt me,’ antwoordt ze.

Daarna, als we in de gang buiten de deur staan, zeg ik haar dat het mij ook spijt dat ik de dag ervoor ongeduldig was. Ze omhelst me.

‘Je bent belangrijk voor me,’ zeg ik, en dat is zo.

‘Jij bent ook belangrijk voor mij,’ antwoordt ze.

Ik heb het gevoel dat ik nog iets moet zeggen, maar ik weet niet wat. We lijken allebei plotseling verlegen.

In de weken daarna, als onze blikken elkaar kruisen, glimlachen we zenuwachtig.

                        *

Als mijn vader op bezoek komt, zet hij het vuilnis buiten. Hij boent de kleverige aanslag achter het fornuis weg, schraapt het vuil tussen de tegels uit met een mes; boent de schimmel van het douchegordijn. De schimmel ontstaat op de plekken waar het gordijn plooit, zegt hij. Het geeft voldoening om het vieze water ervan af te zien lopen als hij het schoonspoelt. Later, nadat hij terug naar het terrein is gelift, ontvang ik een sms:

ZO MOOI HIER VROEG OP DE WINTERAVOND. ENKELE KREKELGELUIDEN DOOR DE KOUDE LUCHT EN ZACHT GEKAKEL TERWIJL DE LAATSTE KIPPEN OP STOK GAAN. HONDEN ZIJN RUSTIG, IN HUN HOKKEN MET NEUS BIJ DE STAART. VOEL DE KOU. HOU JE WARM. HOU VAN JE, PA.

* ‘Locatie’ was de term die werd gebruikt voor townships tijdens de apartheid.

 

Vertaald door Annemarie van Limpt


Annemarie van Limpt
(1980) stapte na haar Bachelor Engelse Taal en Cultuur in Nijmegen over naar de Universiteit Utrecht voor de Master Vertalen, die ze cum laude heeft afgerond met een scriptie over de valkuilen en kansen die zich aandienen bij het vertalen van humor. Kort daarna werd ze toegelaten tot de Intensieve cursus literair vertalen, een masterclass die werd georganiseerd door het Fonds voor de Letteren en het Expertisecentrum Literair Vertalen. Sinds december 2009 heeft ze als ZZP’er haar eigen vertaalbureau en sindsdien timmert ze hard aan de (literaire) vertaalweg. Binnenkort verschijnt haar eerste boekvertaling (de nieuwe roman van Anita Nair), een duovertaling in samenwerking met Laura van Campenhout.

 

Podcast voorgelezen door Maeve van der Steen