De zee, die ook met scherven van schelpen speelt.
Johan Daisne, winter, begin 1949
Alles heeft vele gezichten.
Don Fabulist, winter, begin 2010
voor Christoph Bruneel van l’Âne qui butine (www.anequibutine.com)
wat nu volgt is pure fictie maar wel opgeblazen waarheid
De winter kleefde nog op het vlakke land toen Finbar in Oostende belandde en zijn intrek nam in Hotel du Parc met wat hem restte aan tijd, zijn hoofd als een vuurtoren. Een benefiet voor de daklozen van Haïti, voor tien dronkaards aan de toog, het was achter de rug. De poëziemuziek van ‘Nonkel Johnnies Wrakhoutband’ hing nog in de vrieslucht rond het station.
Drie maanden eerder, toen Finbar zich nog Johnnie noemde, raakte hij verwond bij een slippartij in de Ardennen. Een auto die niet wilde starten. Johnnie speelde krachtpatser en gleed uit. De pijn in zijn elleboog kerfde sindsdien in zijn hersenpan. Accordeon spelen… Het was voorbij.
Kamer 104 in Hotel du Parc. Geen internet. Finbars expeditie in het hoofd was gestrand. Hij smeet zijn tassen vol onleesbare aantekeningen in de hoek. Naakt en vol jeukplekken keek hij naar het plein, als een goudvis happend naar zuurstof. Waar vroeger koetsen stonden, stonden nu taxi’s, rijtuigen van een treinstel wachtend op de eerste rit in de ochtendmist.
Finbar kroop in bed.
Bij de Venetiaanse gaanderijen wacht de roestige zee, dacht hij. Ik moet hypersensitief zijn, ik voel zelfs de leegte die de orgelman achterlaat. Zijn Verbeeckorgeltje met de aap die de armpjes uitstrekt.
Door Finbars hoofd spookte filmmuziek van The Third Man met Orson Welles als Harry Lime, Anton Karas op de citer.
Welke slogan had Finbar die dag ook weer gezien? Een investering die u beschermt tegen slapeloze nachten. Hij telde geen schapen maar viskramen: die van Sandra en Manon, van Gino, van Lima – bij de visboetiek Neptune had hij de ‘wulloks’ voor de ogen van de politie naar de meeuwen gegooid.
‘Geef mij geen boete, meneer, ik kom van Antwerpen, ik weet niet beter.’
Dan maar kroegen tellen. D’oede Tied, ’t Zeezotje, Fats Domino, The Dingle Pub, Chez Néné…
Finbar gleed naar een ver verleden. In zijn matrozenpakje bedelde hij om een ijsje bij een pronkerig roomijskarretje. Hij wuifde naar de garnaalboten en keek naar de badkarren. Hij zag zichzelf twintig jaar later: hij zette de bloemetjes buiten in Het Witte Paard.
Oostende. Parel van de Belgische Kust, Koningin der Badsteden. Finbar schrok wakker, luisterde naar de nacht − nergens was de stilte achter de geluiden zo hoorbaar.
Machtig, dacht onze held, maar het lijkt jaren geleden dat ik nog iets heb gegeten. Naast hem lag een onzichtbare vrouw met haar rug naar hem gekeerd. Finbar begroef zijn gezicht in haar hoofdkussen. Hij fluisterde een spokenlied tot hij in slaap viel alsof hij het leven achterliet.
Finbar sliep. Buiten, op het Vissersplein, sukkelde een meeuw door de nacht, mankend op de zwarte toetsen van Ensors harmonium. In de straten rondom speelden geraamten biljart, marionetten flirtten met de dood. Oostende zakte door haar schelpenstoel.
Toen Finbar ontwaakte, was hij verwonderd dat hij nog leefde. Zijn lakens waren klam. Hij had gedanst met figuren van Ensor als Préciosette en Nacrette-Saphyrette. Het fluitspel van Fifrelin had hem hoofdpijn bezorgd.
Valentijn kan me gestolen worden, dacht Finbar. En: eind mei komt Adamo naar het Kursaal, ditmaal geen Chippendales. Eerst ga ik bij Ensor op bezoek, salueren naar zijn dodenmasker. Daarna neem ik Cupido, in deze dagen mecenas van de middenstand, bij de gatskaken.
Zes uur ‘s ochtends en nog steeds was het donker. Oostende ademde zacht, het ruisen van de zee in haar bloed. Finbar wachtte op de dag. Tram na tram, de trams naar De Panne zeurden in zijn hoofd. Hij hoorde een tram bellen. Ding ding. Minnelemming is de naam die mijn opdrachtgever mij voor Oostende gaf, dacht hij. Finbar Minnelemming, zo moet ik mij hier noemen. Minnelemming staat op het punt Oostende te enteren. Hij zal verbroederen met de laatste zeedraak. Een gekooide zeemeermin bevrijden.
Finbar rilde en rolde zich op.
Ik ben een embryo in een moederschelp, maalde hij, mijn kop is veel te groot.
De trams reden door de straten in Finbars hoofd. Dikke, lusteloze sneeuwvlokken vielen op de rails.
~
Daar ligt Finbar. In zijn hoofd echo’s van Antwerpen waar hij een huisje huurt dat hij niet meer kan betalen en waar de rekeningen zich opstapelen.
Finbar droomt van Rubens die onder water schildert, boven hem de geluiden van de boten. Netten in het water geven spontaan structuur aan zijn schilderij.
‘Ge kunt u onmogelijk in stukken blijven hakken, jongen,’ zegt Rubens, ‘dit weekend begint de krokusvakantie. Ge zijt de muziekschool en dat secretariaatswerk toch beu? Hoe oud zijt ge? 11049 zonsondergangen? Ik zie hier geen hand voor ogen. Geen sappige madam. Gaat gij maar naar Oostende, uw maîtresse. Voel de zee aan uw knoken.’
Finbar stijgt op uit de Schelde, hij zweeft als een zeppelin over zwartgeblakerde koepels. Ze worden weer kopergroen, turkoois in de avond, de stenen lichtgevend. Wie kijkt er nog omhoog? Volgende halte: HEMEL.
’t Is goed te weten dat Frieda uw gebit hier onmiddellijk herstelt, denkt Finbar. Overal camerabewaking. Terug naar Moeder Aarde.
West-Europa. Vlaanderen. Finbar scheert over de polders, richting kust…
‘Stront eraan en ’t is bio,’ roept een palingvanger hem na. Oostende kan niet ver meer zijn.
Daar is Lissewege. 1940, tijdens een zware najaarsstorm sloeg de molen op hol. Witte molen, zwarte molen.
Finbar weet: een vlieg zit niet liever dan op een rosse koe. Hij ziet een lief exemplaar. Met de mussen vliegt hij onder haar poten door.
Hij hoort Pier Komiek in de wind. ‘Heilige Cecilia, zij zag de musicerende engelen vliegen. Ik begin veel negers te zien de laatste tijd. Volgens mij komt dat door de opwarming van de aarde. Camiel de Basser, die kon blaffen als een hond. Ook dood als een pier.’
Daar ligt Zwankendamme, dorp in de tang, de treinsporen rukken op.
Eindelijk: de zee, denkt Finbar. Zoals de zee er moet uitzien. Enkel een schilder als Spilliaert zou dit lijnenspel kunnen vatten.
Finbar bevaart de zwartgrijze wolken. De tijd gaat achterwaarts. Een stoomketel ontploft in de baren.
Voorwaarts nu, van Gay Twenties tot Atlantikwall. Casino van Oostende tegen de grond, mitrailleursnest opgericht. Hotel du Parc, de bezetters vestigen er hun Kommandatur. Ben je een Waal in het diepst van je gedachten en wil je aan de golfbrekers werken? Aanmelden in de Brasserie.
Vlucht voor de Gestapo, Romain, vlucht als je nog kan. Voor je gebroken bent, kaputgeschossen. Zand stuift op, gaat liggen.
Finbar landt weer in zijn bed en krijgt Ensor aan de lijn. ‘Mijn naam is James, James Knochebein. Meester Knokebeen. Waar is mijn verf? Sirene! Hmmm, goede verf… Aaahh…’
Telefoon. ‘Finbar? Molrat hier. Ge ligt al een nacht, een dag en een nacht te stinken in uw bed. Ik betaal uw kamer, drie sterren en tien dagen, tijd om op te staan. Vergeet niet, uw naam is Finbar Minnelemming. Ik ben Molrat Malrot, zegt gij maar Molrat. Ik verwacht u om tien uur in de Brasserie. Brasserie du Parc bevindt zich precies onder uw luie kont. Onze missie begint.’
~~
Elke ontdekkingsreis met Molrat begon met hetzelfde ritueel. Molrat wachtte op Finbar aan een tafeltje. Grijze pet. Geen krant of tijdschrift in de hand, niets wat aan het vluchtige van de tijd deed denken. Molrat las een boek van minstens veertig jaar oud, dat was de regel. Molrat had er zin in want de rituele koffie bevond zich in een zilveren filter.
Finbar bekeek de rafelige wenkbrauwen van de professor: zwart als koffie. Molrat stelde nooit vragen. Ze ontmoetten elkaar elk seizoen in het spanningsveld tussen zakelijkheid en vriendschap. De door Molrat betaalde expedities zochten het merg van de taal op en zetten de tijd stil. Zinnen werden opengereten, woorden sprongen als vlooien weg. Molrat woonde op de Vlaams-Franse taalgrens, hij leed aan taalschizofrenie. Sprak je het woord ‘concept’ uit, hoorde hij ‘compte sept’ en telde hij tot zeven. Wou je hem vervloeken en sprak je geërgerd over ‘maudire’, vroeg hij welk woord hij moest uitspreken: ‘mot dire’. Liet je hem een fossiel zien dan zei hij geamuseerd: ‘Faux fil, dit lijkt toch niet op une faucille?’ Wat sikkel betekent. ’Of was het faux cil?’
‘Finbar, de kaper die zijn haar kort liet knippen. Koffie? Ge ziet er belabberd uit.’ ‘Een koffiefilter zal mij deugd doen, professor. Ik lag te lang in een ondiep graf.’ ‘Professor, nee, Molrat volstaat. Dat weet ge toch, mon ami, Minnelemming. Mooie naam, niet? Past perfect, Finbar. Sinds die danseres met uw geld is gaan lopen, hunkert gij zo naar liefde dat ge nog van een rots zou springen, in de krater van een vulkaan. Voor mij geen groen blaadje, al ben ik bijna een halve eeuw oud.’
‘Je suis mort parce que je n’ai pas de désir.’
‘Wie schreef dat?’
‘René Daumal, vergeten schrijver, 1943. Jij hebt een lieve vrouw, profiterole Molrat. Ze werkt hard. Jij leidt intussen een gezond en evenwichtig leven. Je restaureert oude boeken, dat is nobel. En je bent niet bepaald debiel.’
‘Dobbelsteen? Gal?’
Finbar deed geen moeite om deze spraakverwarring te ontleden. Hij keek Molrat aan: ‘Op onze vorige expeditie doorheen Brussel ontdekten we de kleine kantjes van grote mensen en hoe kleine mensen groot kunnen zijn.’
‘Geen daden maar woorden,’ zei Molrat. ‘Hebt ge mijn verslag niet gelezen? Het Vossenplein in het hart van de Marollen, wat een schat was dat. Ik verwacht nog steeds 3000 razend interessante woorden van ù over die missie. Een verhaallijn mag maar moet niet, wij schrijven niet voor knakworsten en consumptie-intellectuelen. Als er maar iets gebeurt met de taal, met het bewustzijn. Zet die sensoren op scherp. Kijk eens naar dat schilderij in de hoek van deze zaal, er zit een magisch realistisch tintje aan. Ge lijkt op de jongeman op het doek, een jongere versie. Donkere tonen. Een zomeravond. Een mysterieuze vrouwenfiguur. Gaat ze u versmachten? Halo, met één l, een stralenkrans rond uw hoofd. Wat ziet ge? Zijt ge een Gestapoheilige of een gekneusde schandknaap? Geschiedenis lééft in deze Brasserie, mon vieux. De treden naar de ‘lavatory’ beneden zijn afgesleten. En die twee obers: om van te snoepen, wat een schouwtoneel. Ze genieten van hun rol. Zeker de kleinste, dat is een guitig exemplaar.’
‘Kom, we gaan in de zaal hiernaast zitten, Molrat. Ik zag twee dames lonken naar ons, die kans wil ik niet missen.’
‘Lavoir. Wasserij. Ik wil la voir. Ze zien. L’avoir. Ze hebben.’
In de andere zaal giechelden Anne en Sandrina naar de twee ontdekkingsreizigers maar Molrat wees naar de vloer. ‘Dominomotieven. 4 x 4. Skitterend. Een boek in wording neemt plaats tussen Molrat en Minnelemming. Grondidee: nieuwerwetse garnalen gaar naaien met sikkel en aambeeld voor een revolutionair recept begeleid door –’
‘Tonic. Cola. Light,’ zei de langste ober plechtig.
Een zware heer met dikke nerts kwam binnen, keek verstoord naar Molrat en Minnelemming.
‘Een Leffe. Blond. En een Bolleke,’ riep de kleinste livreiknecht met komisch opgetrokken wenkbrauwen alsof hij de twee dames die hij bediende aan het portretteren was.
‘Zeven tapkranen,’ zei Molrat. ‘Die jongeman achter de toog, die zonder zwarte gilet, zie hem leunen op de eerste tap. Hij tuurt als een visser naar onbestemde visgronden. Zeven tapkranen maar volgens mij zijn er slechts vijf bieren aangesloten. Interessant.’
‘Interessant zeg je… Wat lees je daar, Molrat?’
‘Achter de vormen steekt toch altijd hetzelfde, of zoiets. Een minder bekend boekje van een schrijver die in de vergetelheid verdwijnt. Niet slecht, niet slecht. Luister, leg uw handen op de oren. Hoort ge de zee? Zij spoelt woorden aan, maalt de tol van de taal. Jodin. Jodium. Joelt. Jofel. Jogde. JOHAN. Dagsom. Dahlia. DAISNE. Scheid. Schel. Scheld. Schele. Schelm. SCHELP. Grond. Grong. Groom. Groot. Grote. Grove. GRUIS. Kijk, dit boekje is een Marnix Pocket uit 1967. Twee schelpen en wat gruis, zo heet het. Een verhaal van Johan Daisne, op 67 smalle bladzijden. Op de cover een grote en een kleinere schelp. Bekijk die achterflap, die handtekening. O la laa...’
Finbar las: ‘Twee schelpen van voor twintig jaar, / slechts in de jeugd kan men dat schrijven, / een schelp van hem, een schelp van haar, / en dat er niemendal zal blijven / dan wat men toen geschreven heeft.’
Molrat vervolgde: ‘Tot men het boekje weer uitgeeft / precies na dat verloop van jaren / en ’t hart opnieuw kruipt uit zijn schelp, / zo uit de zijne als de hare,…’ ‘Klinkt behoorlijk oubollig.’
‘Toch schoon hé, Minnelemming. De jaren die voorbijvaren. En ‘de gruisschelpen die voort paren’. Magnifiek. Dan roept Heer Johan uit dat ‘niet slechts in boekjes nooit iets voorbij is’. Dan bestelt ge toch het betere Abdijbier, niet? Abdijbier met hoofdletter.’
Molrat wenkte de kelner. Pronkend in zijn zwart-witte kledij riep die vrolijk: ‘Consumatie per consumptie!’
Pères Trappistes rukten aan. Terwijl Molrat gulzig dronk, observeerde Finbar de gelagzaal. Hij zag een zonnekanondame met ravenzwart haar, wit hondje op de schoot.
Een kutlikkertje, dacht hij, een kruising tussen een poedel en een stofzuiger.
Klanten in bontmantels met parelkettingen lazen kranten op stokken.
Er kwam meer volk binnen. De cafébaas die de hele tijd niets gedaan had en enkel naar de twee obers had gekeken, stond op en ging nu ook aan het werk. Hij gaf de borden door.
Toast Maison. Champignons.
Stokbrood ‘du Mans’.
Brie de Meaux, warm op wit brood.
Salami Napoli.
‘En een koffie. En een Kriek!’
Was de Brasserie die ochtend nog een wachtkamer voor het crematorium, op het middaguur liep het theaterstuk op volle toeren. De lange ober knielde voor de poedelhond. De dame in het roze bestelde kirrend een glas witte wijn. Ze had nog een vol glas in de hand.
Finbar bekeek de foto van Daisne op de achterflap van Molrats boekje. De foto was genomen door Piet Selhorst. ‘Ziehier uw evenbeeld, Molrat,’ zei hij, ‘maar zonder klak. Die stijl. Die wenkbrauwen!’
Molrat nam twee pennenzakken uit zijn tas en bekeek de portretfoto.
‘Bril. Hij ziet dus niet,’ zei Molrat. ‘Sigaret. Hij rookt dus wel. Polshorloge. De tijd drinkt want zijn rechterhand houdt een beker vast.’
Hij begon Daisne te beschrijven in zijn logboek: Zijn ogen ruiken niets, zijn uurwerk kent geen tijd en zijn romer is aan volheid overgeleverd.
‘Het wordt een zilvergrijze dag, Minnelemming. Bekijk deze biotoop. Skitterend. Skitterend. Wat een bonte boel. Dat koppel dat Frans probeert te spreken. Wat gaat ge drinken? In het boek van Daisne drinken ze borrels als melk, alle onheil komt van de melk, schrijft hij. En bij de oesters drinken ze ‘zeemelk’ in kleine glaasjes. Hier zie, hier staat het: Er werd opnieuw melk besteld maar nog voor die gemolken was – 'Wat drinkt ge, Minnelemming? 'Droogstoppel!’
‘Droogstoppel?’ zei Finbar. ‘In de hotellift belde ik naar de onderhoudsdienst ‘voor liften van alle merken’. Ik heb de bediende van harte gefeliciteerd met hun nummer D0634. Ledigheid is des duivels oorkussen, dat weet je beter dan eender wie.’
Molrat glimlachte sardonisch, tevreden over die actie van Minnelemming. Hij nipte van zijn derde Tripel en bedankte de kelner. ‘Mijn ik dankt u. Ik denk u.’
Finbar nam de pocket weer vast en las de tweede alinea van de eerste pagina.
Er zaten veel mensen. Leduc kon slechts een gedeelte van het lokaal afzien, en ook in zijn ogen begon het thans te kloppen, terwijl ze van het ene naar het andere tafeltje schoten. Maar toen bleven ze stilstaan, zichzelf schroeiend, en hoorde hij het zagen van zijn eigen adem niet meer. De derde alinea. Het gevreesde, het onmogelijke was gebeurd: hij had dadelijk herkend wat onherkenbaar was geworden.
‘Mon cher Molrat,’ zei Finbar, ‘ik wil geen hersenspinsel zijn die een eigen realiteit maakt. Ik wil zelf in deze werkelijkheid iets meemaken, eindelijk weer iets voelen. Het begin van een nieuw verhaal, een nieuwe liefde misschien. Ik ben je taalgymnastiek beu. Ik ben moe, oneindig moe.’
‘Gij zijt gedurig ziek, gedurig zwak. Altijd op uw ongemak,’ zei Molrat. ‘Verbreek de magie toch niet. Aanschouw maar wat gij realiteit noemt. Het is een waaier van werelden. Dit is het Gebak der Kust. Zie hoe dat koppel de koffie door de filters stuwt. Kijk, ze doen het allebei. Ze leggen een vlakke hand op de filter en kloppen erop met de andere hand. En kloppen maar. Onze taak is registreren. De garçon had het daarnet over een winderige douche. Die winderigheid komt regelmatig in de conversaties terug en gij noteert niets. Niets.’
Finbar keek naar buiten en zag een badkuip op wieltjes staan, gevuld met bruisballen. Voorbijgangers pookten in het ballenbad als was het de vangst van een voertuig op Mars. Een jonge vrouw stak een bruisbal in haar mantelzak. En nog één. Ze keek Finbar ondeugend aan. Wat is ze mooi, dacht hij. Pittig kapsel. Die ogen…
Met een heldere duisternis van ernst in haar blik.
Toen hij opkeek van het boek, was de landmeermin weg.
‘Oostende bruist,’ zei Molrat. ‘Ik noteer. Bruisbal. Sneeuwbal. Balkan. Cultuur vindt hier een hoofdstad. Er liggen intussen twee ballen voor uw neus en ge weet weer van niks, Minnelemming. Gij denkt alleen maar aan oesters, tranen van de zee. On y va. En route. Op naar het serieuze werk.’
~
Stad Kortrijk, in het ‘restaurant van Reneetje’ nuttigden Molrat en Minnelemming een zeeverse tong. Molrat gaf Minnelemming zijn portefeuille. Minnelemming betaalde de rekening.
Weer buiten wreef Molrat over zijn buik. ‘Een tong moet zwemmen in de zee of in de boter,’ zei hij. ‘Of in de maag, dat geeft pas een goed gevoel.’
Ze gingen de hoek om, en nog een hoek om tot op de zeedijk. Bistro Beau-Site. Nog meer witte wijn.
Tea-room Melody. Kitsch à volonté. Patron Freddy en vrouw Monique vergastten hun trouwste klanten op Grand Marnier. Finbar probeerde de conversatie te registreren. Molrat schraapte de sappige klanken van het Oostendse dialect weg om de diepere zin van het gesprek te ontdekken.
‘Zo’n piet. Ze trekken d’eran. Schudden d’ermee. Da dienk komt rechte,’ zei een oude vrouw die met afschuw een man imiteerde. ‘Ton moe j’e geluudsdemper en.’
‘Vertalen, Minnelemming,’ zei Molrat.
‘Zulk een penis. Ze trekken eraan. Schudden ermee. Dat ding komt recht. Dan moet je een geluidsdemper hebben.’
‘Heel juist, Minnelemming. We hebben beet. Aan het werk. Ik noteer, gij vertaalt.’ Een andere vrouw stond op, haar likeurglas in de hand. ‘Nin’k, ‘k wiln no Barcelona voaren. Stierengevechten en al. ‘k En ier ook e volière tussen de twi bèèn.’
‘Nee, ik wil naar Barcelona varen. Stierengevechten en alles. Ik heb hier een volière tussen de twee benen,’ vertaalde Finbar.
Een kwartier lang opname door Molrat en Minnelemming.
‘Ik ent altied beseft en nu goa je gie ’t begunn’n verstoan.’
‘Ik heb het altijd beseft en nu ga jij het beginnen begrijpen.’
‘Daar begrijp ik niets van,’ zei Molrat. ‘Minnelemming, ik geef het op.’
Drie Irish Coffees later. Molrat betaalde. ‘Euro’s heb ik niet, ik heb valuta’s. Op kerstdag was ik hier. Dezelfde dienster heeft mij ongelofelijk bediend. Ze is streng en heeft een goed geheugen. Skitterend.’
‘Nogmaals, mijnheer met uw lange staart, een buitengewone ontvangst,’ zei Molrat tegen de baas van de taverne. ‘Mevrouw de waardin, u hebt een buitengewoon decor.’ Molrat boetseerde met zijn handen haar ronde vormen in de lucht.
‘Minnelemming, sowieso moeten we ons nog ne keer verplaatsen. De zee gaan wijden. Ginds, een groene boei. Het laatste zonlicht op het ijswater.’
‘Ich bin ein Klootzak!’ hijgde hij buiten. ‘Het is een mooie dag, collega. Niet duister. Vroeger was er op elke hoek een café, prijs u gelukkig, anders had ge al die etablissementen met mij moeten frequenteren.’
Molrat keek plots wild om zich heen: ‘Blauwe vogels! Blauwe vogels!’ En doordringend tot Finbar: ‘Gij zijt ook een blauwe vogel, past maar op, straks zijt ge een dode meeuw.’
~
Molrat en Minnelemming gingen naar de Sint-Petrus en Pauluskerk. Voor de poort zat een oude man: geknield en biddend, bibberend. Korsten op zijn kale hoofd. In zijn pet een paar schamele muntstukken. Finbar gaf hem al zijn nikkel.
Verbroedering in ’t Kroegske bij kastelein Iwein.
Ontsporing in ’t Mespuntje.
‘Fuck. Wat een missie, Minnelemming. Poëzie aan de anus van het cultuursnobisme geveegd. We moeten leren schijten. Bàm. We zijn donderdag, mon fin, donder dag!’
Molrat nam een wit blad papier, begon verwoed te tekenen. ‘Het wezen van Oostende, ik zal het vastleggen. Nondedju!’
Een uur later zwalpten de expeditieleden over de dijk. Molrat haakte zijn arm in die van Minnelemming. Molrat zag lijkbleek. ’We verlaten de Westelijke Jordaanoever,’ lalde hij. ‘We moeten naar de andere kant. Es muss sein… Es muss MOUSSAKA sein.’
Een eind verderop kotste Molrat de ziel uit zijn lijf. Hij hoestte en wees naar het flitslicht van de vuurtoren: ‘Diable, volgende missie gaan we naar Dinant, op het Ros Bayard… Dan zijn we Ritsaart en Writsaart. Hier lachen de meeuwen ons uit.’
~
Oosteroever, Hendrik Baelskaai. De taxi met Molrat en Minnelemming stond stil voor The Sailor. Molrat stormde de visserskroeg binnen. ‘Wat zitten jullie hier te niksen, is de vismijn gesloten misschien?’ Hij begon luidkeels te zingen. ‘Daar liep een meisje over de brug, ze riep VIS, VIS, IK HEB HAAR OP MIJN KUT DAT HET SCHANDALIG IS. Droogvisjn! Gekookte krabbn! Schotse sch-schulln, jullie peinzzze dat jullie kunnen visjn? Kijk ne keer, ik zal u leren piésn!’
Finbar was te laat om hem tegen te houden. Molrat had al zijn broek open geritst. ‘Et voilà, topla!’
‘Hij heeft een slag van een windmolen gekregen,’ zei Finbar verontschuldigend tegen de stamgasten. Twee mannen aan de toog grepen Molrat vast en propten hem terug in de taxi.
Finbar gaf de chauffeur een briefje van twintig. ‘Voer hem naar het station,’ zei hij. Molrat kneep genoeglijk zijn ogen dicht en gaf Finbar zijn tekening. ‘Mijn opdracht is vol, volbracht,’ lispelde hij.
‘Al goed. Ga naar huis, Molrat. Ik zet deze tocht wel alleen voort en liever op mijn manier. Bedankt voor het hotel, ik betaal je deze keer alles terug. Mijn versie van deze Oostendse missie volgt. Adieu.’
~~~
Podcast voorgelezen door de auteur





