‘Weet je nog dat je hier wilde blijven?’ vraagt Marianne.
Toen we zestien waren zaten we een jaar op dezelfde school. Mijn stiefvader, Andries, die zestien jaar in Utrecht had gewoond, was teruggekomen voor een sabbatical en had zijn nieuwe gezin meegebracht – mijn moeder, mijn zusje en mij. Nu, veertien jaar later, bezoek ik de stad opnieuw. Marianne en ik lopen over de Oudegracht, langs de gebouwen van onze oude school.
‘Je wilde niet weg,’ zegt ze. ‘Ik weet nog dat je op een zeker moment overwoog om je te laten adopteren door Andries, zodat je kon blijven.’
Boven de daken is de lucht helder, op een enkele wolk na.
‘Ik denk dat je uit loyaliteit aan je vader besloot het niet te doen.’
Ik bestudeer de fijne rimpels die zich rond haar ogen hebben gevormd; de lijn van haar jukbeenderen die geprononceerder is geworden.
‘Weet je het niet meer?’ vraagt ze.
In een erkerraam tussen het nieuwe schoolgebouw en het oude, zie ik hetzelfde silhouet dat veertien jaar geleden van de ene naar de andere les liep. Voor ons houdt een lange, dunne man de hand vast van een klein meisje dat uiterst geconcentreerd balanceert op een skateboard. Hij trekt haar voort over de geplaveide straat. Haar felroze schoenen uitgezonderd, zijn ze beiden in het zwart gekleed.
‘Ik weet het niet meer,’ zeg ik.
*
De slaapkamer van het appartement aan de Schalkwijkstraat ligt beneden het straatniveau. Ik lig ingepakt in het donzen dekbed. Telkens als de wekker gaat druk ik op snooze. Ik heb het oogmasker van het vliegtuig op; druk het kussen over mijn hoofd.
Als ik opsta, zie ik het licht uit het raampje onder het plafond over de witte lakens spelen. De trap naar het woongedeelte is zo steil dat als ik iets voorover buig, ik de treden voor me kan aanraken. Het is alsof ik kruip.
Ik ga zitten om mijn herinneringen aan de stad op te schrijven. Na een tijdje sta ik op. Er is geen eten in huis. In de Albert Heijn aan de Nachtegaalstraat bekijk ik mensen die kaas, brood en fruit uitkiezen. Ze doen het met gemak, omdat ze de regelmaat begrijpen die de rituelen van het eten bepaalt: gewoon eten dat wordt gegeten op gewone tijdstippen. Uiteindelijk kies ik een groene paprika en kwark, zodat ik niet met lege handen vertrek.
Ik bel mijn moeder en Andries. Er wordt niet opgenomen. Ik herinner mezelf eraan dat onze hond – wild en nerveus – indringers verjaagt.
*
Op een middag vraag ik of Marianne met me mee wil lopen en me wil vertellen wat ze ziet in de stad. Ik neem haar op terwijl ze de oude gebouwen van het Museumkwartier beschrijft, het felle groen van de jonge blaadjes langs de Singel, de werfkelders en de parken en Stadhuistrappen vol mensen die van de eerste zon genieten.
Na een tijd houdt Marianne op en vraagt ze me wat ik zie. In de veronderstelling dat ik de dictafoon op pauze zet, druk ik op ‘record’. Als ik dus later die avond het bandje beluister, hoor ik enkel mijn eigen stem.
‘Niets,’ antwoord ik.
*
Ik heb één herinnering uit de periode dat we in Utrecht woonden: het is een avondmaaltijd. Andries kauwt en ik kijk hoe hij doorslikt. Hij heeft me iets gevraagd en ik antwoord niet.
*
’s Avonds wandel ik langs een route die verschillende lichtinstallaties in gebouwen in de stad met elkaar verbindt. Het is zondag en het centrum is uitgestorven. Aan de buitenkant van de Sint-Janskerk klinkt uit luidsprekers geluid als het gehuil van een wolf. Binnen is het vertrek verlicht: flitsend oranje, als vuur. Dan blauwe rimpelingen, als weerspiegelingen in water. Dan verschillende kleuren: groen en geel en rood. Er is iets angstaanjagends aan de lege ruimte, badend in het licht: alsof ze de terugkeer naar de duisternis versterkt.
Op de Mariaplaats blaft er een man uit het raam en lacht vervolgens om mijn verbazing.
Ik loop van verlicht pijltje naar pijltje, die tussen de plaveien de route aangeven. Elke pijl lucht op en geeft structuur aan de duisternis.
*
Susan, een vroegere vriendin van Andries, nodigt me uit voor het avondeten bij haar thuis. Ze maakt een salade (de eerste salade van de lente) en kletst honderduit over haar nieuwe relatie. Ze wist werkelijk niet dat zoiets nog kon op haar leeftijd. Het is alsof je een nieuw leven wordt geschonken.
‘Hoe zijn Andries en jij bevriend geraakt?’ vraag ik later, tijdens het nagerecht.
Ze zegt dat ze elkaar hebben leren kennen via een gezamenlijke vriend, Marcel, die toen terminaal was. Op vijfentwintigjarige leeftijd werd bij Marcel een hersentumor geconstateerd en gaf men hem nog acht jaar te leven. Aan het einde van zijn ziekte verzorgden zij en Andries hem op verschillende dagen. Daarna ging de een bij de ander op bezoek om de dag door te spreken. In deze periode ontstond een hechte band tussen haar en Andries. Op het eind waren ze ook allebei aanwezig toen Marcel overleed.
Ze fronst. Goud licht werpt schaduwen in de rimpels van haar gezicht.
‘Het gevoel dat ik het leven onder controle had, wankelde,’ zegt ze. ‘Ik weet niet hoe Andries het ervoer, maar ik was erg Nederlands wat betreft de controle die ik over dingen wilde hebben. Dat was de eerste keer dat ik ten volle besefte dat niemand kiest.’
Ik herinner me een schilderij dat Andries maakte in onze garage in Stellenbosch, vlak nadat hij was teruggekomen naar Zuid-Afrika en mijn moeder ontmoette. Het was een afgietsel van een mannenhoofd met een diagram erop getekend – een ontwerp voor de operatie. Het kan niet lang na Marcels overlijden zijn geweest.
Na de koffie stelt Susan een ommetje voor. ‘We kunnen naar Andries’ oude huis gaan,’ zegt ze. ‘Het is in deze straat.’
De voordeur van het huis is een paar meter van de hare. We kijken ernaar in het laatste licht. De avond is volkomen kalm. Er staat één klein wolkje aan de lucht. Ik weet dat toen Andries het huis verkocht, nadat hij was teruggekeerd naar Zuid-Afrika, hij niet had kunnen vermoeden hoe waardevol het zou worden. Met de breedte van een deur en een raam is het half zo groot als het huis dat hij en moeder nu bezitten in Zuid-Afrika, maar meer dan het dubbele waard.
Ik krijg het plotseling koud, verontschuldig me en ga.
Als ik de Kruisstraat affiets, denk ik aan het terrein waarop Andries en mijn moeder wonen. Ik denk aan de bittere geur van de bladeren in de tuin en de hond die de omheining bewaakt, met haar zwartomrande ogen.
*
Toen ik Andries net had ontmoet, sprak hij vaak over twee Nederlandse meisjes, dochters van vrienden. Hij zei dat ze soms ontbijt voor hem maakten als hij bij ze op bezoek kwam. Destijds zag ik dat heel duidelijk voor me – het beeld van de meisjes die hem pap en toast brengen – en fantaseerde ik dat ik een van hen was.
Middenin de nacht, in het appartement aan de Schalkwijkstraat, heb ik plotseling het gevoel dat mijn borstholte leeg is, mijn hart verdwenen.
*
Ik ontmoet twee schrijvers bij een café onder een grote plataan aan de Lange Nieuwstraat. Beiden hebben lange gezichten en grote tanden. De ene is blond en lacht verrukt om mijn opmerkingen alsof ze uitgesproken scherpzinnig zijn. ‘Prachtig!’ roept hij als ik hem zeg dat ik mezelf niet zie als schrijver, aangezien ik niets te schrijven heb. ‘Dat is precies wat een geschikte schrijver nodig heeft: het gevoel dat je niets te schrijven hebt! Het zal niet meevallen!’ Hij trekt een gekweld gezicht, barst vervolgens in lachen uit.
Dan merk ik dat de andere man, die donker is, een lijstje maakt achterop de rekening. Hij schrijft geconcentreerd en tikt met zijn pen op zijn lip als hij stopt om na te denken.
‘Wat is dat?’ vraag ik.
‘Ik maak even een lijstje van leuke dingen die je kunt doen terwijl je in Utrecht bent,’ antwoordt hij.
Ik ben ze beiden plotseling en hevig dankbaar.
Later, in de kelder van het appartement aan de Schalkwijkstraat, lees ik een essay van een Zuid-Afrikaanse schrijver die deze week moet optreden in Utrecht. De schrijver geeft een opsomming van de misdaden die plaatsvinden binnen zijn directe kennissenkring tijdens zijn bezoek aan Zuid-Afrika. ‘Als een jonge Zuid-Afrikaan me zou vragen of hij moest blijven of vertrekken,’ schrijft hij, ‘dan zou mijn bittere advies luiden te vertrekken. Voor de nabije toekomst… als je het verlies kunt verdragen, als je jezelf kunt amputeren, ga dan…’
Er is niets om bang voor te zijn in huis, maar ik luister of er geluiden zijn in het donker.
*
Het eerste op de lijst van leuke dingen om te doen in Utrecht is een rondvaart door de stad. Ik zit met mijn notitieboekje opengeslagen, pen in de aanslag. We varen onder het straatniveau, opkijkend naar bomen en gebouwen. Ik probeer naar de opgenomen stem te luisteren die nauwkeurig de geschiedenis beschrijft van de gebouwen die we passeren, maar ik hoor enkel het snotteren van de kapitein en ik vraag me af of hij huilt.
*
De stemmen van de mensen op de grassige taluds aan de Maliesingel klinken als vogelgekwetter: ‘Dag, doeg, doei, joehoe!’ Zwermen fietsen komen voorbij; fietsers fluiten of zingen of hangen achterover op hun zadel, ontspannen.
De lucht is een perfecte koepel, alsof je zo kunt opstaan en eruit kunt stappen. Hij is helder, uitgezonderd die ene wolk die lijkt te zijn uitgeknipt en opgeplakt, als van een andere wereld.
Een tweede herinnering: een gevoel dat ik in hetzelfde licht loop met Andries, zijn hand onhandig op mijn schouder in de hoop dat hij niet wordt weggeduwd.
*
Een appendix bij de lijst van leuke dingen om te doen in Utrecht, is iets interessants om te doen. ‘Nu je het oudste stadsdeel hebt gezien, moet je eigenlijk ook het nieuwste zien,’ had de donkere jongeman gezegd. Naast de woorden ‘Leidsche Rijn’ had hij het nummer neergepend van een vrouw die in die buurt woont en werkt en die, verzekerde hij, haar graag zou rondleiden.
Maria haalt me op bij de Maliesingel. Ze heeft grote ogen en volle lippen, een kort lichaam en een snelle, plotselinge lach. Tijdens het rijden praat ze. Ze vertelt me over Leidsche Rijn. Het is een grootschalig nieuwbouwproject aan de rand van Utrecht, zegt ze. Tien jaar geleden was het hele gebied landbouwgrond. Nu zijn er, tussen de enkele oude boerderij en appelboomgaard die zijn behouden, een aantal nieuwe buitenwijken verrezen.
In eerste instantie waren de verwachtingen voor het gebied hooggespannen, legt ze uit. Het zou voorzien in een manier van leven die de toegang tot het sfeervolle centrum van Utrecht combineerde met ruimtelijker, betaalbaarder wonen. Het werd echter snel duidelijk dat deze verwachtingen niet strookten met de ervaringen van de nieuwe inwoners.
‘Het werd duidelijk dat je mensen niet zomaar in een gebied kunt zetten in de veronderstelling dat ze zich thuis voelen, of op hun plek,’ zegt ze.
We rijden over de gele brug, de verbinding tussen de oude stad en Leidsche Rijn.
‘Wat betekent het om je thuis te voelen, of op je plek?’ vraag ik.
Ze staart me aan, concentreert zich dan weer op de weg.
‘Nou, het gevoel dat je ergens een geschiedenis hebt. Een gedeelde cultuur – rituelen van alledaagse dingen die je samen doet.’
De eerste pogingen om een behaaglijk gevoel te creëren in Leidsche Rijn concentreerden zich rond de creatie van kunstwerken in de openbare ruimte. Dergelijke werken, zo hoopte men, zouden bevorderend zijn voor het idee dat er een bloeiend cultureel leven was. Een kunstenares nodigde bewoners uit om kostbare bezittingen te doneren die gerelateerd waren aan hun verblijf in Leidsche Rijn, die zij in de bodem begroef in kleine, transparante urnen, om zo letterlijk een archeologische geschiedenis te creëren van de mensenlevens uit de omgeving.
‘Misschien is er geen surrogaat voor de tijd die je ergens doorbrengt en kun je de ontwikkeling van een thuisgevoel niet versnellen,’ zegt Maria. ‘Hoe dan ook, het gevoel van ontevredenheid hield aan. Dus nu is er een verandering van aanpak geweest; in plaats van geld uit te geven aan zogenaamde ‘hoge’ kunst, wordt er geïnvesteerd in eenvoudige culturele evenementen die de mensen naar openbare ruimtes moeten trekken voor dagelijkse activiteiten zoals eten, drinken, spelen met de kinderen. Vermoedelijk ontwikkelt het gevoel van geschiedenis zich naarmate deze ervaringen zich opstapelen.’
Ik houd mijn blik gericht op een wolkje aan de horizon dat nadert.
Bij het avondeten in onze flat in Utrecht stak mijn moeder altijd een kaars aan in het midden van de tafel. Ik zat en keek terwijl Andries at. Ik had een verleden met een andere vader en een huis ergens anders.
*
Mijn moeder en Andries bellen om me te vertellen dat onze hond is overleden. Ze was al een tijd ziek, maar ze wilden me niet verontrusten met het nieuws. Haar toestand verslechterde erg snel. De dierenarts was gekomen en samen met haar zaten ze op het dakterras met uizicht over de bomen. Hij aaide over haar oren. Hij zei: ‘Zonde, mijn meisje,’ en gaf haar toen een injectie.
Ze waren nog even bij haar blijven zitten. De wind blies een lichte rimpeling door haar vacht – een beweging langs de zachte uiteinden van het oor, alsof daar nog leven in zat. Daarna wikkelden ze haar in een deken en droegen haar naar het einde van de tuin. Ze legden haar in een graf dat enkele dagen daarvoor al door de tuinman was gegraven voor haar. Daar zaten ze een tijd en bedekten haar vervolgens om beurten met aarde.
Ik weet nog dat ik haar als puppy uitliet. Ik weet nog dat ze bij het zien van een vreemde in de verte opschrok en omkeerde om terug te rennen naar waar we vandaan kwamen. Ik weet nog dat haar pootjes alle kanten op vlogen terwijl ze de heuvel afrende met maar één gedachte: naar huis.
Ze was een schichtige hond, wild en onvoorspelbaar. Ze hield vreemden op een afstand. Soms lag ik samen met haar op het dakterras en keek ik haar in haar gele ogen.
Nu ik in de kelderkamer van de Schalkwijkstraat zit, ben ik me plotseling bewust van de natte aarde waarin ze ligt en het vocht in de lucht. Voor het eerst voelt het alsof ik daar geworteld ben, in dat verwilderde stuk grond, tussen de bittere bomengeur.
*
Ik pak de bus, terug naar Leidsche Rijn. Ik weet niet waarnaar ik op zoek ben. Het is mijn laatste dag in de stad.
Tegenover me in de bus zit een meisje met een hoofddoek, met een pareltje vastgespeld aan een knot. Ze heeft blauwe ogen, ivoorkleurige huid en volmaakt geprononceerde gelaatstrekken. Rechts van haar zit nog een meisje, met een lange paardenstaart van kunsthaar, in een strakke, vale spijkerbroek, een patchwork lakleren jack, glitterslippers, een bedelarmband, een grote zonnebril en roze ringen in de onderste gaatjes van haar oren vol knopjes. Links van het meisje met de knot zit een geblondeerde vrouw in een strak zwart rokje en een harige legging met luipaardprint. Haar mascara heeft dikke klonten gevormd en haar zwarte lippotlood vloeit uit in de rimpels van haar zachtroze lippen. Achter me zitten twee vrouwen in het bruin, met onopgemaakte gezichten en futloos haar, hun nekken uitgestrekt.
Ze willen allemaal een normaal leven – een beetje eten; een beetje drinken; een beetje plezier. Ze willen cafés in de buurt. Ze willen een plek voor zichzelf. Ze willen weten wat hen te wachten staat.
We steken de gele brug over. Ik stap uit bij een halte langs de weg. In de verte staat een groot gebouw, onaf. Eromheen, in een veld, zijn enkele steigers, bulldozers en zandhopen. Ik loop een tijdje langs de weg. Ik zoek naar een teken van leven. Er komt niets voorbij. Er beweegt niets, behalve de wind door het gras. Later keer ik terug naar de bushalte om de bus terug te pakken.
De Dood zit bij me in lijn achtentwintig naar Centraal Station. Zijn tong schudt, vlak boven zijn onderlip. Zijn ogen kijken uit het raam, gevangen in zijn lichaam. Een hand rust op de andere. Hij heeft lange nagels. Er zit een grote wrat op zijn kin.
Op ons tweeën na, is de bus leeg.
*
Mijn tassen zijn ingepakt en ik ben klaar voor vertrek. Ik word gebeld: het is een van mijn gastvrouwen. Er is een vulkaan uitgebarsten in IJsland. Er is een aswolk over Europa neergedaald. Schiphol is gesloten vanwege de wolk. Voorlopig kan ik beter blijven waar ik ben. Kan ik ergens anders terecht? Het appartement aan de Schalkwijkstraat is al verhuurd.
Ik maak bloemkool voor het avondeten. Ze brandt aan op het fornuis. De prachtige woonkamer staat vol rook. Ik zit rustig; onbeweeglijk.
Dan, een aantal seconden lang, schreeuw ik.
*
De volgende ochtend krijg ik bezoek van een andere vriendin van Andries, Tineke. Ze is een kleine vrouw: stevig en bruusk. Haar haren zijn knalrood geverfd en staan in rechte hoeken op haar hoofd. Ze draagt een ronde bril en haar rug is kaarsrecht. Ze neemt de tijd om het appartement aan de Schalkwijkstraat te bekijken en knikt af en toe goedkeurend. Dan gaat ze buiten op een bankje in de zon zitten. Aangezien ik weinig anders kan bedenken om te zeggen, vertel ik dat ik worstel met angsten die zich de laatste tijd concentreren op de onvermijdelijkheid van de dood. Eerst reageert ze niet. Haar gezicht staat rustig, aandachtig. Dan spreekt ze.
‘Allereerst is het volgens mij niet goed voor je om je elke dag af te vragen of je morgen zult vertrekken. Volgens mij word je daar ontzettend angstig van,’ zegt ze. ‘Ik stel voor dat je morgen naar ons komt. Je mag bij ons blijven zo lang als nodig is. Dat is absoluut geen probleem. We zullen je helpen een nieuwe vlucht te vinden. Dat betekent dus dat je nu gewoon accepteert dat je hier nog een paar dagen bent. Jij geniet van je verblijf en wij regelen dat je terug kunt.’
Voordat ze vertrekt, noemt ze een tijd waarop ze me de volgende dag komt ophalen. ‘Wat jij nu nodig hebt, is sociale regelmaat,’ voegt ze nog toe als ze opstaat om me een korte knuffel te geven en een stevige schouderklop.
*
Tineke haalt me na het middageten op. In Tuindorp bloeien gele bloemen langs de gracht. Een moedereend met een spoor van jonge eendjes doorsnijdt de volmaakte weerspiegeling van de lucht: helder, op een enkele wolk na.
Ze bereidt me voor op wat er komen gaat.
‘Je slaapt in Femkes kamer. Nu ga ik het bed opmaken waar Femke in slaapt en gaat Max koken. Als het eten klaar is, roepen we je.’
Femke is zestien, net als ik toen ik veertien jaar geleden in Utrecht woonde. Ze heeft een felgekleurde zolderkamer met geel tapijt en een rood dekbed. Ik ga op haar bed zitten nadat ik mijn tassen heb geopend en kijk naar de fantasyboeken op haar boekenplank.
Als Femke wordt geroepen voor het eten, roept ze: ‘Ja, ik kom.’ Tijdens het eten kletst ze uitgelaten. Ze vindt het leuk dat ze op schoolreis naar Rome gaat. Ze vindt het leuk dat de schoolstrijd er aankomt. Ze was vroeg uit vandaag, dat is leuk. Ze houdt van lezen. Ze houdt van paardrijden. Ze is erg klein en heeft zandblonde krullen en een tere huid die snel bloost.
Ik bied aan om te helpen na het eten, maar de keuken is te klein voor meer dan één persoon. ‘Ik ruim op,’ zegt Tineke, ‘en daarna drinken we wat. Max en ik nemen koffie en Femke neemt thee. Ze kijkt een half uurtje tv en dan gaat ze naar bed. Dat lijkt ze nodig te hebben om te slapen.’
Na het eten zegt Tineke tegen me dat ze de hond gaat uitlaten. Ik bied aan haar te vergezellen. Het is fris buiten. Tineke loopt snel en erg rechtop. We gaan hoeken om, maar de straten zien er hetzelfde uit: niets dan donkere, bakstenen rijtjeshuizen.
Bikkel lijkt op een hond uit een schilderij van Jan Steen. Klein van stuk, met een langharige, wit met diepbruine vacht. Tineke legt uit dat Bikkel constant getraind moet worden, anders vergeet hij. ‘Hij moet zich op mij blijven concentreren, dat is de truc,’ zegt ze. ‘Telkens wanneer hij oogcontact maakt, wanneer hij naar me kijkt, moet hij beloond worden. Bikkel! Bikkel!’ Bikkel keert om, rent terug naar haar. ‘Ja, dat is goed. Dat is goed.’
Ik weet nog hoe onze hond naar de voeten van onze gasten hapte. Haar vacht was kort en stug, haar blik behoedzaam. Als ze de ruimte had om voluit te rennen, sprintte ze als een greyhound: gestroomlijnd en krachtig in de wind. Ik weet nog hoe ze in volle vaart langs de rivier in en uit het struikgewas stormde. We hadden niet de energie om haar constant te trainen. Als er gasten kwamen, moest Sita worden opgesloten in de keuken of op het dakterras, totdat ze gewend was aan hun geur.
Bikkel rent een heg in. ‘Bikkel! Bikkel! Zit.’ Bikkel moet een kunstje doen en dan moet hij beloond worden met een brokje. Met hem in contact blijven, dat is de truc.
‘Hoe blijf je met hem in contact?’ vraag ik.
‘Maakt niet uit,’ antwoordt Tineke, ‘praten. Maar ik moet het volhouden, anders gaat hij ervandoor en doen waar hij zin in heeft en als ik hem dan moet roepen, komt hij niet.’
Hij mag niet te ver weg gaan, Bikkel. Hij moet altijd zo dichtbij zijn dat hij kan worden teruggeroepen.
‘Elke dag moet Bikkel weer getraind worden,’ vertelt Tineke, ‘anders vergeet hij.’
*
Door de dunne muren heen hoor ik Femke giechelen in de aangrenzende kamer. Het is een hoge, kirrende lach, als belletjes.
*
‘Ik weet nog dat je hier voor het eerst kwam,’ zegt Tineke. Max is gaan slapen, Femke ook. Ze zit beneden en drinkt een glas wijn. Zonder haar bril zijn haar ogen zacht, kwetsbaar. ‘Je was altijd binnen in het huis in Zuid-Afrika, je had nog nooit gefietst, en toen zat je zowat meteen op de fiets naar de Maarsseveense Plassen! Dat vond ik echt ongelooflijk, dat je je verblijf hier direct omarmde.’
‘Maar toen trok ik me plotseling terug,’ zeg ik. ‘Ik wilde de flat niet meer uit.’
‘Ik denk dat het was omdat je moest vertrekken en je daar niet goed mee kon omgaan.’
Ik aai Bikkels vacht. Hij ligt op zijn rug, met zijn buik onbeschermd.
‘Het valt niet mee, terugkeren naar Zuid-Afrika,’ zegt ze. ‘Het leven is er ingewikkelder. Het was nogal wat voor je moeder en Andries destijds, beslissen of ze wel of niet uit Zuid-Afrika moesten vertrekken.’
‘Beslissen of ze moesten vertrekken?’
‘Nou en of. Het duurde jaren voort. Daarom zocht Andries naar woonruimte in andere landen – hij probeerde andere opties te vinden.’
Bikkel schokt, aangeraakt op een plek die hij niet prettig vindt. Hij staat op en gaat ergens anders liggen.
‘Ik had het niet verteld als ik had geweten dat je het niet wist,’ zegt ze en voegt dan toe: ‘Ik denk dat het moeilijk is om ouder te worden in een land waar ouderdom je weerlozer maakt tegen criminaliteit.’
In het jaar dat we in Utrecht doorbrachten, hadden mijn moeder, Andries en ik met Sinterklaas gedichten en cadeautjes voor elkaar gemaakt. De cadeautjes moesten worden verpakt als iets anders. Ik had voor Andries een boekje met Griekse poëzie gekocht, dat ik had verpakt als een boot.
*
Ik loop door Utrecht. Straat voor straat komt ze terug: de herinnering aan zestien zijn. Op de Nobelstraat stel ik me voor dat ik iemand aankijk en op slag verliefd word. Op de Lijnmarkt zie ik een paar laarzen dat mijn leven zal veranderen. Op de Wolter Heukelslaan kijk ik binnen bij huizen en stel ik me voor dat één daarvan mijn thuis is. Bij de Berekuil schrijf ik brieven aan mijn vader waarin ik zeg dat ik hem mis en van hem houd en hoop dat het goed met hem gaat.
*
Eén keer, in ons appartement in Utrecht, legt Andries zijn hoofd op tafel en huilt. Het grootste verdriet van zijn leven, zegt hij, is dat ik niet van hem houd. Ik weet niet wat ik moet zeggen.
*
Na een week verdwijnt de wolk. Zoals beloofd, helpen Max en Tineke me met het boeken van een ticket terug naar Zuid-Afrika. De avond voordat ik terugreis bel ik mijn moeder en Andries via Skype. Er verschijnt een beeld op het computerscherm: Andries schildert. Zijn voorhoofd is vochtig van de hitte. Ik vraag hem waarom hij Nederland verliet en terugkeerde naar Zuid-Afrika.
Hij denkt even na.
Hij zegt dat hij schrok toen hij inzag hoezeer hij niet thuishoorde in de Nederlandse samenleving.
‘Aan de ene kant is het een maatschappij die erg open staat voor mensen die anders zijn, maar aan de andere kant ook niet. Meer dan in Zuid-Afrika, werkt ze met ongeschreven regels. In het verkeer moet je elkaar rakelings passeren. Het maakt niet uit hoeveel tolerantie er is – als je de codes niet kent, werkt het niet. En de codes zijn vaak erg subtiel.’
Nu, in Zuid-Afrika, vertelt hij, krijgt hij commentaar dat hij te monotoon praat. Maar hij denkt dat het komt doordat hij in Nederland de kritiek kreeg dat hij te expressief was, te uitgesproken. Het kwam agressief over.
Hij heeft dus een zeer tweeslachtig gevoel, want ondanks dat hij Nederland als abstractie ongastvrij vindt, voelt hij zich toch ook ontzettend veilig bij zijn Nederlandse vrienden.
Ik vraag wat hij schildert.
‘Voeten,’ zegt hij.
‘En hoe gaat dat?’
‘Goed,’ zegt hij.
‘Goed zo.’ Ik slik en schraap mijn keel. ‘Ik hou van je.’
‘Ik hou ook van jou,’ zegt hij.
*
Max en Tineke brengen me naar het station. Tineke helpt mijn bagage op het perron en in het treinstel te tillen. Ze spreekt de stappen van mijn terugreis met me door. Ik zie de wind haar haren even optillen, zodat ze haar hoofd omlijsten als een knalrood aureool.
‘Je redt het nu wel,’ zegt ze. Ze blijft met me wachten, op het perron naast de trein.
Achteraf herinner ik me dat als we wegrijden, zij op dezelfde plek staat, haar rug recht in de wind.
Vertaald uit het Engels door Annemarie van Limpt
Annemarie van Limpt (1980) stapte na haar Bachelor Engelse Taal en Cultuur in Nijmegen over naar de Universiteit Utrecht voor de Master Vertalen, die ze cum laude heeft afgerond met een scriptie over de valkuilen en kansen die zich aandienen bij het vertalen van humor. Kort daarna werd ze toegelaten tot de Intensieve cursus literair vertalen, een masterclass die werd georganiseerd door het Fonds voor de Letteren en het Expertisecentrum Literair Vertalen. Sinds december 2009 heeft ze als ZZP’er haar eigen vertaalbureau en sindsdien timmert ze hard aan de (literaire) vertaalweg. Binnenkort verschijnt haar eerste boekvertaling (de nieuwe roman van Anita Nair), een duovertaling in samenwerking met Laura van Campenhout.
Podcast voorgelezen door Astrid Lampe





