citybooks

Ik woon hier niet

Andrea Stift

Voor S., mijn prins

In Graz ben ik nog nooit geweest. Die kleine stad met een zogenaamde berg in het midden met daarop een klokkentoren: ik ken ze niet. Dat zou een goed begin zijn.

In werkelijkheid of misschien helaas woon ik hier al twintig jaar. Deze stad is voor mij zo vanzelfsprekend geworden, dat ik niet weet wat ik er nog over moet vertellen. Ik wil ook helemaal niet kwaadspreken, maar Graz is een gemiddeld provinciale stad, van gemiddelde grootte. Graz is nooit mijn thuis geweest en hoe ouder ik word, hoe bekrompener het me toeschijnt. Deze stad en ik doen dagelijks een onbetekenend partijtje armworstelen. Graz probeert me naar beneden te drukken, ik duw terug. Ik vertel vaak dat ik weldra wegga. In gedachten bedenk ik afscheidsplannen en -feestjes. Momenteel ben ik nog hier. De dag dat ik hier niet meer zal zijn, zou het me kunnen spijten dat ik een heleboel dingen van Graz toch niet ken.

Daarom bezoek ik plaatsen, plekken, stekken die ik nooit eerder heb gezien. Misschien raak ik toch nog verliefd op Graz, als ik er met de nieuwsgierigheid van een onbevooroordeelde vreemdeling leer naar te kijken. Dat zou mooi zijn. Dan zou ik overal waar ik ging een beetje heimwee naar deze stad meenemen.

De sigarenwinkel op Dietrichsteinplatz, vlak naast de Pamukkale. Brandweerkazerne-Zuid. De Uhlgasse. Een bank tussen tramhaltes Teichhof en Tannhof nodigt me uit, ik parkeer mijn fiets, achter mij loopt een beekje. Ik rook een sigaret, een lucifer ontploft tussen mijn vingers. Helaas biedt dat alles mij: niets.

De honden hier jagen me minder schrik aan dan het fijn stof dat in het rond wordt gehoest. ‘Kijk, daar aan de overkant heb ik ooit gewoond’, zegt S., ‘en daar familie P.’ Familie P. is de familie van een gemeenschappelijke vriend. Ik antwoord: ‘Leuk,’ en kijk heimelijk rond. We staan bij de kerk waar ik ooit eens onkuise daden heb verricht, tegen de muur. Het was toen donker en ik was dronken, en pas nu, tien jaar later, zie ik het bord waarop staat: ‘Gelieve u op deze plek waardig te gedragen’. Want deze plek is een grafheuvel van heel lang geleden. Een mooie plek. Zo is het leven: we moeten onszelf geregeld vergiffenis schenken. Ik neem de hand van S. in de mijne en we vervolgen onze weg naar een glaasje Sauvignon Blanc dat zo intens ruikt en smaakt als de kelder van mijn kindertijd. Vervolgens ontfermen we ons over de rode wijn die in het Parkhouse voor ons wordt uitgeschonken. Want, het moet gezegd, het gebeurt maar zelden dat S. en ik gevulde glazen laten staan.

Drie- of vierhonderd treden omhoog naar een mooi bos. Het is een plek waar S. en ik naar hebben gezocht. Toen ik de eerste keer verdwaalde kwam ik tussen koeien terecht: Graz zou zo graag een stad zijn en stinkt ook precies zo, maar voor het overige is het niet meer dan een voorstad van een groter geheel. Met koeien. Helemaal boven gaan we op de vermolmde tafels zitten en voelen ons de koning te rijk. Ik neem slakkenhuisjes in mijn hand, op mijn werkplek heb ik er een verzamelplaats voor ingericht. Dan laat ik ze toch weer vallen, zodat ik ze op de lange weg huiswaarts niet platdruk in mijn jaszak. Ik zou het jammer vinden mocht ik thuis alleen maar stukjes slakkenhuis in mijn hand vinden. Eentje raap ik nog op en ik merk meteen dat het bewoond is. Geen paniek, ik leg je terug op het zachte mos en ik hoop dat je het nog lang trekt. Op de terugweg zien we een ree en de ree ziet ons. Een kort moment van stilstaan in wederzijds respect. We blijven allemaal even stilstaan in wederzijds respect.

S. zegt dat hij, als hij een rijke prins was, dit bos voor mij zou kopen, en eromheen nog veel meer bossen, opdat ik rust zou hebben. Rijk is hij niet, S., maar wel prins van mijn wild bonzende hart en ik zou hem graag hier en nu op een bedje van mos spontaan liefhebben, niet zonder vooraf een verhuisactie ondernomen te hebben voor alle in de onmiddellijke omgeving bedreigde lieve slakken.

Graz, o Graz, hoe graag zou ik onverwijld afscheid van je nemen. Ik tel haast de dagen die me scheiden van mijn adieu. Daarna zal ik misschien verdrietig zijn, want in afscheid nemen ben ik helemaal niet goed. Maar ik zou het zo graag zover laten komen. Dat ik nog hier ben is het open einde van een provisorium.

In de tuin van mijn binnenplaats liep eens, lang geleden, een fazant als een pauw te pronken. Niemand kon zeggen waar hij vandaan kwam (van de Schlossberg naar beneden gezeild? Of zelfs uit de hemel neergedaald?). Hij nam rustig de tijd om erachter te komen hoe hij weer uit de binnenplaats kon ontsnappen. Fazanten hebben een behoorlijk lange aanloop nodig om te kunnen opvliegen. Aërodynamisch problematische vogels, die fazanten. Uiteindelijk had hij de juiste diagonaal in de veel te kleine tuin van mijn binnenplaats gevonden en vloog hij op en was weg en liet zich nooit meer zien. Ik ben ook een aërodynamisch problematische vogel op een veel te kleine binnenplaats.

Diezelfde avond ga ik hardlopen en ik loop slecht en ongemotiveerd. Het is een zachte lenteavond maar ik kom niet op gang. Ik houd halt voor een mollige egel op de stoep en jaag hem terug naar zijn kant. En dat terwijl ik geen flauw idee heb welke kant zijn kant is. Ik wil alleen niet dat hij op straat blijft en overreden en vermorzeld wordt en dat alles wat ik morgenavond zal zien als ik opnieuw ga hardlopen, egelmoes zou zijn. Dat zou ik mezelf niet kunnen vergeven en nog voor ik heb afgeremd en stilsta, heb ik dat alles als een film voor mijn ogen gezien. De lieve egel. De lieve egel moet nu terug naar de linkerkant en ik maak lawaai (ksj ksj) en ik klap in mijn handen en ik wapper met mijn handen, omdat ik niet goed weet waar mijn lieve egel op reageert. Uiteindelijk reageert hij en hij loopt terug naar links en terwijl ik idioot glimlachend weer begin te lopen, moet ik aan de twee koningskinderen denken die niet bij elkander konden komen. Misschien heeft de lieve egel een lief egelwijfje aan de overkant van de straat en komt er telkens weer een dierenvriend zoals ik langs, die aan het verhuizen van vermeend noodlijdende dieren zijn dagdagelijkse padvinderskick beleeft, zie hoger: slakken. En dan bedenk ik dat ik misschien net als deze egel ben, die zo graag naar de overkant wil, weg uit Graz, naar S., mijn koningskind en dan valt de puzzel in elkaar: de prins, de gemotiveerde fazant, de paarlustige egel: ik en de wilde dieren van Graz. Hoe ik ooit niet wegraakte uit Graz. Dat wordt een mooie tekst en ik loop huiswaarts met bijzonder grote motivatie en bijzonder weinig consideratie voor de steken in mijn zij.

’s Anderendaags zie ik een dode muis liggen in de tramsporen van de Sackstraße en ik denk: o jee. Deze muis is er niet in geslaagd tijdig de straat over te steken, weg van de sporen, weg uit Graz. Ik ben de muis en de muis is dood en misschien is mijn plan toch niet zo’n goed plan.

Het kerkhof van Straßgang, het zwembad van Straßgang. Het slot- en sleutelmuseum in de Wienerstraße. De Wiki-Akademie waar ook EHBO-cursussen worden gegeven. Plekken waar ik nog nooit ben geweest. Het mannentoilet in het Literaturhaus, nee, klopt niet, daar ben ik al eens geweest en wie liep ik daar tegen het lijf? Mijn oom! (Een verhaal dat niet zo lang en verwarrend is als het misschien klinkt.)

Het mannentoilet in de Running Horse daarentegen: daar ben ik echt nog nooit geweest en ik heb me er ook niet naar binnen gewaagd, hoewel S. me daar meermaals toe aanspoorde. Ik moest daar eens een blik op het bord gaan werpen. Eén blik maar. Ik was te laf. Ik ga niet graag mannentoiletten binnen, omdat je nooit weet wat je er kunt verwachten, waar de urinoirs hangen, enzovoort. Magda, die het wel heeft gewaagd binnen te gaan en rond te kijken, vertelt me dat iemand op het bord had geschreven: ‘Een kwartheldere maan loopt veel te snel langs het raam. En kwartheldere strepen splijten mijn droom.’ Het is het begin van een gedicht dat bovendien van mijn hand is en S., de romanticus, heeft het op het bord in het mannentoilet gekrabbeld. Ik voel me erg ontroerd en tegelijk vreselijk laf.

Enkele dagen later ga ik uit wandelen met het hondje van mijn oudste zoon. De hond heet Amy en is echt klein. Eigenlijk wil ze ook helemaal niet uit wandelen, het is veel te warm. In de Schröttergasse komen we een hond tegen die nog kleiner is dan onze echt heel kleine hond: een chihuahuababy genaamd Lea. Ze is wit en zo groot als een tennisbal en ze heeft geweldig veel weg van een rat. Vandaag wou ik me door de hond laten leiden. Ik dacht dat het met Amy aan de lijn niet moeilijk zou zijn om onbekende, nieuwe plekken te ontdekken. Indien nodig vanuit hondenperspectief.

Maar Amy vindt alleen maar een stuk schnitzel waar al aan geknabbeld is, ze wordt verscheurd door twijfel, zou het eigenlijk graag verorberen, maar wordt afgeschrikt door de talrijke mieren die erop rondmarcheren. De appetijt wint het pleit, maar niet voor lang, met haar snuit vol mieren springt ze terug en trekt me verder.

In de Grabenstraße valt al twintig jaar dezelfde muurkrabbel te lezen: ‘IK HOU VAN MIJN NA’. Ik hou van die ‘IK-HOU-VAN-MIJN-NA’-muurkrabbel. De betekenis heeft me lang kopbrekens bezorgd. Was het misschien een opstoot van christelijkheid van een spellingstechnisch niet erg beslagen auteur (‘IK HOU VAN MIJN NAASTE’) – de Grabenkirche ligt tenslotte niet veraf? Nee, de meest voor de hand liggende veronderstelling is natuurlijk de beste, het wijst vast en zeker op een meisjesnaam. Maar welke? Er schiet me behalve Nathalie en Nadine niks te binnen, al sinds twintig jaar schiet me behalve Nathalie en Nadine niks te binnen en Nathalie en Nadine zijn nu toch echt geen namen uit Graz. Later zou je er misschien Natrebko in hebben kunnen lezen, maar die was twintig jaar geleden nog niet zo populair en ik vermoed dat maar heel weinig jongeren uitgerekend ‘IK HOU VAN MIJN NATREBKO’ op een huismuur zouden krabbelen.

S. biedt dan snel en zonder nadenken de oplossing, het is duidelijk, er moet natuurlijk ‘IK HOU VAN MIJN NAGELRIEMONTSTEKING’ staan, want in hetzelfde huis houdt mijn huisarts praktijk. Vrijheid voor de nagelriemontsteking!

Ik herinner mij vaag dat ik ook plekken die ik ken ooit niet heb gekend en van welke van deze plekken ik bij de eerste ontmoeting het meest onder de indruk was – het Landeszeughaus. De binnenplaats van het Franciscanenklooster. Het Instituut voor Archeologie in het hoofdgebouw van de universiteit. De Kunstgarten. De Starhemberggasse. Inderdaad. Die ook.

In 2003 was ik voor het eerst op de binnenplaats van het Franciscanenklooster. Normaal gesproken kan ik me geen jaartallen herinneren. Dit heb ik onthouden omdat in 2003 de cultuur haar intrede in Graz had gedaan. Een van de laagdrempeligste plekken was het oord van stilte in het Franciscanenklooster. Ik ging erheen omdat je erheen moest om een gedicht te schrijven of een tekening te maken (papier en stiften kon je uit een houten kistje nemen dat in de gang stond). Het is een mooie kloostertuin midden in de stad en nauwelijks iemand heeft weet van het bestaan ervan. Je kunt er op een bank gaan zitten en naar de tuin luisteren, je kunt ook bidden als je dat zou willen. Maar je hoeft niet, en dat is mooi. Ik heb er een gedicht geschreven en het in de daartoe bestemde doos gestoken. Dat was mijn bijdrage aan het Cultuurjaar 2003. Omgekeerd was de bijdrage van het Cultuurjaar aan mijn biografie dat het me de kans bood deze oase van bezinning te ontdekken.

’s Avonds ontdek ik tot mijn vreugde een nieuwe straat, de Kettengasse. Ze is me opgevallen tijdens het doelloze, gezapige fietsen door mijn buurt, ik rijd erdoor, ze is kort en klein. Ik kom uit aan de Schwimmschulkai en meteen voer ik mijn tempo op. Op de Schwimmschulkai is niets zonder doel; voetganger, fietser, inlineskater, iedereen heeft hier een bestemming: zo snel mogelijk het andere eind bereiken. Omdat de Schwimmschulkai een van de weinige autoloze en rustige rechte stroken in Graz is, maken fitnesslustigen er nagenoeg de klok rond een ongezellig oord van vrijetijdstress van. Mijn kinderen en de kinderen van op z’n minst de helft van alle inwoners van Graz hebben hier leren fietsen en werden tezelfdertijd ingewijd in de ruwe zeden van het plaatselijke verkeer. Meer dan eens werden ze de huid vol gescholden door zwaar gespierde hardlopers die op hun pad naar een beter zelf geen rekening hadden gehouden met kinderen op de weg. Ik ben zelf hardloopster, maar terwijl alle hardlopers die ik hier tegenkom of in het stadspark of in de Keplerstraße (het zal me eeuwig een raadsel blijven waarom je ook in de drukste straten van Graz steevast hardlopers ziet) steeds een zweem van gekwelde ongezondheid over zich hebben, probeer ik met mate hard te lopen, hooguit drie keer per week. Bij de minste onpasselijkheid stel ik mijn fitnesstaak uit zonder een spoor van slecht geweten. Een grote hond kijkt me over een balkonleuning aan, hij heeft zijn voorpoten op de balustrade gelegd en kijkt op me neer. Een vaalwitte kat kruist mijn weg en ik ben blij. Een hond laat me onverschillig, de voornaamheid van eender welke kat maakt me ogenblikkelijk blij.

Helaas hebben wij zelf een hond. Ik kan er niks aan doen. Om opvoedkundige redenen heb ik één enkel keertje toegegeven en nu hebben we zo’n typische binnenhuishond zoals er zoveel zijn in Graz en in alle steden. Zoals eerder vermeld is hij niet heel groot. Wanneer hij eens niet wil wat ik wil, grijp ik hem beet bij zijn borstgareel en draag hem als een handtas. En nu van voren af aan want het is geen ‘hij’ maar een ‘haar’.

Mocht ik nog nooit in Graz zijn geweest, dan zou ik de Eisengasse, de Langedelwehr of de Starhemberggasse niet kennen. Daar en elders wonen mensen die niks meer met mij te maken willen hebben of met wie ik niet meer spreek. We hebben ons wederzijds uit ons leven geschrapt, en vaak gebeurde dat volkomen terloops. De Starhemberggasse is, net als een paar andere adressen in Eggenberg, een tamelijk problematische wijk. De stad heeft van overheidswege haar best gedaan om daar verandering in te brengen: met EU-geld kleurrijke balkonnen gemaakt en zo, maar de mensen die daar wonen kun je niet veranderen en ze willen ook niet veranderen en ik weet niet of ik dat goed of slecht moet vinden. Ik denk dat ik het goed vind, maar in de Starhemberggasse gaan wonen wil ik niet. Ik had er ooit een vriendin, die het net zo verging als veel van mijn vrienden of vriendinnen: vroeg of laat waren ze mijn vrienden en vriendinnen niet meer, omdat ik mijn belangstelling in hen verloor. Ik zeg hun dat nooit, ik zoek en vind altijd een smoes en die herkauw ik dan net zolang tot het een reden is geworden. Die reden is dan zo helder en dwingend dat ik hem niet eens meer moet meedelen, ik verbreek het contact en denk er lang niet meer aan. Maar in de Eisengasse woont een ex-vriend en nauwelijks ben ik aan deze alinea begonnen of ik loop hem in de Humboldtstraße weer tegen het lijf: ik wacht op bus 63 en hij fietst me voorbij en we wisselen een blik. Het is een moment van onbijbelse herkenning en we zijn allebei blij als het voorbij is en vergeten het meteen weer.

Met bus 63 rijd ik vervolgens naar Raaba, dat echter absoluut niet meer bij Graz hoort, reden waarom ik over de dwaze gebeurtenissen die me daar overkwamen (het is Pasen) niets kan vertellen.

Misschien zit het ook zo: ik wil weg uit deze stad om er niet voortdurend aan herinnerd te worden dat ik niet van plan ben langer met mensen overweg te kunnen. Ze worden saai, zou ik kunnen beweren, of ik krijg op een of andere manier een hekel aan hen. Slechts weinigen lukt het de spanning erin te houden. Ik heb niet graag dat de dingen te voorspelbaar worden. Maar goed, dat geldt niet alleen voor mijn vrienden, dat geldt voor mijn hele leven. Het bezorgt me niet eens een slecht geweten. Misschien, om me er op een of andere manier uit te praten, misschien slaat de verveling die Graz in mij wekt over op mijn vrienden en ex-vrienden. Dan treft niet alleen mij schuld.

En Graz is zo klein. Ik kom voortdurend mensen tegen, die ik liever uit de weg zou gaan: ex-vrienden, de eerder genoemde vriendinnen aan wie ik zonder reden nooit nog een teken van leven geef. Tandartsen en bankbedienden. Het is om te huilen. Ik weet hoe de anderen daarmee omgaan. Het komt mij ook maar uiterst zelden ter ore dat mensen echt weggaan, weg, weg, ver weg. Naar Wenen, Berlijn of Sardinië, dat is tot nog toe het verste uit mijn kennissenkring. Een paar enkelingen, jong, ongebonden of kunstenaar, redden zich met verschillende woonplaatsen in verschillende mondaine steden.

Mijn bed hangt een beetje door en dit dal is gloednieuw. Nooit tevoren ben ik op deze plek geweest, in dit dal en het herinnert me aan iets wonderbaarlijks. En dan zie ik in hoe Graz werkelijk is.

Het sportplein in district Andritz. Giovanni’s Garden. De Waldorfschool in het stadsdeel Ries. De kleine kapel, als het al een kapel is, die je kunt zien als je bij halte Weinzödlbrücke op de bus staat te wachten. Op de ontboste helling aan de overzijde.

S. zegt dat hij de gedachte dat ik ooit in zijn buurt zou kunnen komen wonen liever uit de weg gaat en ik sla me voor het hoofd en denk: dat is ook ooit mijn devies geweest. Zo ben ik ook ooit geweest. Ik moet voor ogen houden wat deze stad voor mij betekent, wat ze nu is. Als ik met S. ga wandelen of ook als S. niet hier is. Op die momenten leef ik namelijk ook.

Op de mooiste momenten van Graz trek ik ’s voormiddags al naar de Lendplatz, om een broodje roastbeef te kopen of een paar radijsjes. Vervolgens een glaasje wijn, allemaal binnen de werkuren. Ik koop verjaardagscadeaus en ga warenhuizen binnen die doen alsof ze in een veel grotere stad liggen, alsof ze bijvoorbeeld Harrods in Londen zijn. Daar zingen operazangeressen bij de Egyptian Escalator, daar zullen ze bij Kastner zeker ook nog voor zorgen. Want bij Kastner kennen ze het understatement niet. Ik moet er niks van hebben, maar alleen daar vind je pokerkaarten zoals in het casino, pokerkaarten die mij zoon nodig heeft, hij is zeventien. Binnenkort is hij achttien en wil niet weg uit deze stad. Dan moet hij hier blijven, denk ik, ik ga zijn taart afhalen, in het koffiehuis meteen aan de overkant. Op de taart staat: Lang leve David.

Op de mooiste momenten van deze stad wordt mijn huis bevolkt door mensen, vrienden, die drinken en eten. Lezen en musiceren, we vermaken ons. De onderburen met het pasgeboren kindje denken al slecht van mij, hoewel ze pas enkele weken geleden hier zijn ingetrokken. Het balkon is gebarsten. Ik laat me vertellen dat het van natuursteen is, het is bijna onmogelijk, om niet te zeggen gewoon uitgesloten dat het het begeeft onder de zware last van drinkende en rokende en etende mensen. Ik wil niet sterven in deze stad, door van het balkon te vallen. Ik wil weg uit Graz voordat mijn balkon afbrokkelt, dat neem ik me heilig voor. Vanaf mijn balkon zie je de Schlossberg in al zijn pracht, dat zal ik missen. Ik zal het missen om met oudjaar het vuurwerk van heel dichtbij maar toch op een veilige afstand van beschonken rondvliegende bierflesjes te kunnen beleven. Soms hoor je een ambulance door de Grabenstraße rijden, de sirene erg luid, ontzettend luid, het houdt niet op, dan betekent het dat een of andere idiote automobilist niet tijdig uit de weg is gegaan, en nu staat de ambulance daar en wil hij vooruit maar kan niet. De hele binnenplaats is sirene.

De mooiste momenten van deze stad beleef ik hand in hand met S. Dat gaat ook elders, maar S. is van hier afkomstig. Momenteel woont hij ergens anders, maar ik denk bij mezelf dat het toch een positief punt is voor Graz dat het onder andere zoiets moois als S. heeft voortgebracht.

Ik lijk wel vastgeklonken aan deze stad. Ik vlucht erg graag in mijn dagdromen. Dan droom ik me naar waar ik vandaan kom (dat is niet Graz) of naar waar ik heen wil (dat wil zeggen overal). Veel van mijn dierbaren begrijpen niet wat ik toch op Graz aan te merken heb. Dan probeer ik het uit te leggen, loop vroeg of laat vast, kom niet meer verder en besluit meestal met: ‘Ik ben hier gewoon al te lang’.

De Friedrich-von-Gagern-Allee. Büchersegler, een nieuwe boekhandel. Het Stukitz-zwembad en de Rebengasse. Het Metahofpark waar ik maar een keer ben geweest, en dat is alweer lang geleden. Veel dingen zijn niet waar, er wordt hier veel gelogen, dat bedenk ik ook nog. Ik herneem het armworstelmotief van de eerste pagina, las het hier in en werk het uit tot een afsluitend gedicht. Het gaat zo.

We organiseren een partijtje armworstelen, mijn stad en ik
Zij drukt me neer en ik duw terug
Ik ben daar niet zo goed in
Zij heeft meer doorzettingsvermogen, en duiven

De duiven storen me niet zo, wat me hindert
Zijn de mensen, dat ik alles en iedereen ken
Dat iedereen me op iedere straathoek begroet
Niemand kust me

De stad is klein, mijn geest is groot
Althans dat praat ik mezelf graag aan.
De vogeltjes tsjilpen vanaf de berg tot in mijn tuin
De berg is overal en waar je ook bent, is berg
Wat niet betekent dat je omsingeld bent. Dat bevalt me dan weer.
Je kunt hier goed ademen.

Aan vele mooie plekken ga ik met plezier voorbij
Ik heb hier ingrijpende dingen beleefd, eerste kussen,
geslachtsverkeer en zo. Je weet wel.
Drieduizend tochten door zo onbekende straten.
Anderzijds weet ik eigenlijk ook niet wat me stoort
aan dit stadje van mij.
Nu heeft ze weer moeiteloos gewonnen.

 

Vertaald uit het Duits door Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen

 

Kris Lauwerys (Duffel, 1972) is literair vertaler uit het Frans en het Duits. Hij is de vaste vertaler van Gregor von Rezzori, van wie hij tot nu toe Memoires van een antisemiet, Bloemen in de sneeuw en Een hermelijn in Tsjernopol vertaalde. Van Henri Bauchau vertaalde hij Maalstroom, een prestatie waarvoor hij in 2009 werd onderscheiden met de Prix Henri Bauchau. Kris Lauwerys werkt daarnaast als docent Nederlands aan de universiteit van Mons. Voor deBuren schreef hij het Radioboek ‘Een reis en twee liefdesverklaringen’ (www.radioboeken.eu).

Isabelle Schoepen (Wilrijk, 1974) vertaalt en redigeert voor enkele tijdschriften en organisaties in de cultuursector. Tot voor kort was ze coördinator van de Vlaamse Auteursvereniging, de belangenvereniging van en voor Vlaamse auteurs en vertalers.

 

Podcast ingelezen door Rebecca Lenaerts.