1
In de Thalys van Amsterdam naar Parijs kost het me moeite om te kijken. Niet dat er iets mis is met mijn ogen, maar ik probeer alles wat ik zie om te zetten in een onderdeel van een groter geheel – alles moet betekenis hebben, van de steden en de weilanden waar we doorheen rijden tot mijn medepassagiers.
Ik heb teveel nagedacht over mijn blik. Het voelt alsof mijn kijken gemonopoliseerd is door het project waar ik aan deelneem, citybooks: tientallen auteurs en een paar handenvol fotografen en videokunstenaars die door heel Europa uitgezonden worden om in vooraf geselecteerde steden twee weken in residentie te gaan en hun ervaringen daarna om te zetten in een werk. Die teksten en beelden worden vervolgens door Vlaams-Nederlands Huis deBuren op het web geplaatst, in drie of vier of vijf verschillende talen en (als het goed is) in heel Europa (heel de wereld) gelezen, bekeken en beluisterd.
Ik vind het eerste netwerk, dat bestaat uit zo’n zeventig verschillende reizen kriskras door Europa, al duizelingwekkend. Het tweede netwerk is een labyrint waar ik liever niet over nadenk. Al die moeite om de uitzonderlijke blik van de artiest te sturen, te vangen, te reproduceren en te openbaren – mijn blik wordt er nerveus van en gaat zich van de weeromstuit verzetten tegen zijn kennelijke uitzonderlijkheid. Vanuit mijn metaperspectief is het feit dat ik onderweg ben van Amsterdam naar Chartres, interessanter dan de ervaring zelf, en iets zegt me dat ik dan net zo goed thuis had kunnen blijven. Wil ik iets ervaren, dan zal ik moeten vergeten dat ik in een doolhof dwaal en wil ik iets zien, dan zal ik mijn ogen moeten vestigen op wat voor me ligt.
2
Wanneer u of ik een gordijn sluiten, doen we dat zelden omdat we niet naar buiten mogen kijken. Buiten hoeft niet beschermd te worden tegen onze blik of tegen ons licht – binnen daarentegen moeten we kunnen afsluiten van invloeden van buitenaf: zonlicht, de blik van een voorbijganger, overvloedige regen die ons neerslachtig maakt.
Glas-in-loodramen lijken meer op tv-schermen dan op echte ramen. Net zoals de televisie, verandert het gebrandschilderde raam als de omstandigheden buiten veranderen. Wanneer er verkiezingen zijn, toont de tv andere beelden dan wanneer het oorlog is. De glas-in-loodramen veranderen van aanblik met de stand van de zon en met de weersomstandigheden. Maar zowel tv als glas-in-loodraam zijn in de eerste plaats een filter: de blik is weliswaar naar buiten gericht, maar ziet van de wereld slechts datgene wat de maker van het filter geschikt acht om te tonen. De buitenwereld ziet niets van ons terwijl we ons aan ons glas vergapen.
Wij zijn precair. We durven niet ongehinderd te kijken en willen niet dat er teruggekeken wordt.
Of toch? Eén van de grootste gebrandschilderde taferelen in de kathedraal van Chartres bevat een Jeremiahfiguur waarvan de ogen uit helder, ongekleurd glas bestaan. Het is geen toeval dat dit raam aan de zuidzijde gemaakt is: het licht valt door de ogen van Jeremiah recht in de ogen van de kijker. Maar willen wij gezien worden of willen de makers van het glas-in-loodraam dat wij ons bekeken wanen?
3
Patrick Géroudet wacht me op in het station van Chartres. Hoe de hiërarchische verhoudingen in Franse gemeentes precies in elkaar steken, heb ik niet helemaal weten te achterhalen, maar hij is een soort onderburgemeester van cultuur en stadspromotie. Patrick is mijn eerste venster op de stad. Het is warm voor oktober, de zon schijnt. Met mijn jas open en mijn sjaal over mijn arm loop ik – rolkoffer in de ene hand, sigaret in de andere – achter hem aan. De rolkoffer stuitert naar links en naar rechts op de kinderkopjes van de Middeleeuwse binnenstad en mijn schoudertas glijdt van mijn rug af naar mijn heup, zodat hij klem komt te zitten tussen mijn lichaam en het handvat van mijn koffer.
Patrick beschrijft alles wat we zien. Hij ziet niet alleen wat er is, maar ook wat er nog gaat komen. Ik heb moeite om me het opgehoogde plein voor de kathedraal dat hij me omschrijft voor te stellen. De ondergrondse historische expositie waaraan de ophoging plaats moet bieden, kan ik me al helemaal niet inbeelden. Wanneer we mijn spullen hebben achtergelaten in het appartement waar ik de komende twee weken zal doorbrengen, laat hij me de stad zien. De rivier, die in drieën gesplitst is, de bruggen en de wasplaatsen, historische straatjes, een anekdote over een dichter, tertres, kapelletjes en kerken.
Er lijkt nauwelijks een inwoner voorbij te gaan die Patrick niet kent en hij spreekt ze allemaal aan. Mij stelt hij voor als een jonge Nederlandse schrijver. Ik ben in Chartres in het kader van de ‘promotion de la ville’. Dat zegt hij niet tegen mij, maar deze woorden komen steevast in ieder gesprek terug.
Ik kan geen sigaret opsteken zonder dat iemand er commentaar op heeft.
We bezoeken kort twee exposities. Een in een kapel, van mozaïeken, met een gemozaïekte Frank Zappa als hoogtepunt. De andere is in een kerk en toont zonder enig idee of structuur schilderijen en beeldhouwwerk. We raken in gesprek met een kleine kalende vijftiger die puntschoentjes en een zijden sjaaltje draagt. Zijn werk wil vrede brengen in de kosmos. Hij heeft nog veel grotere beelden gemaakt in dezelfde serie, vertelt hij. Hij spreekt over de harmonie die hij in zijn beelden wil leggen en over de rust die ze uit moeten stralen. Als Patrick me aanspoort om iets te zeggen, merk ik op dat de kunstenaar erg van grote woorden houdt.
De beelden lijken nog het meest op gesmolten smurfen.
Als Patrick me weer bij het appartement afzet, is het twee uur later. Ik heb het gevoel dat ik iedere kerk van Chartres van binnen en van buiten gezien heb, behalve de kathedraal.
4
De volgende dag bezoek ik de kathedraal voor het eerst. Er zijn restauratiewerkzaamheden aan de gang. De hoofdingang aan de westzijde staat in de steigers, evenals het koor aan de overzijde. Ik hoor het geluid van een stofzuiger en het geklos van de zware werkschoenen van de restaurateurs op de steigers. Aan de oostzijde is het gewelfde plafond roomwit, maar voor de rest zijn de stenen grauw. Gekleurd licht valt door de glas-in-loodramen naar binnen. Van ver vallen de geometrische patronen waarin de afbeeldingen gerangschikt zijn meer op dan de afbeeldingen zelf. Van dichtbij is het moeilijk om het overzicht te behouden en springt mijn blik van voorstelling naar voorstelling.
Rijen stoelen staan netjes in het gelid. In het middenpad is een klein deel van het labyrint te zien dat in donkere stenen in de vloer gelegd is.
Na een half uur ga ik weer weg. Op de een of andere manier voel ik me niet opgewassen tegen dit ding.
5
Gilles Fresson praat graag en veel over zijn werk en over de kathedraal. Nu is zijn werk het coördineren van alle activiteiten die plaatsvinden in de kathedraal, dus het een loopt nogal in het ander over. In het begin van ons gesprek nodig ik hem uit om me te overladen met informatie. Juist in het gebruik openbaart zich de betekenis van de kathedraal, denk ik. Mijn idee is dat de kathedraal een enorme verzameling van verschillende tekens is die allemaal op duiding wachten. De verschillende functies die het gebouw voor verschillende mensen aanneemt, zeggen minstens zoveel over de gebruikers als over de kathedraal.
Bezoekers met ongebruikelijke verzoeken komen bijna zonder uitzondering bij Gilles terecht. Zoals de man in de oranje jurk die met zijn groep volgelingen de weg van het labyrint wilde afleggen. Het tijdstip en de dag waarop dit moest gebeuren, had hij zeer precies bepaald aan de hand van de stand van de sterren en de maan, aldus Gilles. Gevraagd naar de reden waarom de man met zijn groep het labyrint wilde lopen, antwoordde hij: ‘Drie redenen. Innerlijke rust. Wereldvrede. En harmonie in het heelal.’ Gedurende het hele gesprek had de man een enorme glazen piramide op schoot gehad.
Later schuift Gilles me het gastenboek van afgelopen juli onder mijn neus. Frans natuurlijk, Spaans, Italiaans, Engels, Duits, Nederlands. Japans? Arabisch? Amerikanen vermelden hun volledige naam, hun stad van herkomst en de staat waarin deze gelegen is. Ze bedanken voor de kathedraal, die ‘fabulous’ is en ‘a wonderful experience’. Iemand klaagt dat zijn religieuze ervaring verpest is door de luidruchtige toeristen en de vele flitsende camera’s. Eronder staat een soortgelijke klacht, in hetzelfde handschrift maar met een andere naam gesigneerd. Opvallend vaak worden doden herdacht. Soms ‘mijn man’, ‘mijn moeder’ of ‘mijn zoon’, vaak met naam en toenaam.
Wanneer de kathedraal open is voor het publiek, is er te allen tijde een priester aanwezig tot wie bezoekers zich kunnen wenden. Gilles: ‘Als een gewone priester in een gewone kerk een huisarts is, kun je onze priester het beste vergelijken met een eerstehulpafdeling. Soms spreken mensen hem aan om te zeggen dat ze iemand gedood hebben. Sommigen zijn net vrijgekomen, anderen zijn helemaal niet veroordeeld.’
De priester heeft zwijgplicht, voegt hij er later aan toe.
6
Vanwege de restauratiewerkzaamheden is slechts een deel van het koor te bezichtigen. Aan de noordkant is de muur gedecoreerd met beelden van heiligen. Ik sta stil bij een groepje van drie, waarvan de hoofden ontbreken. Aan de afgesleten randen te zien, moeten ze er lang geleden afgeslagen zijn.
Ik probeer meer van het labyrint te zien, maar de stoelen die er overheen geplaatst zijn, maken het onmogelijk om het patroon helemaal te bekijken. Het middenpad laat slechts een smal deel vrij. Ik kan de ingang zien, de plek waar het pad naar links buigt. Uiteindelijk komt het schuin tegenover die bocht weer terug in het midden en loopt de laatste paar meter recht naar het midden. Ooit lag in het centrum een koperen plaat van ongeveer anderhalve meter doorsnee. Die plaat is allang verdwenen; wat rest is een brokkelig oppervlak met enkele gaten, waarin de bouten zaten waarmee de plaat was verankerd.
Rond mijn tiende levensjaar had ik een regelmatig terugkerende nachtmerrie. Ik daalde af in een kelder, die de ingang was tot een ondergronds doolhof, waarin ik telkens verdwaalde. De uitkomst van de tocht was echter altijd dezelfde: ik opende een deur en kwam in een kamer terecht. In die kamer stond een man. Zijn hoofd ontbrak. Het was er niet afgehakt of gesneden; het had er nooit gezeten. De man droeg een vaal en smerig hemd, waarin het gat ontbrak waar normaal gesproken zijn hoofd doorheen zou steken.
7
Gilles vertelde me dat het labyrint in de Middeleeuwen gebruikt werd voor een paasdans, waarbij een priester de weg naar het midden aflegde en onderwijl een bal heen en terug wierp naar de leden van de gemeente die buiten de cirkel stonden. Nu worden de stoelen iedere vrijdag aan de kant geschoven, zodat gelovigen, spirituelen en toeristen het labyrint zelf kunnen lopen. Voordat het lopen van het labyrint heruitgevonden werd, is het eeuwen ongebruikt geweest, een betekenisloos teken in de vloer van de kathedraal.
Het paasspel was een heropvoering van de mythe over Theseus die de minotaurus in het labyrint van Daedalus doodt. De scholastieke interpretatie van die mythe is dat het een prefiguratie was van de dood en de wederopstanding van Christus: in de drie dagen tussen goede vrijdag en paasmaandag daalde Christus af in de hel om vervolgens, de dood overwonnen hebbende, opnieuw tot leven te komen. Die overwinning op de dood maakte het eeuwig leven mogelijk. De bal symboliseerde de genade Gods die de mensheid ontvangen mocht.
Er is een Middeleeuwse tekst gevonden die de regels van dit spel beschrijft. Die tekst gaat echter over een gebruik dat in Auxerre plaatsvond, niet in Chartres. Omdat het labyrint in Auxerre erg veel zou hebben geleken op dat van Chartres, neemt men aan dat het gebruik hetzelfde moet zijn geweest.
Via Google Scholar vind ik een tekst die het labyrint interpreteert als een structuur die een pelgrimage naar Jeruzalem uitbeeldt. Het labyrint heeft dezelfde opzet als de toenmalige wereldkaarten: een cirkel met een kruis erdoor, waarvan de armen de noord-zuid- en oost-westlijnen vormen. In het midden Jeruzalem, het einddoel van het aardse leven.
Gelovigen die niet in staat waren om de pelgrimage naar de heilige stad te maken, konden de weg van het labyrint lopen om zo deze tocht symbolisch te volbrengen. Een stapeling van symbool op symbool, want de pelgrimage zelf staat natuurlijk ook al voor iets anders: het leven van de rechtschapen christen, dat eindigt in de hemel.
Op de koperen plaat stond in de ene interpretatie een afbeelding van een minotaurus, in de andere een beeld van Jeruzalem. De plaat zelf is verdwenen tijdens de Franse revolutie; waarschijnlijk omgesmolten.
Jeruzalem, Minotaurus: het einde van het liedje is toch de dood.
8
Voor de kathedraal staat altijd iemand te bedelen. Het vaakst zie ik een magere vijftiger staan. Hij draagt een plat petje en sportschoenen. In zijn handen heeft hij een stel verdorde twijgen waar de resten van bloemen en blaadjes aan hangen. Soms zingt hij en doet hij een dansje. Er is ook een dikke vrouw met grijze krullen en een man met een baard. Ze zijn altijd in hun eentje – zou er een soort bedelschema zijn? – en houden alle drie een stenen schelp op waar kleingeld in zit.
Op woensdag bezoek ik de kathedraal terwijl er een mis aan de gang is. Dertig of vijfendertig gelovigen zitten voorin op de bankjes. Middenin de preek kom ik binnengelopen. De toeristen lopen zachtjes door de kathedraal, nemen foto’s van het interieur en doen hun best om de mis niet te verstoren. Toch vechten de geluiden van hun voetstappen, hun camera’s en hun stemmen met de woorden van de priester. Geen enkel geluid is groot genoeg om de ruimte te vullen, alle woorden en klanken gaan kriskras door elkaar van de ene muur naar de andere.
9
In het Centre Pompidou hangen drie schilderijen van Roman Opalka, of eigenlijk zijn het slechts details van één werk: ‘1965 / 1 – ∞’. Opalka begon in 1965 met het schilderen van een witte ‘1’ op een zwarte achtergrond, links boven op het doek. Hij schilderde alle volgende nummers tot hij rechts onderaan gekomen was. Daarna begon hij met het volgende cijfer op een nieuw doek.
De details in het Centre Pompidou zijn uit een latere periode, waarin Opalka een nieuwe dimensie aan zijn werk toegevoegd heeft: in plaats van op zwart, schildert hij nu op grijs. Ieder nieuw doek is één tint lichter. Opalka beweerde dat hij rond de tijd dat hij nummer 7,777,777 op doek zou stellen, met witte verf op een witte achtergrond zou werken. Van dat enorme project zijn hier details 3,307,544 – 3,324,387, 3,324,388 – 3,339,185 en 3,339,186 – 3,353,469 te zien. De nummers zijn zo klein dat ze, mede door de kleurschakering, pas bij nadere inspectie opvallen. Om en nabij de honderdnegentienduizend cijfertekens op doeken van 1,96 meter bij 1,35. Het lijken voorzichtige, schemerige lijnen die nauwelijks achter het omringende grijs vandaan kunnen komen.
Opalka overleed op 6 augustus 2011, of in zijn eigen tijdsrekening: op nummer 5,607,249.
10
Marieke is in Chartres. Samen gaan we op vrijdagmiddag naar de kathedraal om naar de labyrintlopers te kijken.
Het is de eerste keer dat ik het labyrint in zijn geheel zie. De stoelen staan tegen elkaar geduwd langs de randen, als waren het nieuwsgierige toeschouwers. Die zijn er echter, op Marieke en ik na, nauwelijks. Er zijn de toeristen; hen zie ik de hele week al. Ze maken foto’s, kijken omhoog naar de ramen, lezen een informatiebord en branden een kaarsje. Af en toe blijft hun blik even hangen bij het vreemde schouwspel in het middenschip, maar ze kijken snel weer weg.
De lopers zelf hebben nauwelijks oog voor de anderen. Ze zitten aan de kant op een stoeltje en bereiden zich voor. Sommigen trekken hun schoenen uit, anderen zeggen een gebed of staren blind voor zich uit. Beslissingen worden genomen. Tas laten liggen of toch maar omhouden? Nu gaan of later? Samen of alleen? Sokken aan of uit?
Ook degenen die geen kruis slaan, nemen een moment de tijd om de eerste stap in het labyrint te wagen. Er is een grens tussen binnen en buiten het labyrint die zich manifesteert in de lichaamstaal van zij die binnentreden. Een aarzeling. Een gebaar. Een blik naar voren en dan naar beneden. Gevouwen handen voor een buik of handen plat tegen elkaar voor de borst.
Het labyrint is ongeveer twaalf meter in doorsnee, te groot en te ingewikkeld om het pad met je ogen te volgen. De enige manier om het af te gaan, is door het te lopen. Doordat het pad zo smal en bochtig is, kan je echter onmogelijk het overzicht over het geheel houden.
Het is een spel van vertrouwen dat iedereen anders speelt. Een van de opvallendste lopers is een tanige man van rond de veertig jaar. Hij draagt een kaki broek met zakken aan de zijkant en is op blote voeten. Niet alleen bij het binnengaan, maar ook iedere keer als hij een bocht neemt, stopt hij, plaats hij zijn handen voor zijn borst, vingers en palmen plat tegen elkaar, sluit zijn ogen, staat een moment of twee kaarsrecht stil en verandert dan weer van een zoutpilaar in een mens die loopt.
Hij zet iedere stap bewust: even ver, even langzaam, even geconcentreerd en even bedacht. Marieke en ik speculeren over zijn beroep. Ik suggereer dat hij spiritueel adviseur is, maar dat vindt Marieke te gewoontjes. Zij denkt: reikimeester.
Even na de reikiman betreden twee vrouwen het labyrint. Moeder en dochter? De jongste zal tegen de zestig zijn, de oudere vrouw is minstens tachtig. Ze is dik, zoals oude vrouwen die veel kinderen hebben gehad dat zijn. Ze draagt een zwarte jurk, een zwarte jas en een witte sjaal en loopt met een stok.
Ik denk niet dat ze sneller of langzamer, bedachtzamer of plechtiger loopt dan wanneer ze ‘s ochtends naar de bakker gaat. Ergens halverwege haalt ze Reikiman in. Ze moet daartoe afwijken van het pad, maar dat lijkt haar niet te deren.
Reikiman is zeer strikt in zijn weg. Hij laat zich door niemand van zijn pad afbrengen.
Als de vrouw in het midden is gekomen, staat ze kort stil, slaat een kruis en loopt rechtdoor naar buiten. Of was ze al buiten het labyrint toen ze haar kruis geslagen had?
Veel later komt ook Reikiman in het midden aan. Bij iedere roos die om de verdwenen plaat in de vloer is gelegd, herhaalt hij zijn ritueel van stilstaan, handen voor de borst en vooruitkijken. In het midden doet hij het nog vier keer, naar alle windrichtingen. Dan loopt hij het hele pad weer af op dezelfde, hemeltergend trage manier waarop hij naar het midden liep.
Zo gaat het uren door. Drie vrouwen op blote voeten met dikke kaarsen die alle drie verschillende tekenen van religieuze extase tonen. Gesloten ogen of juist blikken omhoog. Wanneer ze aan de kant zitten, zie ik dat hun kaarsen, die ze angstvallig recht hielden tijdens het lopen, van plastic zijn. De vlammetjes zijn led-lampjes.
Twee mannen die eerst de hele buitenrand zijwaarts afgaan en bij iedere stap stilstaan.
Twee mannen die bij iedere bocht bidden. Ze zien eruit als Siciliaanse criminelen en gaan zo mogelijk nog langzamer dan Reikiman. Tegen het einde van het pad hebben ze een file van een twintigtal lopers veroorzaakt; een komisch effect omdat iedereen ze wil passeren, maar te beleefd is om voorbij te steken. Iedere keer als de rij tot stilstand komt, buigen hoofden zich zijwaarts om langs de ruggen te kunnen kijken wat het oponthoud veroorzaakt.
Een moeder met haar puberdochter. Beiden lopen blootsvoets, met hun armen licht gespreid naast hun lichaam. De moeder houdt haar handen schuin omhoog gekeerd, alsof ze wacht op iets dat uit de hemel neer zal dalen. De handen van de dochter zijn naar beneden gekeerd, als die van een koorddanseres.
Een man in een motorpak, helm in de hand.
Een Engels echtpaar dat pas opmerkt dat er een labyrint is wanneer ze er al middenin staan. Verbaasd kijken ze naar het patroon op de vloer. De man loopt naar buiten, de vrouw volgt het pad tot ze na twee bochten beseft dat ze geen idee heeft welke kant ze opgaat, haar schouders ophaalt en dwars door een groepje heen naar buiten beent.
Een Japans meisje dat een deel van het pad loopt, tot haar vriendje genoeg foto’s genomen heeft. Ze breekt haar wandeling af om mee te kijken op zijn scherm. Dan gaat hij, terwijl zij de foto’s neemt.
11
In het Engels is een ‘labyrinth’ iets anders dan een ‘maze’. Het eerste woord impliceert dat er één pad is dat weliswaar lang, onoverzichtelijk en bochtig is, maar uiteindelijk toch in het midden uitkomt. Een ‘maze’ is een raadsel: er zijn vele mogelijkheden en maar één juist pad.
Het Nederlands is een beetje slordig in het maken van dit onderscheid. Wij gebruiken het woord labyrint voor zowel ‘labyrinth’ als ‘maze’, hoewel we ook het woord doolhof gebruiken, voor een labyrint waarin je kan verdwalen.
Het lijkt alsof het labyrint je welwillender tegemoet treedt: vertrouw op het pad en je zult beloond worden. Uiteindelijk is ieder labyrint echter een doodlopende weg, terwijl in een doolhof er weliswaar vele wegen zijn die nergens toe leiden, maar ook één pad dat je bij de uitgang brengt.
Als ruimtelijke metafoor voor het leven, stelt het labyrint zijn vertrouwen in de kundigheid van de ontwerper om het pad tot een goed einde te brengen. Het doolhof stelt dat de ontwerper niet te vertrouwen is en dat het de juiste keuzes van het individu zijn die een happy end garanderen.
12
Op zaterdagavond zit de kathedraal vol voor de Bach-recital op het orgel door Christophe Mantoux. Marieke en ik zijn laat, we komen in de pauze tussen twee stukken binnen en schuifelen zo zachtjes mogelijk tussen de stoelen door naar twee vrije plaatsen toe.
Het is koud en we zitten dicht tegen elkaar aan. Wanneer Mantoux de brute, haast atonale openingstonen van de Prelude in E mineur speelt, schrikken we op. Wat volgt is een stuk dat haast in tweeën scheurt: terwijl de watervlugge hoge tonen steeds verder naar omhoog reiken, dreigen de bastonen ons mee te slepen in hun val naar beneden.
Gaandeweg het stuk raken de melodieën steeds meer verknoopt, lijkt het schone steeds schriller te worden en het lage steeds aanlokkelijker, tot het niet meer duidelijk is waar de strijd om gaat of waartussen hij gevoerd wordt. Alleen nog maar verlangens die om voorrang vechten en soms ineens in harmonie zijn, om daarna weer in schijnbare wanorde te vervallen. Aan het eind is er geen oordeel, al laten de laatste tonen duidelijk horen wie de touwtjes het hele stuk lang in handen heeft gehad.
Tijdens het applaus zien we Reikiman schuin voor ons staan. Terwijl iedereen klapt, duwt hij zijn handen voor zijn borst tegen elkaar en maakt een kleine buiging, alsof hij de enige is die dit labyrint heeft afgelopen, alsof hij het optreden heeft verzorgd en de muziek slechts zijn soundtrack was.
Droplul.
13
Chartres is de stad met gemiddeld de meeste uren zon van heel Frankrijk. Er is dus geen plek in dit land te vinden waar Jeremiah je langer aan kan kijken. Toch sluit hij ook hier zijn ogen als het donker is.
Dan ben je zelfs in de kathedraal van Chartres alleen. Niemand ziet je terwijl je de strijd aanbindt met de Minotaurus. De uitkomst staat vast. Hij wint.





