citybooks

Graz is voor mij een stad waar mensen verdwijnen en ik bedoel dat precies zoals ik het zeg, letterlijk en onverkort: Graz is voor mij een stad waar verdwenen mensen thuis zijn. Zelfs die zin, eenmaal uitgesproken, verdwijnt, is een verdwenen zin. Ik hoor hem wegsterven, terwijl onder mijn voeten de takken kraken. Door de regen van de afgelopen dagen is de Andritzbeek een wilde rivier, hij verzwelgt elk woord dat je in het voorbijgaan uitspreekt.

*

Ik was vier jaar oud. Vaders meisje. Hij noemde me zijn vrouwtje. Een knipoog, ik zag er mijn spiegelbeeld in. Meer nog dan het huis waar we in woonden en zijn kale muren was het die blik van hem die me onderdak bood. Hij omhulde me, donker grijs, zoals een huid, stevig en sterk. Veel later pas ontdekte ik dat ook de dikste huid doordringbaar is. Meer dan een puntig voorwerp is niet nodig om in het weke binnenste ervan door te dringen.

Maar destijds was vaders blik mijn thuis. Ik zeg: destijds. Zoals in sprookjes. Lang, lang geleden. Vader tilde me op zijn schouders en droeg me met zevenmijlspassen, langs de Zösenberg omlaag, langs paardjes en geitjes, tot aan de Oorsprong. We waren een tweekoppige reus. Vader vertelde me over de heks van de Schöcklberg, over haar borstelige haren, over het duistere stukje hemel vanwaar ze hagel spuugde, over die ene hagelkorrel waar een van haar haren in opgesloten zat. Wie het vond, zou gelukkig worden. Daardoor weet ik dat geluk iets is wat je moet zoeken. Meer zelfs: iets wat je misschien nooit vindt.

De Oorsprong is een bron. Men vertelt dat er een kasteel in is verzonken. De nimf die het ooit had bewaakt, was aan land gegaan en doodgeranseld. Voor eeuwig verdwenen: de schatten van het kasteel; voor eeuwig weggestorven: het gezang van de nimf. Vader zei: ‘Als het licht schuin door de bomen op het water valt, dan zie je op de watereppen, de moerasplanten, nog een waas van goud. En als de wind langs de stenen muur strijkt, dan hoor je een verre weeklacht als het verstrijken van tijd.’ Ik hield mijn adem in en durfde nauwelijks nog uit te ademen. Zo hard wenste ik dat ik het kon horen. Ik stond daar, vaders hand in mijn rug, met bolle wangen. Telkens wanneer ik lucht liet ontsnappen, leek het of ik net het beslissende moment had gemist. Niet erg, lachte vader: ‘Hier aan de oorsprong van de wereld komt alles ooit samen.’ Dat was ons geheim. Dat hier alles ooit samen zou komen.

Er zijn nog andere plekken die ik me herinner. Weiden en wouden zonder naam. Van alle plekken echter is het de Oorsprong, vochtig en donker, waar ik het veilige gevoel aan verbind dat ik ooit klein ben geweest. Soms droom ik ervan en roep bij het ontwaken een woord dat me vreemd is geworden. Het komt uit de diepte, trekt me omlaag en gedurende een paar seconden zie ik mezelf, met mijn gezicht naar beneden, tussen insecten drijven. Dat beeld achtervolgt me de hele dag. In zekere zin droomt het mij. Niet omgekeerd.

Bij de oorsprong van de wereld waren alleen wij, vader en ik. We wierpen kiezelstenen en telden de kringen. Kauwden op grashalmen en verzamelden slakken. Zelfs nadat ze zich in hun huisje hadden teruggetrokken, werden ze verraden door een slijmspoor. We spraken zelden over moeder en als we het deden, dan heel zachtjes. ‘Ze heeft hoofdpijn,’ fluisterde vader, ‘in haar hoofd bliksemt en dondert het.’ Zijn fluisteren werd zwakker, brak uiteindelijk af, werd een zwijgen. Als het lang genoeg aanhield, dan kon ik niet meer zeggen of het er überhaupt nog was. Die hand, die krachteloos vanonder het laken viel. Die gevallen hand, die niet bewoog, in het duister van de kamer. En de zon glinsterde stoffig door de gesloten jaloezieën. Die zonbeschenen hand, die zich ineens herinnerde dat ze leefde, die zich ineens naar het nachtkastje bewoog en een fles vastgreep. Gulzige teugen, ook dat. Een langgerekt ‘Aaaah!’ Daarna opnieuw stilte. De hand zakte naar de grond. Tegelijk met de fles, die onder het bed rolde. Dat geluid, wanneer ze uiteindelijk tot stilstand kwam, dat zachte wegrinkelen was wat ik destijds onder moeder verstond.

Ik zou er nog andere dingen aan kunnen toevoegen. De pillendoosjes bijvoorbeeld. Als ze leeg waren, mocht ik ermee spelen en ze als bouwstenen gebruiken. Hier heb je er een. Moeders vermoeide stem. Af en toe wenkte ze me en stelde ze verbaasd vast hoe groot ik was geworden. Zoals een verre verwant. Drukte ze me tegen haar borst zodat ik bijna stikte, scherpe geur uit haar mond, liet ze me weer los, zakte ze terug in het kussen, alsof de omhelzing haar buitengewoon had verzwakt. Dat volstaat voor vandaag, zei ze: ‘Meer gaat eenvoudigweg niet.’ En: ‘Doe de deur dicht, als je weggaat. Maar heel zachtjes, alsjeblief.’ Met vier jaar had ik al geleerd hoe je een deur zachtjes dicht doet. Ik kan het vandaag nog. Zoiets verleer je niet. Op kousenvoeten sloop ik door de gang tot aan het voorste raam. Toen de klok zesmaal sloeg, dook vader op van achter de struiken.

Hij was het die me ’s ochtends wekte. Hij was het die me aankleedde en mijn haren samenbond. Die een boterham voor me smeerde. Boter en jam. Die me in de auto zette en me bij de kleuterschool, half in de ingang, een kus op de wangen drukte. Mevrouw Drechsler, de buurvrouw, bracht me samen met Maria, haar dochter, weer thuis. Het is te treurig, zuchtte ze telkens als ze me zag, en onderbrak zich abrupt, als om haar woorden gewicht te verlenen. De rest van de rit voelde ik haar ogen, in de achteruitkijkspiegel, verzengend op mij gericht. Maria vroeg me of mijn moeder ook met een zilvergrijze Mercedes reed. Ik knikte: ja, zoiets. En ergens klopte dat ook. Moeder reed en reed en reed. Haar haren in de war door de wind. Reed heen. In haar bed, dat een zilvergrijze Mercedes had kunnen zijn.
Wat ik wilde zeggen: het was vader die ’s avonds soep voor me maakte. Hij was het die me leerde fietsen en zwemmen. Die me verhalen vertelde over de Witte Vrouw die in rook was opgegaan. Die me instopte en bij me bleef tot ik sliep en op een dag weer wakker werd.

*

Ik was zes jaar oud. Kampioene van de spellingwedstrijd. De eerste prijs was een vulpen. ‘Heel Andritz is trots op je,’ had de lerares gezegd, en ik herinner me dat het woord Andritz uit haar mond klonk als de grote, wijde wereld met al zijn steden en dorpen, al zijn bergen en rivieren. Mevrouw Drechsler daarentegen leek ontgoocheld. ‘De volgende keer,’ zei ze tegen Maria, ‘moet je wat meer je best doen.’ En tegen mij, met een scheve glimlach die niet recht wilde worden: ‘Nu zal je moeder echt blij zijn.’
Toen ik eindelijk weer thuis was, glipte ik geruisloos uit mijn schoenen. Moeders deur stond op een kier, ik hoorde haar daarachter zwak kuchen. Een moment lang overwoog ik om naar haar toe te gaan en haar de vulpen te tonen. Maar haar kuchen was intussen een vet hoesten geworden. Ik hoorde hoe haar hand, die magere hand vol doorschemerende aders, iets van het nachtkastje stootte, ernaar reikte, het gretig omklemde. Koortsachtig opendraaien. Het moment was voorbij. Eens te meer had moeder een van haar magere beloften gebroken: ‘Morgen maak ik pannenkoeken met aardbeien voor je.’
In de keuken vond ik een spinazielasagne in de koelkast. Ik zette hem in de microgolfoven en draaide de knop op twee minuten. Toen ik rondkeek, viel mijn blik op de tafel, tafelzeil met ruitjes, de broodjes die over waren van het ontbijt, een briefje dat met opstaande randjes merkwaardig eenzaam bij het broodmandje lag. Ik nam het op en spelde. Er was een V. En een A. En nog een A. En een R. Een W, een beetje krom. Een E. En een L. Daaronder: Vader. Ik las: Vaarwel. De microgolfoven zoemde. Hij deed ‘Triiing!’ Uitgelopen kaas. Steeds weer las ik hetzelfde, zonder de betekenis ervan te begrijpen. Het briefje in mijn hand was door het vele lezen al helemaal verfrommeld.

De klok sloeg tweemaal. Tijd om moeder haar maagthee te brengen. Ze had hem graag lauwwarm, met twee volle theelepels suiker, het builtje er nog in en een scheut rum. Ze zei: ‘Daar knap ik van op.’ Daardoor weet ik dat scheut en opknappen twee nauw verwante dingen zijn. Sterker: dat de scheut, als het een flinke was, me tien schilling zakgeld opleverde, een enorm bedrag, ik kon er me bij Scherwirt een Twinny-ijsje en een chocoladereep van kopen.

‘Moeder?’ Ze bewoog nauwelijks. Alleen aan de deken die op en neer ging, kon je zien dat er iemand lag te ademen. Ik zette het dienblad neer, herhaalde: ‘Moeder?’, en porde haar zachtjes, zodat ze niet zou schrikken. Ze hield van alles wat zacht, haast niet voelbaar was, als de aanraking door een veertje. ‘Zo is het goed,’ ze was overeind gekomen, ‘je bent een braaf, braaf meisje.’ En toen ik begon te huilen: ‘Toe, toe. Huil maar niet.’ Ik duwde haar het briefje onder de neus. Ze las met knipperende ogen Vaarwel, keek me aan, keek dan weer naar het briefje, nu met opengesperde ogen, en barstte uit in een aanvankelijk ingehouden, daarna luid en onbeheerst gelach waar maar geen eind aan kwam. ‘Is hij ‘m toch nog gesmeerd,’ lachte ze: ‘Heeft hij ons toch nog in de steek gelaten.’ De zinnen priemden boven haar gelach uit, werden eronder bedolven, taai slijm, tot ten slotte enkel nog haar gelach overbleef, het gelach van een zojuist tot leven gewekt mens, dat door de muren werd weerkaatst en de kamer, het huis, de straat, ja heel Andritz vulde, zo dacht ik. Haastig liep ik de gang op, diepte de vulpen op uit mijn boekentas, bekeek zijn spitse punt en stak ermee in mijn arm. Een weldadige pijn, ik schreeuwde het uit, mijn schreeuw versmolt met moeders gelach. Hij smoorde het, al was het maar een paar seconden, ontnam het iets van zijn rauwe klank.

*

Ik was acht jaar oud. Stond vol littekens. Mijn linkerarm was bezaaid met prikken. Tegen de schoolarts zei ik: Ik slaapwandel en ben ’s nachts in de rozen- en braamstruiken getuimeld.’ Ik zei het met dezelfde vanzelfsprekendheid als waarmee moeder tegen de mensen van jeugdzorg zei dat ze al meer dan een jaar geen druppel had gedronken. En ook al was wat ze zei maar voor de helft waar, dan was het toch waar dat haar toestand er sinds vaders verdwijning steeds meer op was vooruitgegaan. Op de vraag waarheen hij was verdwenen antwoordde ze: ‘Vermoedelijk naar betere oorden.’ Voor mij stond het vast dat vader de Reinerkogel had beklommen, en dus, geen twijfel mogelijk, langs de Jakobsladder naar beneden de stad in was gegaan. Maar dat was een onbereikbare plek, ver, ver weg, in nevelen, een wereldreis ver. Ik, die niets anders kende dan de Prochaskagasse, de Radegunder Straße en de Ursprungweg, afgezien van een paar andere verder niet noemenswaardige zijwegen, hield de stad voor een net zo afgelegen plek als bijvoorbeeld Parijs, New York of Hongkong. Ondenkbaar dat ik daar ooit zou komen, ondenkbaar dat dat überhaupt mogelijk was.

Mijn vader was niet de enige die was verdwenen. Ook Maria’s vader, zo vertelde mevrouw Drechsler me terwijl ze in hoongelach uitbarstte, was er in die dagen vandoor gegaan met zijn zowat tien jaar jongere vriendin, uiteraard blond, uiteraard slank, uiteraard rimpelloos en, voor wie ervan houdt, een van die inwisselbare lokale schoonheden. ‘Ze zijn gelukkig,’ voegde ze eraan toe, zo gelukkig als je maar kan zijn op aarde, en omdat ik mijn vader een even groot geluk toewenste, kwam ik op het idee in de buurt een vriendin voor hem te zoeken, in de hoop dat hij dan misschien opnieuw de Reinerkogel zou beklimmen en de weg naar de Oorsprong, het begin van alle dingen, terug zou vinden. Vaak genoeg had ik hem door het voorste raam gezien, alleen maar om meteen daarna vast te stellen dat het inbeelding was geweest. Alleen maar een schim, meer niet. En vaak genoeg was ik langs paarden en geiten, want ze waren net als ik nogal wat gegroeid, naar de bron in het woud gerend, alleen maar om de griezelige ontdekking te doen dat de man die daar zat een tandenloze grijsaard met sneeuwwit haar was.

Mijn zoektocht naar een vriendin begon op school. Er was de directrice, mevrouw Grottenbacher, een vreselijke naam, ik sloot ze van meet af aan uit. Er was de godsdienstjuf, mevrouw Kubacek, van wie werd gezegd dat ze een episode had met de pastoor, wat dat ook mocht betekenen, er was de juf van 3C, mevrouw Walter, die onafgebroken op haar nagels beet, en er was de secretaresse, mevrouw Böhm, wier benen zo lang waren dat ze de halve wereld omvatten. Ik koos de laatste.

Aangezien het voor mevrouw Drechsler, aldus Maria, thans niet mogelijk was ons op te halen, ze zei het als een uit het hoofd geleerde spreuk, moesten we, nog altijd maar acht jaar oud, voortaan met de schoolbus naar huis. Een kans, en ik benutte ze. Nadat ik Maria met een buikpijnsmoes had afgescheept, wachtte ik met spiedende ogen achter de vuilnisbakken voor de school totdat mevrouw Böhm naar buiten kwam, volgde ik haar op tien passen afstand totdat ze kort stilhield, weer doorliep en met opgetrokken schouders een van de rijhuizen aan de Popelkaring was binnengeglipt. En daar stond ik. Dag na dag. Een hele maand lang. Zonder de moed om aan te bellen. Verstopte me zodra er een gordijn bewoog, liep weg zodra haar gezicht verscheen. Eén keer draaide ze zich op straat naar me om. Keek me aan alsof ik een spook was, enigszins angstig, haastte zich met haar lange benen weg, enigszins panisch, ik achter haar aan, enigszins buiten mezelf, wilde net haar naam roepen, net haar mouw aanraken, toen ze, in zekere zin al helemaal niet meer de mevrouw Böhm die ik kende, de sleutel hevig bevend in het slot stak en met een sprong, ijlings, het huis binnenvluchtte. Dit keer belde ik aan, ik weet niet meer hoe vaak. Maar de deur bleef dicht en zo restte me niets anders dan ontmoedigd naar huis te gaan. De dag nadien werd gesmiespeld dat mevrouw Böhm een zenuwinzinking had gekregen, en weer een paar dagen later werd gesmiespeld dat ze met pak en zak was teruggekeerd naar het Mürztal, haar geboortestreek in Boven-Stiermarken. Daardoor weet ik dat geboortestreek iets met zenuwen heeft te maken. Ze is in elk van ons die ene zenuw, die buiten elke proportie gespannen zenuw die ons, telkens als de tijd daar is, terug naar de oorsprong katapulteert.

*

Ik was veertien jaar oud. Een vergeetachtige tiener. Ergens tussen mijn elf en mijn dertien, toen dat gedoe met het vrouwzijn begon, was er een moment vanaf wanneer vader geen persoon, maar eerder een vage herinnering, ik zou bijna willen zeggen een niet-persoon was. Ik wachtte weliswaar nog altijd op hem, stipt om zes uur, maar het wachten was een holle gewoonte geworden, net als het doordringen van mijn huid met deze of gene punt. Het hoorde erbij, maakte deel uit van de dag die afgleed naar de nacht. Als ik zo bij het raam stond, noemde moeder me een hopeloos geval en goot ‘bij wijze van uitzondering’, een van haar lievelingsuitdrukkingen, een teug gin erachteraan. Ook dat hoorde erbij, maakte deel uit van de dag die aldoor afgleed naar de nacht.

Op dit punt moet ik misschien vertellen dat mevrouw Drechsler, de buurvrouw, al lang niet meer met een zilvergrijze Mercedes reed, maar met een Škoda, en dat haar dochter Maria, tot op het bot vermagerd, hoogstens nog een streep, langzaamaan was weggeteerd, totdat ze haar van school hadden moeten halen en naar een ziekenhuis in het zuiden van de stad hadden moeten brengen. Die was voor mijn aanvoelen in ieder geval dichterbij gekomen. Ik had ontdekt: er waren maar een bus- en daarna een tramrit nodig om naar de Hauptplatz en van daaruit naar het Griesviertel, de Lendplatz of het stadspark te komen. En ik had ontdekt: met tovenarij had dat helemaal niets te maken.

Het liefst van al reed ik met de fiets de stad in, de wind in mijn haren, en hier naast mij, flink trappend, Klaus-Peter-Jürgen, zo heette hij echt, uit de wilde B-klas, waar hij alleen al vanwege zijn naam niet echt in paste. Men noemde hem de Drieoog, of gewoon: de Drie. Maar ik noemde hem Peter, dat maakte de spot weer goed, en zo kwam het dat we hier naast elkaar aan het fietsen waren, al hadden we geen van beiden een idee waarheen. ‘Als we maar weg zijn,’ zei Peter, ‘weg van huis.’ De dikke lucht daar kon je met een schaar in allemaal snippers verknippen. Hij sprak überhaupt vaak over scharen en snippers, ik denk om me te zeggen: ‘Je bent niet alleen.’ Daardoor weet ik dat het mogelijk is om over dingen te praten zonder ze uit te spreken en dat dat soms de beste manier is om te praten, de beste manier is om te begrijpen, als je het onuitspreekbare onuitgesproken laat en er in plaats daarvan omheen praat of gewoon zwijgt.

We zwegen veel, Peter en ik, en het bijzondere daaraan was dat ons zwijgen niet pijnlijk was. We zwegen omdat het in onze aard lag, net als de treurigheid en de verveling, net als het onbestemde gevoel dat dat samenhing. Zwijgend parkeerden we onze fiets. In de beschutting van de bomen eentje rollen en roken. Diep inademen, weer uitademen. En glimlachen. We reden langs het Parkhouse en vroegen ons bedrukt af of we ooit zo groot zouden worden als de studenten die daar in de schaduw een fris biertje zaten te drinken en of we dat überhaupt wilden: zo groot worden. We namen elkaars hand en klampten ons aan elkaar vast, om nooit meer los te laten, een heerlijk moment lang, onttrokken ons aan de tijd, drukten mond op mond, de tong een beetje naar voren, dan geschrokken weer terug, vielen met een vochtig geluid uiteen. Mijn eerste kus. Bij de punkerswei. Bedeesd veegde ik hem weg. En terwijl ik dat deed gebeurde het dat ik op een van de banken rond de fontein, op de bank waar ik zelf al een paar keer had gezeten en naar de lucht had gestaard, op die bank dus, vaders gedaante ontwaarde. Ik werd bleek, vervolgens rood, Peter vroeg: ‘Wat scheelt er?’. Ik voelde hoe al mijn bloed uit mij weg en naar vader toe stroomde. ‘Niets, niets,’ zei ik na een poos en duwde Peter weg. Opeens was ik beschaamd dat ik hem had gekust, onder vaders ogen om zo te zeggen, dat ik onder zijn blik, die mijn thuis was, een puisterige knul had gekust. Ik zei iets in de trant van: ‘Tot later, we zien elkaar nog!’, zei het zo terloops mogelijk, alsof we niets met elkaar te maken hadden, liet Peter staan waar hij stond en ging, scherpe messen onder mijn voeten, op de man af die me zo meteen, zo meteen, ik wist het, zo meteen, zo meteen in zijn armen zou sluiten, me zo meteen, zo meteen alles zou uitleggen, zo meteen, zo meteen… verloor ik mijn evenwicht en stuikte met mijn handen vooruit op het asfalt. Vader sprong overeind en pakte me bij de arm, de versnipperde, drukte er zachtjes in en vroeg: ‘Heb je je pijn gedaan?’ Zijn blik omhulde me, donker grijs, ik wist: nu herkent hij me. Nu! En opnieuw: nu! Maar hij keek door me heen en zag niets anders dan een meisje dat gevallen was, keek me aan en uiteindelijk weg, zei iets in de trant van: ‘Goed dan!’, alsof we niets met elkaar te maken hadden, liet me liggen waar ik lag, en ging weg. Met droge keel schreeuwde ik ‘Vader!’ maar mijn schreeuw was een fluisteren, meer niet. Net als in die dromen waarin je je mond opendoet en er niets uitkomt. Geen klank. Geen lettergreep. Helemaal niets.

*

Ik was zestien jaar oud. Moeders evenbeeld. Als ik in de spiegel keek, zag ik mijn toekomst: een steil aflopende weg die langs een ravijn een bodemloze diepte in leidde. Peter was kort na onze kus met de fiets verongelukt. Hij was in coma gevallen en er niet meer uit ontwaakt. Ik vroeg me vaak af of de lucht die men langs een slangetje in zijn longen pompte dikke lucht was of dunne, en of hij zich misschien eenzaam voelde in die lucht, of dat zijn eenzaamheid hem misschien troostte. Gerhard en Rainer, die na hem waren gekomen, vonden dat soort vragen in ieder geval akelig en verdwenen al meteen na de eerste ruzie, en nadat mevrouw Neugebauer, de vrouw van Gunther, mijn wiskundeleraar, hem en mij in hun gemeenschappelijke slaapkamer had betrapt, was ook die historie voorbij. Daardoor weet ik dat alles voorbijgaat. Om het even wat, het gaat gewoon voorbij.

Toen mijn maandstonden uitbleven, schold moeder me uit voor hoer. Maar ook dat ging voorbij. Gunther betaalde voor de abortus en voor het zwijgen erna. In de briefomslag die hij me op weg van de vergaderruimte naar de leraarskamer had toegestopt, zat voldoende geld om tot het einde van mijn dagen te zwijgen. Het viel me niet zwaar. Zoals gezegd: het lag in mijn aard. De leerstof had ik na anderhalve week afwezigheid snel weer ingehaald en toen ik mevrouw Neugebauer eens toevallig in de Sporgasse of bij Kastner tegen het lijf lief, zei ik: ‘Goeiedag’ en zij ook en het was alsof er nooit wat was gebeurd. Alleen een hand gaven we elkaar niet, dat zou te veel gevraagd zijn. Ik merkte het aan de gespannen manier waarop ze haar armen tegen zich aan gedrukt hield: van een aanraking, hoe banaal ook, zou ze ter plekke het verstand hebben verloren.

*

Ik was achttien jaar oud.
Studente in Wenen.
Naar Graz ging ik tweemaal per jaar. Eenmaal met kerst, eenmaal voor moederdag.
Ik was drieëntwintig.
Beursstudente in Berlijn.
Naar Graz kwam ik met kerst en alleen dan.
Negenentwintig.
Promovenda in de deeltjesfysica in Toronto, met een promotieonderzoeksplaats in Houston in het vooruitzicht.
Af en toe telefoneerde ik nog met moeder. Haar stem klonk oud. Het geruis op de lijn maakte het ons makkelijk om na vijf minuten weer neer te leggen.
Eenendertig. Tweeëndertig.
Graz is een telegram waarop staat: ‘Moeder gestorven. Stop. Anita Drechsler.’

*

Mevrouw Drechsler haalde me met een Mazda op van de luchthaven. ‘Ze zei dat ze alle tegenslagen in haar leven te boven was gekomen. Het is alleen zo jammer dat je moeder daar nooit in is geslaagd. Dat de dood van je vader, weet je nog, kort na je derde verjaardag, haar zo uit haar baan heeft geslingerd. En hoe jij dat niet wilde inzien, dat hij gestorven was, hoe jij je aan hem vastklampte, over zijn dood heen! En wat dat betekende, voor je moeder, je zo te zien! Hoe jouw aanblik haar kwelde! Nu kan ik het wel zeggen, niet?’ Verzengende ogen. ‘Dat je gedrag ronduit angstaanjagend was. Zoals je in het ijle, met een mens die onzichtbaar, ik bedoel, dat was, vind je ook niet, net als in een griezelfilm.’ Plotseling lachte ze schril. ‘En kijk nu wat er van je geworden is! Als Maria er nog was geweest, ik zweer je, dan had ze daar niks dan plezier in gehad. Maar alles is nu eenmaal zoals de lieve God het voor ons wil.’

Met die woorden zette ze me af en ik kon zien dat ze huilde. Met de handen op het stuur huilde ze zachtjes in zichzelf. Arme mevrouw Drechsler, dacht ik, ze is vast gek geworden van puur verdriet.

En nu ben ik weer hier, in dit huis met de kale muren, en zoek een bewijs dat vader, de vader van mijn voorstellingen, echt heeft bestaan. Ik zoek foto’s. Brieven. Tevergeefs. Al wat ik vind, is het briefje, een vergeeld Vaarwel. Ik steek het in mijn zak en ga naar de Oorsprong. Onder mijn voeten kraken de takken. De Andritzbeek is een wilde rivier, hij verzwelgt elk woord, gretig om het te verzwelgen. Eenmaal daar zal ik het briefje in het groene water gooien en toekijken hoe het oppervlak zachtjes, heel zachtjes aan de randjes begint te trillen, zich volzuigt met vocht, ten slotte vroeg of laat zinkt. En misschien zal ik dan zien dat het moeders krabbelige schrift was, het handschrift van een dronkelap, die me destijds wilde verlossen, en misschien zal ik dan haar gelach horen, een verre weeklacht als het verstrijken van tijd. ‘Eenmaal daar,’ zeg ik. Maar zelfs die zin, eenmaal uitgesproken, verdwijnt, is een verdwenen zin. Daardoor weet ik dat Graz een stad is als elke andere.

 

Vertaald uit het Duits door Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen.

 

Kris Lauwerys (Duffel, 1972) is literair vertaler uit het Frans en het Duits. Hij is de vaste vertaler van Gregor von Rezzori, van wie hij tot nu toe Memoires van een antisemiet, Bloemen in de sneeuw en Een hermelijn in Tsjernopol vertaalde. Van Henri Bauchau vertaalde hij Maalstroom, een prestatie waarvoor hij in 2009 werd onderscheiden met de Prix Henri Bauchau. Kris Lauwerys werkt daarnaast als docent Nederlands aan de universiteit van Mons. Voor deBuren schreef hij het Radioboek ‘Een reis en twee liefdesverklaringen’.

Isabelle Schoepen (Wilrijk, 1974) vertaalt en redigeert voor enkele tijdschriften en organisaties in de cultuursector. Tot voor kort was ze coördinator van de Vlaamse Auteursvereniging, de belangenvereniging van en voor Vlaamse auteurs en vertalers.