citybooks

Zwaartekracht en tegenwicht

Onno Kosters


I know
I won’t
be
leaving here


with you

Franz Ferdinand, ‘Take me out

 


Kunst en vliegwerk (‘Austromir’)

Hier binnen een totaal omvliesd kanaal
dat stilstaat in rood licht, zo schijnt –
de bedding wit bewolkt, dan weer van cellofaan,
van film die het land, die de stad vernist –

trekt hij haar over.

*

Vingertoppengevoel.


Vlieger
die je toppen bewoog, overspoelde;
ze nooit weerlegde, ze nooit verlaat.

Vlieger
als vertraging in de ruimte: ik spiegel jou,
langzame vlinder aan de trillende hemel.

Maar je schaduw schiet weg langs de bergwand.

Mijn zwevend bestaan.

Onderdruk die dit mogelijk maakt.

 

*

De deuren schuiven open.
Ik dans de Blauwe Donau,
doe de kleine stap
in een leeuwenkuil van hitte die zich uitstrekt
naar het Zuiden,
waarvan de wanden
reiken tot de hemel waar ik juist aan ben ontstegen
(maar dan naar beneden).

Ik neem je mee
zonder dat je het weet, hou

vast.

 

*


Je ligt daar al zo lang,

stad met een slot dat ieder jaar
een jaar weer duurt
(dat slot buiten je muren),

de tuin een zonnestelsel:
gewortelde planeten, struikgewassen dansen
in de koele zonnewind,

de maan een vijver zonder einde,
de maan een tijdstip zonder stop,

donkere wachter zonder baan,
zonder aarde.

Hemellichaam, tranendal. Levenslijn.

 

 

 

 

 

 

 

Maquettebouw (Zwaartekracht)

Daalde weerstandsloos het komdal
rond de speelgoedrailsjes in.

Papier-maché en poppetjes, ze groeiden uit
naar stevigheid, bestendigheid, naar vleselijkheid.

Stapte uit in een kaart die ik maar draaien blijf,
het tocht er en iedere windrichting is er onjuist.

Wie graag wil verdwalen, is hier aan het juiste adres.

Wie zich de benen uit het lijf loopt
maar de moonwalk doet, verliest zijn hoofd.

Zo leef ik steeds in tegenwicht, op je ademtocht,
de scheppingszucht mijn levenskus – bomen, water, gras;

daken, baksteen, glas. Zich burcht
noemende burcht. Concreet gedicht. Graz.

 

 

 

 

 

 

 


Levensvormen

Een museum als een varkensblaas.

Een museum als een scheepsromp, patrijspoorten
in het blauwblinkende staal dat de kunst omarmt,
bieden bierviltronde uitzichten
op de berg,
op de lucht die mij hier bracht.

Ben geland, maar zonder vleugels,
logge friendly alien,
ben hier blijven staan,

tegen je aanval niet bestand.

*

Voorbij het stadion dat stormt en brult, met vuur
herkauwt, graast tot de overwinning smaakt,

een wezen in serene rust, dat een tijdsbeeld biedt:
vertederende overdaad.

De zwarte panter schurkt en wast zich.
Nieuw geld laaft zich overdadig
aan de holle bolle kitsch.
Schmuck, Brille & Design.
In je staart huist het venijn.
Je kijkt vanuit je pantser om me heen,

je laat je minzaam likken
door mijn blauwe gletsjertong.
In je genotsregio klautert

mijn bergspoorbaan.

*


Naast de markt: zie door de groenten
de goden, langs het vlees de enscenering,

door het flessengroen de vettige
vitrines van de bakker,
door het vetvrij pakpapier van de slager

de tempel van de keel.

Achter de Opera naast de markt
het geraamte van een versie van het Vrijheidsbeeld.

Een tuniek van lucht.
Sla het om me heen, hou me erin warm.

Ik drink tot mijn verrassing een zich bierig noemend bier,
koop aardbeienlikeur, ik zing van je

lang zal ze leven –

 

 

 

 

 

 

 

Alte Galerie, Schloss Eggenberg

In het museum rond de binnenplaats
Brueghel de Oudere, ‘Triomf van de dood’.
Ik neem stiekem een foto
om thuis nader te bestuderen, wie weet
is mijn vader dit jaar
een van de overwinnaars.

 

 

 

 

 

 

 

Afleiding (Omleiding)

De hangsloten in het hekwerk
van de Hauptbrücke dansen,
deinen, flakkeren, trillen – Bim!
onder het dubbelzinnig ritme
van het stratenmaakgeweld.

Mannen zien het donkere meisje
dat in wenkend wit passeert
(babydoll, handschoenen, plateauzolen),
storten, harken, vegen asfalt – Bim! –,
plaatsen roze stroken piepschuim
tussen glinsterende tramrails,
zien het donkere meisje,
drukken lief maar ferm,
tederstevig keien in hun rijen,
waar de Bim – Bim! – straks langs zal rijden,
zien het donkere meisje,
storten, scheppen, vegen,
pletten mortel gul in gretig open geulen,
walsen, graven, rijden,
fluiten, roken, bellen,
drinken sap uit reuzenflessen,
de hele straat staat zich te schikken – Bim!
naar de mannen, grote mannen, Schwarzeneggers,
die hun benen (Turkenputten),
die hun buiken (Schlossbergwanden),
die – Bim! – hun bovenlijven (kazematten)
spannen nu ze het donkere meisje zien,
zakken stenen of het niets is
met hun handen onaantastbaar
als de hoge zomerwolken
van bij de klamme Annentunnel
maten op de Hauptplatz reiken,
als kolossen boven stad
en ommelanden torenen – Bim!
de straat, de stad, het dal, de aarde, het heelal
er – Bim! – wel onder krijgen,
nu ze het donkere meisje zien.

En de sloten in het hekwerk,
versierd met namen, data, initialen,
harten, bloemen, hiëroglyfen,
trillen mee, maar gaan voor niets
of niemand open,
zó hangt de liefde in de lucht hier. Bim!

Eeuwen eerder werd ze ook aanbeden,
op een cultuskar gehesen, offerschaal
boven het hoofd geheven, door naakte krijgers
voortgedreven naar het slot – waar ze nu staat.

 

 

 

 

hart

De deur gaat automatisch open
en achter mij vanzelf weer dicht
wanneer ik de Herz Jesu-kerk betreed.

Ik zoek de crypte, die ik nergens vind.
Boven het altaar
een lantaarn van rood glas.

Bloed gloeit.

Onder het hoge gewelf, omringd door veertien staties,
verschijn je hier.
Dat gaat automatisch.

Ooit gaat het

maar niet vanzelf weer dicht.

 

 

 

 

 

 

Wendingen

Het is niet de berg die zo 1-2-3 paleozöisch de stad uitrijst,
maar een stad rond een duivelsworp gedrapeerd –

het is niet de trap die de berg omhoog zigzagt,
maar een theekopronde baai
met een schroef in het midden –

het is niet de toren die rondom de dubbele,
die rondom de dubbele, die
rondom de wentelwenteltrap rondom
zichzelf
is geboetseerd,
maar een trap naast een trap
in een provinciaal bestuursorgaan –

het zijn niet de huizen die in de spiegelwand
van de telecomtoren
worden gestold,
maar een winding van glas
die een draai aan een wieling
van stromingen geeft –

het is niet de kolk
om de mossel in de Mur,
maar de kunst om juist daar
het hart boven water te houden –

het zijn niet de engelen,
groter in aantal
in de Dom dan in de hemel zelve,
die om en om en omhoog en rondom en om en om wolken,
wijzen, vermanen, troosten,
om hun billen blozen,
langs pilaren kolken, met hun konen pronken, je een duizeling bezorgen,
maar de overgave aan je eigen,
onbemiddelbaar gevecht met een ervan.

Het is niet het leven,
het is hoe het hier wordt vervormd, tot de
dubbele helix komt.

 

 

 

 

 

 

 

Bestimmte Dinge tun nur Leute die Mist in der Birne haben


De gekte van hitte
ontlaadt zich in een noodweer
dat van het meer dan groene stadspark
een paradeplaats maakt,
van de losse klokkentoren

een onverwoeste vesting,
van de Leechkirche een grafheuvel

waarop Teutonen en Hallstatters

maar niet in die volgorde

scepters zwaaien, dolle Hongaren

de boel staan te slopen,

vrome burgers

de zaak weer herbouwen,

Madonna mij opneemt, Maria mij toelacht

(er onderwijl achteloos

een draak onder houdt),

een ingemetselde edelman

zijn gebed laat verstommen,

twaalf pilaren het dak onder een hemel

die er ook niks aan kan doen

dragen,

mijn vertolkster waakt,
van het vliegveld een Romeinse villa,
van de stad een schone lei.

Het noodweer wast de stad terug in de tijd.

 

 

 

 

 


Passant

In de poort naar de burcht
lijkt er niets aan de hand,
witkalk zet zich schrap
onder de zware lucht,
wolkjes zwarte letters in de ooghoek van de poort
doen het onzichtbare aanzwellen.

Je wilt je omdraaien, er staat altijd
iets op het punt dat al gebeurde.

 

 

 

 

 

 

Het visioen (Tegenwicht)

Then suddenly you know
you’re never going home.

Franz Ferdinand, ‘Ulysses


Nacht. Blauw licht
stroomt langs de lange galerijen van het ESTAG-hoofdkantoor.
Een satelliet scheert rakelings
over een ster die stil straalt op het toppunt van de stad.
O mijn Sirene, mijn Mir.
my peace is there in the receding mist.

Maria Trost, Bisschopsgym en Hauptbahnhof

knipogen naar de luchthaven.

Und so nah ist die Welt.

In de Mur verzamelen zich de lichten van de stad,
ze stijgen op en zwermen
naar de toppen van de hof van voormalig paleis Lengheim,
overschaduwen de Sgraffiti,
kleuren die ingekerfde tekens, vouwen zich tot landingsbakens
voor het schip dat mij komt halen,


dat me meeneemt naar een hoek van het heelal

waar niets mij meer kan raken,


jij gereed staat,

antwoordt,


alle tijd die ik versleet

is teruggebracht tot spil

waaruit ze eindelijk opnieuw begint,


een nacht passeert

waarin de jaren zich herschikken,

wat ik naliet met een ogenblik

gedaan wordt gemaakt,

ik kom en bij je blijf

in je regenboogjes, in je eigen straat,

mijn kaartenhuis je witte bed,


ik je mijn sleutels gééf,

me niet langer blind jank om wat ik toen niet inzag,

je mee de nacht uit neem

waar wij al zo lang in verblijven,

de nacht die ons –


die afloopt, los-

laat, mijn vrede, Sirene, de lichten gevlogen.

In de Mur ontvlamt het water,
in het water tussen Keplers- en de spoorbrug

raakt de slaap

langzaamaan
overmand

door de dag
dat je mij

hier opnieuw

de zwaartekracht onder me wegslaat.